10-11-08

onevenwichten in de economische ontwikkeling

Andrew Fisher is een Engelse economist, heeft indertijd in London gewerkt voor het TIN (TibetInfoNet, wat pro dalai lama is) en is momenteel gastprofessor in Nederland.  Zijn specialiteit: de mechanismen aan het licht brengen die minderheidsgroepen in een sociale gemeenschap structureel benadelen en kunnen leiden tot sociaaleconomische uitsluiting. Tijdens het internationaal seminarie voor tibetologen in Beijing in oktober 2008 bracht hij aan de hand van sommige economische indicatoren een stevig discussieonderwerp naar voor: "de massale Chinese staatsteun voor Tibet is niet productief, de Tibetaanse rurale bevolking heeft weinig uitzicht op de vruchten van de modernisering. Infrastructuur, administratie en stedelijke beroepen slorpen alles op." Zijn betoog was sterk, zeker nuttig voor een interessant debat in China over Tibet. Maar ongelukkig genoeg deed Andrew Fisher ook enkele politieke uitspraken, die de seminarieleden op een kwaad been zetten, zie verder. Eerst de gegevens.

"80% van het BNP van Tibet is investering, dat is het hoogste cijfer ter wereld. Dat komt door de grote infrastructuurprojecten en de uitgebreide administratie. Die beiden nemen te veel plaats in, investeringen in reële productieve sectoren zijn miniem. In de aanpalende provincie Qinghai creëert 1 yuan investering een BNP-resultaat van 1,5 yuan. In Tibet brengt 1 yuan investering ondermaats 0,8 yuan BNP voort. Dit is een zeer onefficiënte manier om Tibet economisch op een goed ontwikkelingspoor te plaatsen. En dit duurt al een hele tijd. Waarom? Het 'administratief' hoofd in Tibet weegt te zwaar. Neem de centrale subsidies weg en de Tibetaanse economie valt in elkaar. De mooie spoorweg zal natuurlijk blijven.

Tibet vertoont de grootste ongelijkheid in China tussen stad en platteland: 1 tot 5, en de laatste tien jaar is die kloof vergroot. Ook zelfs binnen de stedelijke bevolking is er voor de werkende bevolking een salarisverschil van 1 tot 4.

Het hoofdprobleem is echter dat de stedelijke centra weinig 'productieve activiteit' hebben, zij genereren zelf geen echte meerwaarde."

Tot daar de analyse.

De 'ongelukkige' of halfintentionele politieke uitspraken van Fisher: "De vroegere adellijke elite in Tibet is nu vervangen door het partijapparaat, dat evengoed als toen slechts 5% van de bevolking vertegenwoordigt en een groot deel van de centrale subsidies opslorpt " en "De sociaaleconomische discriminatie treft de Tibetanen en niet de Han inwijkelingen."  Dat zorgde voor heibel in het debat. De situatie met de vroegere grootgrondbezitters is niet vergelijkbaar. Het gaat hier niet meer om uitbuitingsverhoudingen, zelfs al is het waar dat het flink uitgebouwd overheidsapparaat in Tibet leeft op de kosten van de centrale staat. De reacties van de andere deelnemers aan het seminarie, Tibetanen en Han, was duidelijk: "De Westerse modellen van economische ontwikkeling zijn niet klakkeloos toepasbaar op Tibet. De Tibetaanse economie wordt beschouwd als een 'politieke' economie, een publieke aangelegenheid. De Chinese staat wil eerst en vooral de leefcondities van de Tibetaanse bevolking verbeteren, via de uitbouw van een netwerk van diensten, via de gezondheidszorg, de hygiëne, de cultuur, de sport, de veiligheid en de zorg voor de ecologie. Dat is meer dan de louter economische indicatoren. Bovendien is er het militaire aspect met Tibet als internationaal begeerde zone. Het geheel moet bekeken worden en op lange termijn. De staat probeert in Tibet de nodige infrastructuur uit te bouwen om het moderniseringsinitiatief kans te bieden, zonder de traditionele waarden van de Tibetaanse cultuur over boord te gooien. Daarbij wordt de bevolking betrokken, er zijn lokale volkscomités per stadsdeel in Lhasa, per werkeenheid of per handelscentrum."

Naar mijn kennis had Fisher gelijk in zijn uiteenzetting, waar hij het had over het "te weinig productieve investeringen" in Tibet. Om werkelijk op eigen kracht verder te ontwikkelen en minder afhankelijk te worden van de nationale subsidies zal een eigen lichte industrie een noodzaak worden.

Bijna alle consumptieartikelen komen van het binnenland in China. De vraag is: welke producten worden in voldoende aantallen door de Tibetanen gekocht, want eigenlijk zijn zij slechts een 'kleine' markt van 3 miljoen mensen. Het kunnen mixers zijn om boterthee te bereiden. Alle boeren die ik ontmoette hebben er al een. De vraag is dus: wat is nuttig voor de lokale consumptie, in voldoende aantal om er een productielijn voor te starten.

Jp desimpelaere

DSCN4028

technieken in de landbouw zijn nog zeer archaïsch

De commentaren zijn gesloten.