05-02-08

Het “Schaduwcircus: de CIA in Tibet”, een documentaire herbekeken

De film dateert van 1998 (niet zo oud) en werd gerealiseerd door de Tibetaanse Ritu Sarin en haar echtgenoot (beiden in het buitenland). Hij werd ondermeer getoond op BBC en op de Duitse televisie. Hij kreeg een festivalprijs in de USA. Gepensioneerde CIA officieren, Tibetaanse ex-rebellen en de huidige dalai lama (verder: 14e dl) komen aan het woord. Het herbekijken waard om te vergelijken bvb met het recentere boek "The CIA's secret war in Tibet" (2002) van Kenneth Conboy en James Morrison (Modern War Studies, University of Kansas).

Enkele elementen uit de film:

* Alles begon met de landhervorming in 1956 in de Tibetaanse gebieden in de provincie Sichuan. De lokale elite nam het niet. (noot: in Tibet zelf was overeengekomen om het grootgrondbezit niet af te schaffen zonder instemming van de 14e dl, maar de Tibetaanse bevolking in Sichuan viel niet onder die regel. De grootgrondbezitters onder hen werden in 1956 onteigend en gingen op de vlucht of in het verzet. Terwijl het Chinese bestuur de elite van Lhasa aan hun kant probeerde te krijgen, joegen ze die in Sichuan tegen hen in het harnas. Een historische fout, zou blijken).

* Een interview met Atha Norbu, ex-rebel. Werd gerecruteerd voor rekening van de CIA door de broer van de 14e dl. Hij is de enige overlevende van de eerste groep rebellen die een training kregen op het eiland Saipan. Ook de eerste geparachuteerde, toen nog in de omgeving van Lhasa.

* ex-CIA-ers aan het woord: Ken Knaus, Roger MacCarthey (leidde Saipan en de "Tibetan Task Force" in het algemeen), Frank Holober, Bruce Walker (die zei dat de Tibetaanse bannelingen de USA vroegen Tibet binnen te vallen, zoals in Korea).

* de rebellen hadden in 1958 een basis in Zuid-Tibet. Zij zullen de vlucht van de 14e dl organiseren. De vlucht was gepland door de kamermeester van de 14e dl samen met de CIA. Gedurende één week wist de CIA precies waar de 14e dl was, via radiocontact. Bij zijn aankomst in India stond een massa mensen hem op te wachten. Hij zag er prima uit op de archiefbeelden (de filmploeg was onderweg al aanwezig).

* De USA bracht 259 Tibetaanse rebellen over naar een kamp in Colorado (USA) voor guerrillatraining. Interviews met Tenzin Tsultrim (momenteel nog parlementslid van de regering van de 14e dl) en Thinley Phaljor. In '59-'61 werden groepjes rebellen boven Tibet of aanpalende gebieden geparachuteerd, naast talrijke wapendroppings. Onder hen een monnik, Bapa Legshay. Zij hadden cyanide capsules bij zich om zich niet levend gevangen te laten nemen. Dechen, een andere geparachuteerde: "Wij konden niet op tegen de Chinezen."  Wat betekent dat zij geen hulp van de bevolking kregen. Begin 1961 was de laatste parachutering. Onder hen Bhusang. Zij werden vrij snel omsingeld door het Chinese leger. Hij kreeg zijn cyanide capsule niet op tijd naar binnen en spuugde ze uit toen hij tegen de grond gekwakt werd. Zijn companen hadden de capsule wel naar binnengewerkt. Hijzelf zat 20 jaar in de gevangenis in Tibet, daarna week hij uit naar India.

* De CIA startte in 1961 een nieuwe operatie, in Mustang, waar ze 2000 Tibetanen verzamelden  en bewapenden onder leiding van de monnik Baba Yeshi. Bedoeling was de vrachtwagencolonnes op de weg van Lhasa naar Xinjiang te bestoken. Interviews met Acho, Lhamo Tsering (minister van veiligheid in de regering van de 14e dl van 1993 tot 1996), Tendar (die een raid op een vrachtwagen filmde).

