28-12-06

Een dorp langs de spoorlijn op 100 km van Lhasa

In het dorp wonen 64 families, samen 286 Tibetanen. Zij bewerken een zestigtal hectaren, dat is nauwelijks 1 hectare per familie. Dertig jaar geleden hadden ze nog 2 hectare per familie want toen waren ze met de helft minder mensen. Hogere opbrengsten per hectare hebben de bevolkingsgroei net kunnen volgen. Gerst en wintertarwe krijgen elk 25 hectare en daarnaast nog 7 hectare voor koolzaad en 2 voor aardappelen. Rond de huizen telen ze groenten voor eigen gebruik. Het dorp beheert een kudde van 320 beesten, yaks en schapen samen. Enkele mensen van het dorp leidden die in de zomer de bergen in om te grazen. De arbeid op de velden wordt in samenwerkingsverband georganiseerd. Na afname van een deel voor eigen gebruik wordt de rest van de oogst verzameld voor een centrale verkoop. Na aftrek van de gemeenschappelijke aankopen, wordt de winst verdeeld volgens de opbrengst van elk veld en omdat de oppervlakte van de velden nagenoeg dezelfde is voor elke familie, is dat ook het geval met de centenverdeling. Wat zijn de gemeenschappelijke aankopen? Zaaigoed is het niet, want dit produceren ze zelf en verbeterde zaadsoorten krijgen ze gratis van de overheid. Mest hebben ze van de dieren, maar die zijn dikwijls het huis uit. Soms kopen zij chemische supplementen. Vroeger werd mest van de dieren verbrand om de huizen te verwarmen. Nu zijn ze overgeschakeld op steenkool. Gemeenschappelijk zijn ook de kleine infrastructuurwerken in het dorp. Er is een klein lokaaltje voor eerste medische hulp. Of het bouwen van een nieuwe stupa met een tempeltje, wat zij enkele jaren geleden deden. Of enkele te vernieuwen irrigatiebuizen. Het is niet ingewikkeld om te begrijpen dat die hectare per jaar en per familie weinig winst opbrengt: 200 euro, dat is het dan. Hoe wordt dit allemaal geregeld? Door de “harmonieuze ecologische samenleving” van weleer, zoals de 14e dalai lama ze beschrijft? Een “klein” verschil is dat zij toen tweederden moesten afgeven aan de heer of het klooster, zonder er 200 euro voor te krijgen en bovendien nog gratis corveewerk moesten verrichten. Nu krijgen die dorpsbewoners 170 euro per maand als zij bijvoorbeeld mee aan de spoorweglijn werken of aan een bebossingproject op een berghelling vlakbij. De bedoeling van de overheid is bebossen en de helling aan iemand geven voor latere bosbouw. Wie regelt? De dorpschef, de burgemeester van onze vroegere landelijke kleine gemeentes. Bij algemeen stemrecht verkozen voor een periode van vier jaar, is hij de “manager”, zoals hij het graag modernistisch uitdrukt. Manager van economische zaken voor het dorp, contact met de hogere instanties en bemiddelaar bij ruzie’s in het dorp. Er zijn bijeenkomsten voor dorpschefs op districtsniveau om ervaring uit te wisselen en overheidsinitiatieven te leren kennen, zoals opleidingsmogelijkheden voor landbouwers. Nog dit: 2 op 3 families hebben een kleine tractor en vier families hebben een vrachtwagen kunnen kopen. Paarden en moto’s zijn er niet. Een lagere school is op wandelafstand in een nabijgelegen dorp. En de jongeren op de middelbare school in het districtscentrum Tulun blijven er de gehele week. Op de vraag wat de dorpsmanager van plan was in de komende jaren kreeg ik als prompt antwoord: betere huizen bouwen met de opbrengst van een nieuw fabriekje. Een fabriekje? Ja, een Chinees uit Hongkong heeft in de omgeving een bedrijfje laten bouwen dat hooglandgierst in koekjes zal verwerken. Enkele mensen kunnen er gaan werken en het dorp kan de gerst aan een hogere prijs kwijt.

Eigen “spontaan” en “ongecontroleerd” bezoek, augustus 2005.

IMG_2000

de dorpschef

IMG_2001

in het dorpscafé, tevens winkeltje en vergaderzaal voor de dorpsraad

IMG_2002de vrouw van de dorpschef

De commentaren zijn gesloten.