24-02-12

Geboortepolitiek China

In de provincie Qinghai besliste de lokale overheid om voortaan niet-stedelijke gezinnen, die verzaken aan een derde kind, te belonen. Een premie van 150 tot 700 euro, naargelang het inkomen van het gezin. Tot nu was er geen geboortebeperking voor de landelijke bevolking in Qinghai, gezien die voor het overgrote deel uit ‘etnische minderheden’ bestaat (Tibetanen, Hui, Mongolen en nog enkele anderen). Er was wel een promotiecampagne om het aantal kinderen te beperken tot drie. Nu komt er een kleine financiële stimulans om ook het ‘derde kind’ te vergeten.

Voor de Han Chinezen in de provincie Qinghai geldt de nationale regel van ‘één kind per gezin’. Daarbij zijn er financiële boetes voor de gezinnen, die dit niet volgen.

 

Naast de nieuwe premie voor ‘onthouders’ trekt de lokale overheid ongeveer 30 miljoen euro uit in 2012 om de ziekteverzekering en het pensioen te subsidiëren van gezinnen, die deelnemen aan de vrijwillige geboortebeperking.

18:25 Gepost door infortibet in demografie | Permalink | Commentaren (0) | Tags: china, qinghai, han, tibetanen

07-02-12

De massale inwijking van Han Chinezen in Tibet: al lang aan de gang?

 

In september 1987 verklaart de dalai lama tijdens een hoorzitting van het Amerikaans Congres: “7,5 miljoen Chinese kolonisten hebben zich ondertussen al in Tibet gevestigd, dat is meer dan het aantal Tibetanen. Zij moeten vertrekken.”[1] Een cijfer dat hij herhaalt in 1999 voor de Duitse televisie[2].

En in juni 1988 vermeldt hij het thema in het Europees parlement: “de Chinese overheid moedigt massale transfert van bevolking aan naar Tibet. Nu reeds zijn de 6 miljoen Tibetanen in de minderheid.”[3].

Nochtans, in 2003, publiceert het bureau van de dalai lama in New York een commentaarartikel op de Chinese uitgebreide volkstelling van 2000, waarbij ze de resultaten van die volkstelling niet aanvechten. De telling toonde dat de Autonome Regio Tibet voor 97,6% bevolkt is door Tibetanen. De enige lichte kritiek op de telling: “de bevolking werd in november geteld, dan zijn er veel minder Han aanwezig dan in de zomer.”[4]

Aan een Duitse journalist vertelt de dalai lama in 2007: “autonomie betekent voor mij ook dat de Tibetanen in de meerderheid moeten zijn. Het tegendeel kunnen we niet aanvaarden. Bij mijn eerste bezoek aan Letland, zei een lokale politicus me dat alle Russen die Lets spreken en die de Letse cultuur respecteren mogen blijven, in zoverre ze niet met teveel zijn. Anders moeten ze Letland verlaten. Dat geldt ook voor Tibet. Alle Chinezen, die Tibetaans spreken en de Tibetaanse cultuur respecteren, mogen blijven, in zoverre ze niet met te veel zijn. Alle Chinezen, die denken dat de Tibetanen stinken moeten ons land verlaten.”[5] De dalai lama heeft het hier wel over ‘Groot-Tibet’, dat naast de Autonome Regio Tibet een aantal van oudsher gemengde streken omvat.[6] 

In een interview met ‘Le Nouvel Observateur’[7] in 2008 zegt hij dit:

“In Lhasa wonen ongeveer 100.000 Tibetanen, terwijl het aantal Chinezen meer dan dubbel zoveel is. Lhasa is onherkenbaar geworden. In andere streken zijn er overal gloednieuwe ‘Chinatowns’. De Tibetanen zijn dus een minderheid geworden.”

Dit zijn slechts enkele citaten van de dalai lama. Bijna tijdens elke publieke verschijning in Europa heeft hij hetzelfde thema herhaald, sinds 1987.

Het thema “de Tibetanen zijn in de minderheid in eigen streek” werd voor het eerst naar voor gebracht in 1987, door J.F. Avedon, een Amerikaanse journalist. Hij had al lang contact met de Tibetanen, die in de jaren 1950 Tibet ontvlucht waren. In 1973 verbleef hij bij de Tibetaanse rebellen in Nepal[8] en hij organiseerde de eerste reis van de dalai lama naar de VS, in 1979.