* 1969: gedaan met militaire steun. Het wapentuig in Mustang werd zelfs sinds 1965 niet meer vernieuwd of uitgebreid. De ontgoocheling was groot bij de strijders van Mustang, enkelen pleegden zelfmoord. De USA: "geef ze nog enkele jaren wat geld." Het grootste deel werd overgebracht naar een kamp in Nepal, waar ze, buiten wat tapijten weven, weinig te doen kregen. Een deel leeft er nu nog.

* De gepensioneerde CIA-ers: "Wij faalden, zelfs al was het de beste USA-interventie in die tijd."

* De 14e dl, in een interview met de filmmakers, op een vraag over "geweld": "Als het doel goed is kan de methode om het te bereiken gewelddadig zijn. De enige vraag is: is het wel praktisch? Aan de vrijheidsstrijders heb ik in 1970 gezegd: verzaak aan geweld, jullie zijn niet genoeg in aantal tegenover de Chinezen."

 "The Shadow Circus: the CIA in Tibet"

Ritu Sarin & Tenzing Sonam, a White Crane Films Production for BBC, 1998. Is ook op DVD beschikbaar.

 

15:41 Gepost door infortibet in geschiedenis 20e eeuw | Permalink | Commentaren (0) | Tags: tibet, rebellen, cia, dalai lama, china, usa, geweld

04-02-08

ontbossing op de randen van het hoogplateau

«In een nog niet zo ver verleden moet de streek hier flink bebost geweest zijn. Maar de inboorlingen hakken er lustig op los. Vele berghellingen zijn totaal kaalgekapt en eroderen. Valleien worden bedreigd door grote aardverschuivingen. De naar beneden donderende bergrivieren hollen de nu onbegroeide bergflanken verder uit en verhogen nog de ravage.»

valleien

Deze enkele zinnen komen als het ware recht uit een pamflet dat de door de Chinezen aangerichte ecologische ramp in Tibet aanklaagt. Eén woord is anders: "inboorlingen". Vervang het door "Chinezen".

Maar het citaat dateert van 1921 en het komt uit een boek van de befaamde etnologe A. David-Neel. Zij heeft het hier over een gebied in de provincie Gansu (noordoosten van het hoogplateau), waar Tibetanen wonen. En de "inboorlingen" zijn Tibetanen. Waarom vellen zij de bomen? Voor eigen gebruik en om er houtskool van te maken, dat ze als brandstof verkopen aan de Hui-moslims en aan de Han-Chinezen, in de lagere landbouwgebieden. Waarom houtskool? Omdat het vervoer van boomstammen via de onstuimige bergrivieren niet mogelijk is. David-Neel: "Van de enorme sparren die worden omgehakt om er houtskool van te maken wordt de helft ter plaatse verspild door onhandige methodes".

Het noorden en het noordoosten van het hoogplateau noemen de Tibetanen "Amdo". Daarover zegt David-Neel: "Amdo wordt beschouwd als een Tibetaanse provincie hoewel het niet onder de regering van de dalai lama valt. De Chinese overheid heeft er een vage controle over, int enkele belastingen, maar komt enkel uitzonderlijk tussen in de lokale zaken. In normale omstandigheden is dit gebied bestuurd door lokale leiders, zonder onderlinge band." In het begin van de 20e eeuw waren deze lokale leiders Hui of Han. Verder doet David-Neel niet aan historische analyse, zij beschrijft in haar werken grandioos een momentopname van enkele tientallen jaren.

Hieronder nog een uittreksel dat de situatie van toen goed weergeeft:

 

"In Lanzhou was er een provinciegouverneur. Theoretisch had hij gezag over de gehele provincie Gansu. Maar in het zuiden van de provincie regeerde een andere generaal, die zelfs een eigen munt geslagen had. In theorie was ook generaal Ma van Xining ondergeschikt aan de gouverneur van Lanzhou. Maar Ma voelde dit zo niet aan. Generaals hadden elk een klein leger, en een eigen belastingkas, en hielden regelmatig razzia's buiten hun eigen domein. Zo was het toen in geheel China."

