03-08-11

Familieafstammelingen van de 13e dalai lama in Lhasa

 

Thubten Gyatso, de 13e dalai lama (1876-1933), was drie jaar oud toen hij aangeduid werd als reïncarnatie van de vorige dalai lama en op de troon in Lhasa geplaatst werd.

 

De 13e dalai lama zou, net als de 5e dalai lama (1617-1682), een grote invloed hebben op de politieke ontwikkeling van Tibet. Alle andere ‘nummers’ van dalai lama’s hadden dat niet. Het was de 13e dalai lama, die, met de steun van Engeland, Tibet onttrok aan de controle van Beijing gedurende 20 à 30 jaar in de eerste helft van de 20e eeuw.

 

 

 

De 13e dalai lama was geboren in het dorp Langdun, iets ten oosten van Lhasa. Zoals gebruikelijk bij het vinden van een nieuwe dalai lama werd zijn volledige familie naar Lhasa overgebracht en kreeg er de adelstand en het bezit van landbouwnederzettingen verspreid over Tibet. Het waren er vijftien, met iets meer dan duizend boeren eraan verbonden. Algemeen in Tibet waren alle landbouwgronden in die tijd eigendom van een 200-tal adellijke families en van de kloosters, waarvan de hoogste lama’s tot diezelfde families behoorden. De helft tot drie vierde van die gronden diende rechtstreeks voor de bevoorrading van de adel en de kloosters.[1] Daar moesten de boeren bij voorrang en gratis op werken. De rest van de velden diende voor het zelfonderhoud van de boeren. Het spreekt vanzelf dat de elite een rijk uitgerust kon leven, naar de normen van die tijd: zijden Chinese kledij, exotische sieraden, een grote villa met knechten en Engelse importproducten. Zo viel het de familie van de 13e dalai lama te beurt.[2]

 

 

 

Van de regentes in Beijing, half-keizerin Cixi, kreeg de familie zoiets als een ‘hertog’ titel, ‘hertog van Langdun’. Beijing was toen nog mee in het spel. De naam ‘Langdun’ bleef dan figureren in de familienaam van de leden. Langdun Kunga Wanchuk (1907-1981) was een neef van de 13e dalai lama en vanaf zijn 21 jaar (in 1928) werd hij door hem benoemd als ‘nummer twee’ in Tibet, een soort eerste minister of eerste secretaris rechtstreeks onder de dalai lama. Een foto van hem, prima uitgedost in zijden kledij, is te vinden in de archieven in Lhasa.[3] Het zijn de afstammelingen van deze Langdun Kunga Wanchuk die nu nog in Lhasa wonen.

 

 

 

Normaal had hij na de dood van de 13e dalai lama in 1933 het regentschap van Tibet moeten waarnemen, maar de toenmalige leiders en invloedrijke families van Tibet oordeelden dat hij te jong, te onervaren en geen sterke figuur was. Voor de post was er een concurrentiestrijd aan de gang tussen enkele belangrijke families, met complotten, arrestaties en enkele moorden. Langdun Kunga Wanchuk werd in elk geval uitgesloten. Uiteindelijk werd de ‘lottrekking uit de urne’ gekozen om de regent aan te duiden, een methode opgelegd door Beijing sinds de 18e eeuw, precies om bloedige concurrentie te vermijden. De regent werd de abt van het Reting klooster.[4] Een tijdlang was Langdun Kunga Wanchuk medebestuurder van Tibet samen met de Reting rinpoche, maar deze laatste verwijderde hem van de post in 1938 om alleen te heersen.[5]

 

 

 

Zoals bijna de volledige Tibetaanse elite was de Langdun familie akkoord met het herstel van de Chinese soevereiniteit over Tibet in 1951, toen het Rode Leger Lhasa bereikte. Een leeg pand van hun villa’s stelden ze ter beschikking van de legerleiding. Communicatie met de officieren verliep via zijn drie kinderen, die Engels gestudeerd hadden in India. Ook dat was een kenmerk van de Tibetaanse elite van toen: de kinderen kregen een ‘Engelse’ opleiding in India.

 

 

 

‘Typische collaborateurs’, zeggen de aanhangers van de 14e dalai lama. In elk geval, de familie Langdun, familie van de 13e dalai lama, schaarde zich niet aan de zijde van de Tibetaanse opstandelingen in 1959 en zij bleven in Tibet, zij gingen niet vluchten naar India, na de mislukte opstand. Met de landhervorming in 1959 verloren zij hun gronden, hun boeren en hun knechten, maar zij kregen wel bestuursposten. De oudste dochter van Langdun Kunga Wanchuk werd vicedirectrice van de traditionele Tibetaanse Opera. Zijn oudste zoon werd vicedirecteur van de Tibetaanse TV. Hijzelf werd lid van de regionale Consultatieve Conferentie en publiceerde werken over de traditionele Tibetaanse geneeskunde.

 

      

 



[1] M. Goldstein, « A History of Modern Tibet, 1913-1951, University of California Press, 1989.

[2] Charles Bell, « Portrait of a dalai lama », Collins, London, 1946.

[3] En.tibetmagazine.net

[4] Goldstein, idem.

[5] Goldstein, idem.

 

18:40 Gepost door infortibet in geschiedenis 20e eeuw | Permalink | Commentaren (0) | Tags: tibet, dalai lama, china

De commentaren zijn gesloten.