In 1987 was hij de opsteller van een ‘studiewerk’, dat diende voor een hoorzitting van de Amerikaanse beleidmakers. Naast andere aanklachten tegen China stond daar ook in dat China Tibet overspoelde met een massale instroom van Han Chinezen. “Twee miljoen,” volgens zijn bevindingen. Daarbij had hij het over de huidige Autonome Regio Tibet, zelfs niet over ‘Groot Tibet’[9].

Voor ‘Groot Tibet’ vermeldt Avedon “7,5 miljoen Han, tegenover 6 miljoen Tibetanen”.[11]

De dalai lama nam dit cijfer over in zijn toespraak voor het Amerikaans Congres in september 1987. Het was de eerste maal dat hij het thema aanhaalde. In zijn traditionele jaarrede[12] kwam het ook pas in 1988 voor het eerst als aanklacht voor.

Eén week na ontvangst die de dalai lama te beurt viel in het Amerikaans Congres in 1987 braken er rellen uit in Lhasa. Avedon was ter plaatse.[13] Toen was Tibet ‘open’ voor eender wie, er was geen speciale vergunning nodig. Men – de schrijver incluis – kon er predikers van alle soorten zien, het ‘hippe’ Kathmandu van toen verplaatste zich naar Lhasa. Na de onlusten stelde China twee jaar lang de krijgswet in. Avedon vond in de VS zijn vriend Ackerly terug en het International Campaign for Tibet (ICT) werd er opgericht in 1988. ICT groeide uit tot het belangrijkste communicatie-orgaan voor alle Amerikaanse en Europese steuncomités voor de onafhankelijkheid van Tibet.[14]

Dit is de context waarbinnen de beschuldiging van ‘China overrompelt Tibet met een instroom van Han Chinezen’ naar voren kwam.

Meer dan twintig jaar lang, tot op heden, ging dit thema de wereld rond, via de honderden ‘Tibet support comités’. [15]In Europa is het een ‘waarheid’ geworden. En indien er in 1987 al 7,5 miljoen Han in ‘Groot-Tibet’ waren, dan moet het nu nog veel erger zijn? In 2008 zei de dalai lama voor de Franse senaat dat hij “weet had van een Chinees plan om na de Olympische Spelen nog één miljoen extra Chinezen naar Tibet te brengen.”[16]

“Een demografische genocide,” noemde hij het.

Echter, door het toenemende Westers toerisme naar Tibet, komen er genuanceerdere verhalen. Ook enkele wetenschappers gingen analytisch ter plaatse kijken.

Het verhaal van Avedon over een Han invasie in Tibet zelf en in de randgebieden van het hoogplateau is onwaarschijnlijk.

Alleen al het feit dat de totale bevolking van Tibet in 1987 slechts 2,2 miljoen bedroeg maakt dit cijfer van “2 miljoen Han Chinezen” ongeloofwaardig. Voor Lhasa vermeldde Avedon “150.000 Chinezen tegen 50.000 Tibetanen”.

150.000 Chinezen in Lhasa, dat is nog geen 2 miljoen. De andere steden van Tibet zijn niet talrijk en zijn veel kleiner: Nagqu, Chamdo, Nyingchi, Xigaze, Gyangze, Zedang, Xegar. Dat zijn er nog zeven. Indien we Avedon volgen kunnen daar samen misschien nog eens 100.000 à 200.000 Chinezen wonen. Daarmee komen we niet aan zijn ‘twee miljoen’. Klopt dat cijfer dan wel? Want dan zouden er minstens 1,5 miljoen Chinezen buiten de steden in Tibet moeten leven. De befaamde Amerikaanse antropoloog en tibetoloog, Melvyn Goldstein, die al 30 jaar lang Tibet doorkruist, zag vrijwel geen Han Chinezen in de dorpen.[10]

Ook de invasie van 7,5 miljoen Han in de gemengde randgebieden van Groot-Tibet is onwaarschijnlijk. Overal in China is de tendens dat het platteland licht ontvolkt ten voordele van de grote steden. De media melden dat er tientallen miljoenen zwerfwerkers zijn in de Chinese megapolen. Bovendien gaat de migratie oost- en zuidwaarts naar de kust en naar grote steden zoals Chengdu en Chongqing. Niet westwaarts naar slecht bereikbare en minder ontwikkelde streken.