Generaal Ma kwam tussenbeide in een machtsstrubbeling in het beroemde Labrang klooster in Gansu. Tseundup, de intendant van de oude abt van het klooster, had ongeveer alle macht naar zich toegetrokken en was er ook flink rijk door geworden, "iets wat dikwijls gebeurt in Tibet," voegt DN eraan toe. Bovendien onderhield Tseundup een amoureuze relatie met de jongere zuster van de abt, voor wie hij een huis liet bouwen dat tegen het klooster aanleunde. De abt liet oogluikend toe. Maar toen deze stierf brak een opstand uit onder de monniken. Zij ontheven Tseundup uit zijn functie, onteigenden hem en waren van plan om hem te vermoorden. Tseundup kon op het laatste nippertje ontsnappen, met paarden die zijn Chinese handelspartners te zijner beschikking stelden. Hij vluchtte naar Xining en zocht de hulp van generaal Ma op. Die moet de kans schoon gezien hebben om zijn gebied wat uit te breiden. Hij liet eerst zowat alle inwoners van het dorp Labrang ombrengen en viel daarna het klooster aan. Als straf werd het paleis van een hoge lama in brand gestoken en de tempels geplunderd. Tseundup herwon zijn sociale rang en zijn rijkdom, wat hem het meest bekommerde. Hij verzaakte zelf aan zijn vroegere positie als intendant.

 

Het China van begin 20e eeuw was enorm verscheurd. De laatste keizerlijke dynastie was gevallen, de nieuwe republiek versplinterde in lokale potentaten van krijgsheren. Dat is de situatie die David-Neel meemaakt en beschrijft. Een lezer die dit extrapoleert naar alle vroegere Chinese bestuursmethodes heeft het verkeerd voor.

 

David-Neel, « Au pays des brigands gentilhommes », reisverhaal van 1921, Ed. Plon pocket, pag 27, 37, 65 e.v.

  

14-01-08

Tibetaanse en internationale reacties bij de communistische machtsovername in 1951

 

Geen enkel land ter wereld had in de laatste twee eeuwen Tibet als een onafhankelijk land erkend, Tibet bleef beschouwd als minstens een vazalstaat van China. De communistische machtsovername in 1951 zou daarin geen verandering brengen. De grote zuiderbuur India, zelf onafhankelijk geworden in 1947, gaf bij monde van eerste minister Nehru te kennen dat de Tibetaanse aristocratie maar beter het gezag van Beijing zou erkennen. India beschouwde de kwestie Tibet als een Chinese binnenlandse aangelegenheid en wou ze niet internationaliseren. Engeland, dat nochtans veertig jaar lang een bevoorrechte positie in Tibet had, volgde de Indiase stelling op de voet. Bleef nog één grote internationale speler, de USA. Voor de Tweede Wereldoorlog beschouwden zij Tibet als deel van China en remden toen zelfs Engeland in zijn avances in Tibet. Maar na het einde van de oorlog wensten de USA dat Tibet een religieus bolwerk zou worden tegen het voortschrijdende communisme in Azië (Siberië, Mongolië, China, Korea, Indochina). Zij stonden daarmee echter geïsoleerd, er was geen gemeenschappelijke internationale coalitie mogelijk zoals in Korea het geval was. Daardoor opteerden de USA voor een beperkte strategie: de 14e dalai lama overtuigen om in ballingschap te gaan en clandestien wapens bezorgen aan eventuele Tibetaanse opstandelingen.

