29-01-09

de verhouding "lama" tot "beschermheer"

De voorstanders van de onafhankelijkheid van Tibet voeren aan dat Tibet eigenlijk niet bij China ingelijfd werd in de 13e eeuw, maar dat er een bijzondere "relatie" ontstond tussen de Mongoolse heersers van het Chinese keizerrijk van toen en de Tibetaanse leiders: deze laatste werden de "spirituele meesters" van de keizers, in ruil voor "bescherming". "De territoriale integriteit van Tibet bleef en het werd nooit politiek onderworpen," aldus de huidige dalai lama en de voorstanders nu van onafhankelijkheid.

Tibetaanse annalen[1] van die periode spreken dit echter tegen. De Mongoolse legers waren vanaf 1206 actief in Tibet, nog voor sprake was van "bekering tot het boeddhisme". Zij kregen gebieden in handen van Centraal-Tibet tot West-Tibet. Het beroemde Reting klooster werd door hen vernield, naast nog enkele andere in Noord-Tibet. Zij lijfden Tibetanen in bij hun leger. De politieke integratie van Tibet in het Mongoolse Rijk gebeurde gedurende de eerste helft van de 13e eeuw. Tibet was toen erg versnipperd, lokale clanleiders en kloosterorden onderwierpen zich één na één aan de legers van Genghis Khan (1162-1227), van Godan of van andere Mongoolse prinsen. Deze waren toen nog geen boeddhisten, zij waren niet op "spirituele zoektocht" maar op militaire veldtocht. Pas in de tweede helft van de 13e eeuw namen de Mongolen het Tibetaanse boeddhisme over als één van de erkende staatsgodsdiensten (Nestorianen en moslims hadden ook hun plaatsje). In hun groot rijk kwam een hiërarchisch gestructureerde godsdienst beter van pas dan hun clananimisme van weleer. Een Tibetaanse "meester-lama" werd pas in 1260 "kardinaal" aan het hof van Kublai Khan (1216-1294) in Beijing. Dit lag aan de basis van wat men nu nog noemt de "verhouding lama tot beschermheer".

 

Een ander punt, dat meestal niet vermeld wordt door de voorstanders van onafhankelijkheid, is dat in diezelfde 13e eeuw de basis gelegd werd voor het  afzonderlijk politiek en militair bestuur van de huidige Chinese provincie Qinghai. Prins Godan kreeg het gebied van Kublai Khan als persoonlijk wingewest, waardoor het niet onder het gezag van Lhasa viel. Het was ook niet door Tibetanen bevolkt in die tijd, het waren de "Xia", die er woonden, maar die werden ongeveer uitgeroeid in 1227 door de Mongoolse troepen. De huidige voorstanders van de onafhankelijkheid van Tibet eisen "Groot Tibet" als gebied, met de volledige provincie Qinghai erin, zeggende dat die "altijd" tot het Tibetaanse rijk behoord heeft tot aan de machtsovername door het communistisch regime.



[1] aldus professor Soinam Benjor in het tijdschrift "China's Tibet", zomer 1992. Gelijkaardig verhaal bij Gyurme Dorje, "Tibet Handbook" (met voorwoord van de huidige dalai lama), Footprint Handbook, England, 1996. Zo ook bij Zheng Shan, "A History of Development of Tibet", Foreign Languages Press, Beijing, 2001. Zie ook R.A. Stein, "La Civilisation Tibétaine", L'Asiathèque, rééd. 1996, pages 42-46, waar blijkt dat de "Mongoolse connectie" nog ingewikkelder was dan hierboven geschetst. Stein schuift de "uiteindelijke bekering tot het boeddhisme" van de Mongolen naar een veel latere periode, naar einde 16e eeuw.

De commentaren zijn gesloten.