Een Engelse economist en demograaf, Andrew Martin Fischer, houdt het in 2004 op 6% Han in de Autonome Regio Tibet. Op het platteland zouden ze anderhalf procent van de bevolking uitmaken, in de grote steden 32 procent[17]. De Han Chinezen zijn wel in de vijf à zes grote centra van Tibet neergestreken, daar waar zeventig jaar geleden slechts een zeldzame Han er ergens een handeltje had. Nu zijn ze er met enkele honderdduizenden op een totaal van drie miljoen inwoners. 

Andrew Martin Fischer stelde na uitgebreid onderzoek in 2003-2004 vast dat de verhalen van massale instroom van Han Chinezen in Tibet of in de Tibetaanse gebieden in de provincies Qinghai, Gansu en Sichuan fel overdreven zijn, zelfs onwaar. Hij was gedurende 14 maanden werkzaam in 23 ‘Tibetaanse’ steden of districten in en buiten de autonome regio. In zijn onderzoek kwam hij tot de conclusie dat het hoge aantal kinderen bij de Tibetanen gelijke tred houdt met de immigratie van Han Chinezen en dat er zeer weinig Han Chinezen buiten de stedelijke centra te vinden zijn. Hij weerlegde de beweringen over massale instroom van Chinezen en richtte zijn kritiek vooral op het feit dat de Tibetanen niet genoeg aan de bak komen in de economische topsectoren in de steden.

Voor Andrew Martin Fisher is de beschuldiging dat er in de autonome regio Tibet zelf meer Han Chinezen leven dan Tibetanen zo flagrant onwaar[18], dat hij zijn onderzoek vooral richtte op de ‘gemengde gebieden’, buiten Tibet, de zogenaamde uitbreiding naar ‘Groot-Tibet’, de randgebieden van het hoogplateau. Het is vooral daar dat hij een twintigtal steden met hun omgeving nauwkeurig observeerde.

In tegenstelling met de Autonome Regio Tibet zelf, waar de immigratie van Han Chinezen zich beperkte tot de administratie, de technische ondersteuning en de handel, ging het in die aanpalende streken om grond. Daar vestigden zich Chinese landbouwers in de vruchtbare en bereikbare valleien. Echter, die trend dateert van 150 à 300 jaar geleden, tijdens de laatste Chinese keizersdynastie, de Qing. Fisher ontwaart geen recentere instroom, gezien er geen nieuwe landbouwgronden beschikbaar zijn. Hij toetst bevolkingstabellen aan zijn eigen uitgebreide waarnemingen. Hij ziet geen systematische transfer van bevolking, wel een aantal Han Chinezen, die, door de liberalisering van de arbeidsmarkt in geheel China, naar de Tibetaanse centra kwamen om er een of andere zaak op te starten.

Zijn bevinding is dat de Han Chinezen in de steden overduidelijk ‘zichtbaar’ zijn. Een deel woont er, een groot deel komt er ook als toerist.[19] Maar de grote meerderheid van de Tibetanen leeft buiten de steden en zijn niet zo ‘zichtbaar’, maar wel talrijker.

Terloops vermeldt Fisher nog dat in de provincie Qinghai het percentage Tibetanen in 25 jaar van 18 tot 22% steeg, gewoon door het verschil in geboortepolitiek: de Han Chinezen zijn beperkt tot één kind per gezin, de Tibetanen niet.

Het gaat dus niet om ‘hoeveel Han Chinezen zijn er tegenover hoeveel Tibetanen?’ want de Tibetanen blijven flink in de meerderheid, maar wel over ‘wat gebeurt er in de steden?’. Daarover zegt Fisher dat de Tibetanen een scholingsachterstand en minder marktervaring hebben, waardoor ze ‘de facto’ gediscrimineerd worden tegenover de ‘minder talrijke’ Han, die wel de meest winstgevende activiteiten voor zich nemen. Onder ‘steden’ moet dan wel verstaan worden: ‘grotere steden’, zo zegt Fisher want in de kleinere steden overheerst de Tibetaanse economische activiteit.     