De Tibetaanse geestelijke leiders en de aristocratie waren verdeeld over de kwestie. Een deel was voor onderhandelingen met het nieuwe Chinese bewind, een groot deel twijfelde en een minderheid ging in 1951 meteen in ballingschap. Onder deze laatste de familie van de 14e dalai lama en hun fortuin. Twee broers van de 14e dalai lama werden meteen belangrijke verbindingspersonen met de USA, hun enige hoop op steun. De meerderheid van de Tibetaanse elite, inclusief hun Uitgebreide Algemene Vergadering, aanvaardde in 1951 het met China onderhandelde akkoord over "vreedzame bevrijding". Waarmee hun twijfels nog niet weggenomen waren. "Vroeg of laat verliezen wij onze bevoorrechte positie," moeten zij gedacht hebben. Maar zij vonden dat de enigen die hun hulp beloofden er te weinig boden. De schatbewaarder van Tibet, tsipon Shakabpa, was, nog voor de aankomst van het Rode Leger, de belangrijkste gezant van de Tibetaanse overheid om met de USA te onderhandelen. Hij vroeg wat de Amerikanen zouden doen als het vredesoverleg met China mislukte, op welke steun Tibet bij de UNO kon rekenen, of de USA bereid waren om de 14e dalai lama met 100 personen van zijn entourage asiel te bieden en of zij dit wilden bekostigen, of de USA bereid waren wapens en geld ter beschikking te stellen voor een opstand, of de USA de oudere broer van de dalai lama, Taktser Rinpoche, onmiddellijk bij hen in ballingschap wilden toelaten.[1] De USA antwoordden dat zij in de UNO niet het initiatief zouden nemen, dat geld voor ballingschap maar moest komen van de familieschat van de 14e dalai lama, dat de plaats van ballingschap beter dichtbij Tibet zou zijn en niet in de USA, dat de USA bereid waren om lichte wapens te leveren op voorwaarde dat India ze via zijn grondgebied zou laten passeren en dat er Tibetanen werkelijk in het verzet zouden gaan. Taktser daarentegen mocht onmiddellijk naar de USA komen. Men kan begrijpen dat de Tibetaanse elite hier weinig perspectief in zag: geen steun voor onafhankelijkheid, geen grote militaire interventie zoals in Korea, enkel uitzicht op een levenslange ballingschap. Tot daar enkele omstandigheden waarin de "vreedzame bevrijding" tot stand kwam.

Een pikant detail uit het "17 punten programma voor vreedzame bevrijding van Tibet". In punt 7 had de Chinese overheid gesteld dat "er niet zou geraakt worden aan de wortels van de Tibetaanse godsdienst". De Tibetaanse delegatie wilde het woord "wortels" vervangen door "inkomen". In de uiteindelijke tekst werd één zin toegevoegd: "Er zal niet geraakt worden aan het inkomen van de kloosters en de tempels".[2]



[1] Zie correspondenties tussen Tibetaanse instanties, USA, Engeland, India en China, nauwkeurig van dag tot dag geciteerd in "A History of Modern Tibet", Volume 2, pag 104, 124,126, 145, MC Goldstein, University of California Press, 2007.

[2] Ibidem, pag 102.

litang10 (22)

hij overleefde het allemaal

07-03-07

waren de manchu's lamavriendelijk?

Naar het einde toe van de Manchu (Qing) periode, in het begin van de 20e eeuw, werden de meeste belangrijkste lamaïstische kloosters in Sichuan en West-Tibet vernield. De “Tibet support” groepen noemen de Manchu’s steevast de niet-Chinese dynastie, die samen met de Mongoolse dynastie veel respect opbrachten voor het lamaïsme en als het ware hun spirituele ondergeschikten waren. Dit doen ze met de bedoeling om de indruk te versterken dat Tibet pas in 1951 bij China ingelijfd werd door de goddeloze communisten. Toch zijn het de Manchu’s die de politieke macht van het lamaïsme zijn beginnen inperken. Zij voelden zelf reeds de frisse adem van de republikeinse gedachte op zich afkomen. In een poging om geheel China iets te moderniseren botsten zij ook op de feodale Tibetaanse lokale heersers, vooral de kloosterelite. Generaal Zhao Erfang ging er flink tegenaan in Sichuan. Hij verplichtte de kloosters een deel van hun monniken “te laten gaan”, legde een laag maximum quorum op, stelde een stop in op novicen, schafte de taksen af die de boeren aan da kloosters moesten betalen en verving die door een kleine dotatie. Opstandige kloosters – en die waren er uiteraard – werden gewapenderhand ingenomen en grondig vernield. Zo verging het de grote kloosters in de steden Batang, Qamdo, Litang, Deqen en Drayab in de periode vanaf 1905 tot 1912. De decennia erna werden geen periode van bloei, de streek bleef geteisterd door rivaliserende krijgsheren. Veel werd er niet heropgebouwd. Nu zeggen dat die kloosters met de grond gelijk gemaakt werden tijdens de Culturele Revolutie is de slachtoffers van de eerste wereldoorlog bij de tweede telllen.

Wissing, Shelton pionier in Tibet.

 

qamdo

in het grotendeels heropgebouwd klooster van Qamdo

qamdo intérieur

binnen                                

20:02 Gepost door infortibet in geschiedenis 20e eeuw | Permalink | Commentaren (0) | Tags: tibet, manchu, kloosters, china, qing

30-12-06

Le 13e dalaï-lama: assassiné?

On entend souvent dire que le 13e dalaï-lama (le précédant) (1876-1933) était un bon. Que c’est sous son règne que le Tibet était indépendant, qu’il voulait réformer le vieux système « féodal » et que malheureusement il a été assassiné par des conservateurs, avant de pouvoir mettre pleinement en place les réformes démocratiques. Quelques remarques :   * « l'assassinat du 13e dalaï-lama » : cette thèse a été avancée par un des cinq candidats à la régence pour assurer l'interrègne après la mort du 13e.  Il s'appelait Tsipön Lungshar. Il était grand propriétaire de manoirs - comme toute personne appartenant à l'élite dirigeante - ainsi que médecin, excellent musicien et un des principaux conseillers du 13e dalaï-lama. Sa famille descendait en ligne directe de l'entourage du grand 5e dalaï-lama. Il fut un des seuls Tibétains à voyager en Europe à cette époque : en 1913, à la recherche d'aide (anglaise, allemande ou française) pour l'armée Tibétaine, dont il était le commandant général. Le 13e dalaï-lama lui avait confié cette mission. Il était un des partisans de l'indépendance du Tibet, comme la majorité de l'élite laïque à cette époque, tandis qu'une grande partie de hauts lamas était traditionnellement plus orientée vers la Chine, constat fait à plusieurs reprises par les officiers anglais présents au Tibet. Cette tournée en Europe de Lungshar n'a rien rapporté de plus que ce qui existait déjà : l'aide anglaise continuerait, bien que les anglais étaient un peu fâchés parce que Lungshar avait essayé d'approcher également les allemands et les français, à la veille de la première guerre mondiale ! Bref, tout ceci pour situer un peu Lungshar, qui voulait devenir régent après la mort du 13e dalaï-lama. Son concurrent principal était Kumbela, le servant favori du 13e dalaï-lama. Kumbela était l'homme le plus puissant dans l'entourage immédiat du 13e dalaï-lama. Toute communication passait par lui. Il commandait les troupes d'élite directes du 13e dalaï-lama, qui venait avec intérêt assister aux exercices avec les premières mitraillettes fournies par les anglais. Kumbela circulait à Lhasa dans la seule voiture existante : une Austin anglaise. Lungshar a inventé une double intrigue pour évincer Kumbela. Inventé ? C'est ce qui apparaît dans sa biographie (notée par son fils Lhalu et par Surkhang, officier Tibétain - 1968, univ. de washington). Un: il lança la rumeur que Kumbela n'a pas administré les bons médicaments au bon moment au 13e dalaï-lama. Il était connu que le 13e dalaï-lama souffrait d'une sorte de pneumonie chronique.   Deux: des membres de son organisation clandestine républicaine  incitaient les officiers des troupes d'élite à se mutiner, ce qui réussît, car Kumbela avait enrôlé contre leur gré des membres de familles riches comme soldats (ils préféraient la belle vie). L'intrigue atteignait son but : Kumbela fut puni publiquement, la cangue au cou, à Lhasa, puis exilé et forcé à devenir un serf dans un manoir. Et puis "l'organisation républicaine secrète" de Lungshar fut la raison pourquoi Lungshar à son tour tomba dans la course à la succession. Lungshar sympathisait avec l'idée d'une république plus moderne, à la française, pour le Tibet. Ces idées lui venaient de son séjour en Europe. Il réunissait en secret un "parti politique réformateur" qui procéderait par étapes pour arriver à un début de parlementarisme au Tibet, sans brusquer et en laissant la place de dirigeants spirituels aux grands lamas. On pourrait dire qu'il élabora avant la lettre le programme politique de l'actuel dalaï-lama. Entre-temps le régent avait été choisi par tirage au sort dans l'urne sacrée (pratique mise en route en 1793 par l'empereur Manchu Qianlong) mettant le Reting Rimpoche au poste. Le groupe réformateur de Lungshar avait rédigé une pétition exigeant quelques premières réformes modernes et voulait la soumettre en groupe au Reting. C'est alors que le scandale a éclaté et l'activité secrète fustigée. La majorité des fonctionnaires laïques et monacales se tournait contre Lungshar. Il fut accusé de conspiration et de bolchevisme. Pour le condamner le Kashag (assemblée des seigneurs et des grands lamas) se basait sur le testament du 13e dalaï-lama qui avait mis en garde, je cite : "contre le danger de l'idéologie rouge, qui était parvenue à s'emparer de la Mongolie" (l'urss) "et que des réformateurs d'en dehors ou de l'intérieur tenteront de changer notre système d'union des pouvoirs spirituels et temporels" et encore "notre stabilité politique dépend de notre dévotion, de notre habileté à utiliser la diplomatie et la force militaire, une simple erreur peut nous être fatale". Lungshar a été condamné : on lui a pressé les globes oculaires hors de la tête, pour les enlever par la suite. C'était la plus lourde peine après la peine de mort.  Voilà les circonstances de la mort du 13e dalaï-lama à 57 ans. Le 10e, 11e et 12e dalaï-lama ont eux bel et bien été assassinés avant d'atteindre leurs 20 ans. Derrière la mort du 13e dalaï-lama, je ne vois vraiment pas la main de la Chine, comme certains suggèrent. 