“In de enkele grote steden in Tibet zelf, nemen de Han Chinezen 55% van de werkposten in beslag, zelfs al zijn ze slechts met 6% van de bevolking,” aldus Fisher. Hier maakt hij een sprongetje dat niet opgaat. Die 6% slaat op het aantal Han Chinezen in de volledige regio, platteland incluis, niet enkel in de steden. In de enkele grote steden maken de Han Chinezen ongeveer een derde van de bevolking uit. Dat zij met dit derde de helft van de werkposten wegkapen is plausibel. Hierbij dient ook opgemerkt dat het gaat over het aantal arbeiders en bedienden (de loontrekkenden). Wanneer we kijken naar bv de zelfstandigen in de kleinhandel bv, dan maken de Tibetanen ook in de steden de meerderheid. Daarentegen worden overheidsopdrachten zoals openbare werken uitbesteed aan de laagst biedende, waarbij firma’s van de naburige provincie Sichuan het kunnen halen ten nadeel van lokale Tibetaanse firma’s. Die ondernemers van Sichuan brengen dikwijls hun eigen migrantwerkers mee om het werk uit te voeren.

Fisher stelt ook dat de administratie van de autonome regio Tibet in handen is van Han Chinezen. Hij heeft gelijk dat: “de eerste partijsecretaris van Tibet altijd een Han Chinees is geweest.” In China wordt in elke provincie een hoogste partijfunctionaris aangesteld die afkomstig is uit een andere provincie, dat als een garantie voor de eenheid van het land. Daartegenover kan gesteld worden dat 94% van alle verkozen mandatarissen, van lokaal tot regionaal, Tibetaan zijn. En het gaat niet over een klein aantal: 34.000 verkozen afgevaardigden in het totaal, voor dorpsraden, districtsraden en regionaal parlement. 

De scholingsgraad is een andere vorm van discriminatie, die Fisher terecht aan de kaak stelt. Slechts 13% van de Tibetanen volgde een vorm van secundair onderwijs, terwijl dat voor de rest van China 52% is. Dit is voornamelijk te wijten aan het pastorale leven in Tibet: kinderen worden jong ingezet om schapen en yaks te hoeden. De overheid onderkent dit probleem en probeert met sensibilisatiecampagnes en subsidies het tij te keren.  Tibet telt intussen al 43.000 universitaire afgestudeerden. Op een bevolking van drie miljoen is dat al behoorlijk. 

 

Besluit:

De meeste waarnemers, die geen politieke agenda hebben, zijn het erover eens dat in de Autonome Regio Tibet de Tibetanen ongeveer 90% van de bevolking uitmaken, maar dat in de enkele grote steden de concentratie van Han Chinezen opgelopen is tot ongeveer 30%.

Minder waarnemers onderzochten de gemengde randgebieden, net buiten de autonome regio. Fisher deed dat vrij grondig. Vandaar dit artikel, gebaseerd op zijn bevindingen.

Daaruit blijkt dat de vermenging van bevolking er al enkele eeuwen aan de gang was, dat er van een geforceerde instroom van Han Chinezen geen sprake is, dat de Tibetanen er niet overrompeld zijn door een Han invasie, maar dat er wel vragen moeten gesteld worden bij de sociaaleconomische discriminatie van de Tibetanen tegenover de Han bevolking.

 

In de marge: Andrew Fisher in discussie met tibetologen in Beijing in oktober 2008:

Tijdens het internationaal seminarie voor tibetologen in Beijing in oktober 2008 bracht Fisher aan de hand van sommige economische indicatoren een stevig discussieonderwerp naar voor: “de massale Chinese staatsteun voor Tibet is niet productief, de Tibetaanse rurale bevolking heeft weinig uitzicht op de vruchten van de modernisering. Infrastructuur, administratie en stedelijke beroepen slorpen alles op.” 

“80% van het BNP van Tibet is investering, dat is het hoogste cijfer ter wereld. Dat komt door de grote infrastructuurprojecten en de uitgebreide administratie. Die beiden nemen te veel plaats in, investeringen in reële productieve sectoren zijn miniem. In de aanpalende provincie Qinghai creëert 1 yuan investering een BNP-resultaat van 1,5 yuan. In Tibet brengt 1 yuan investering ondermaats 0,8 yuan BNP voort. Dit is een zeer inefficiënte manier om Tibet economisch op een goed ontwikkelingsspoor te plaatsen. En dit duurt al een hele tijd. Waarom? Het ‘administratief’ hoofd in Tibet weegt te zwaar. Neem de centrale subsidies weg en de Tibetaanse economie valt in elkaar. De mooie spoorweg zal natuurlijk blijven.

Tibet vertoont de grootste ongelijkheid in China tussen stad en platteland: 1 tot 5, en de laatste tien jaar is die kloof vergroot. Ook zelfs binnen de stedelijke bevolking is er voor de werkende bevolking een salarisverschil van 1 tot 4. Het hoofdprobleem is echter dat de stedelijke centra weinig ‘productieve activiteit’ hebben, zij genereren zelf geen echte meerwaarde.”