* Concernant "le 13e dalaï-lama était en train de tout réformer", je me demande à quoi on fait allusion ? Le 13e dalaï-lama n'a rien changé au système social de servage auquel la majorité de la population était soumise, ni aux institutions tenues par l'élite. Le 13e dalaï-lama n'était pas un tout doux. Il a fait arrêter en 1895 le régent Demo Rimpoche qui régnait pendant sa jeunesse. Accusation : tentative d'assassinat (de lui). Le régent fut jeté en prison et y mourra quelques jours après. Le 13e dalaï-lama a fait raser le célèbre monastère Tengyeling et fait massacrer ses moines en 1913, parce qu'ils étaient trop prochinois. De même avec le monastère Drepung à Lhasa, un des trois principaux du bouddhisme Tibétain : il a envoyé l'armée l'encercler pendant quelques semaines pour exiger de lui livrer une soixantaine de haut lamas prochinois. Ces lamas ont été réduits au rang de mendiants.  La seule réforme qu'on peut imaginer est le fait qu'il s'ouvrait tout doucement à l'influence et à la présence anglaise (après l'invasion en 1904). Les moeurs des riches changeaient : petits produits de luxe européens (A. David-Neel constatait le plein de babioles européennes au marché de Lhasa), coupe de cheveux à l'anglaise, montres de marque, uniformes anglaises, tennis, polo. Le commerce extérieur (laine, peaux) était entièrement contrôlé par les anglais, sans droit de taxes pour les Tibétains, LIBRE. Est-ce cette liberté que les défenseurs de l’indépendance du Tibet visent? Les anglais vendaient des armes et mettaient des instructeurs à disposition. La période du 13e dalaï-lama fut grandement dominée par une tutelle inégale et illégale anglaise. Tout cela parce que lui et son élite avaient peur de perdre leur position privilégiée à l'intérieur du Tibet face à la montée des idées républicaines en Chine en général. D'ailleurs dans les années '20 il commençait à voir le pouvoir grandissant de l'armée Tibétaine comme un danger, trop téléguidée par les anglais et qui devenant une force trop indépendante. L'élite craignait de nouveau de perdre ses privilèges, cette fois-ci pas à cause des républicains en Chine mais à cause des anglais. Des officiers Tibétains de haut rang furent démis ou décapités (leur tête exposée au marché de Lhasa). L'enjeu était : la continuation du système politique et social au Tibet. Les dangers à leurs yeux: la semi-colonisation anglaise ou le vent rénovateur républicain en Chine. Pas la Chine telle quelle, car pendant le règne des Manchus le Tibet était clairement une province de la Chine, mais ce qui comptait avant tout c’est que leur petite caste dirigeante au Tibet pouvait garder son statut social privilégié.