De andere deelnemers aan het seminarie, Tibetanen en Han, gingen daar tegen in: “De Westerse modellen van economische ontwikkeling zijn niet klakkeloos toepasbaar op Tibet. De Tibetaanse economie wordt beschouwd als een ‘politieke’ economie, een publieke aangelegenheid. De Chinese staat wil eerst en vooral de leefcondities van de Tibetaanse bevolking verbeteren, via de uitbouw van een netwerk van diensten, via de gezondheidszorg, de hygiëne, de cultuur, de sport, de veiligheid en de zorg voor de ecologie. Dat is meer dan de louter economische indicatoren. Bovendien is er het militaire aspect met Tibet als internationaal begeerde zone. Het geheel moet bekeken worden en op lange termijn. De staat probeert in Tibet de nodige infrastructuur uit te bouwen om het moderniseringsinitiatief kans te bieden, zonder de traditionele waarden van de Tibetaanse cultuur over boord te gooien." 

Naar mijn mening had Fisher gelijk in zijn uiteenzetting, waar hij het had over het “te weinig productieve investeringen” in Tibet. Om werkelijk op eigen kracht verder te ontwikkelen en minder afhankelijk te worden van de nationale subsidies zal een eigen lichte industrie een noodzaak worden. Bijna alle consumptieartikelen komen van het binnenland in China. De vraag is: welke producten worden in voldoende aantallen door de Tibetanen gekocht, want eigenlijk zijn zij slechts een ‘kleine’ markt van 3 miljoen mensen. Het kunnen mixers zijn om boterthee te bereiden. De talrijke landbouwerfamilies die ik ontmoette hebben er al een. De vraag is dus: wat is nuttig voor de lokale consumptie, in voldoende aantal om er een productielijn voor op te starten.

 


 

[1] Tekst van zijn toespraak nog te vinden op zijn persoonlijke website www.dalailama.com

[2]ARD, 15/06/99

[3] Zonder onderzoek en met eenparigheid van stemmen overgenomen in een resolutie tegen China in het Belgisch parlement in juni 1996 en opnieuw eenparig herbevestigd in 2008.

[4]http://tibetoffice.org, 5/10/2003 (nu gewist op de site, geprinte pagina in mijn bezit).

[5]Süddeutsche zeitung, 22/09/2007.

[6] Zie voetnoot 9.

[7] Le Nouvel Observateur, 17/01/2008

[8] De Tibetaanse rebellen voor ‘onafhankelijkheid van Tibet’ waren actief in een door de VS gesteunde guerrilla van 1956 tot 1972. Wie was er ook in Nepal in 1973? John Ackerly, die nu directeur is van ‘International Campaign for Tibet’. Zij waren er samen. J.F. Avedon zou zich blijvend wijden aan de Tibetaanse kwestie, maar Ackerly zou eerst een ommetje maken naar Roemenië om er in dienst van de VS het vallen van het zieke communisme te bespoedigen.

[9] Tweemaal zo groot als het huidige Tibet. ‘Groot Tibet’ bevat ‘gemengde’ streken, waar de Tibetanen sinds eeuwen al of niet in de meerderheid waren.

[10] Zie ondermeer ‘Asian Survey 45, pag 758-779, university of California, 2003.

[11]Ook verschenen in het Nederlands: J.F. Avedon, Tibet Vandaag. Huidige situatie en vooruitzichten, Stichting Ontmoeting met Tibetaanse Cultuur, Nederland, Laren, 1989 (?).

[12] Op 10 maart, herdenkingsdag van de opstand van 1959 in Lhasa.

[13]Christopher Queen, ‘Engaged Buddhism in the West’, p. 226-227, Wisdom Publications, USA, 2000.

[14] ICT: met een website in vijf talen en onder meer een bureau in Brussel.In de VS is de voorzitster, Beth Markey, een ex-stafmedewerkster van Buitenlandse Zaken van de VS. De directeur voor de ‘betrekkingen met de VS-regering’, Todd Stein, is een ex-adviseur in militaire zaken van de VS-senaat. In Brussel is de directeur van ICT, Vincent Metten, een ex-topadviseur van het Belgisch ministerie van defensie en van militaire zaken bij de Europese Commissie.

[15]http://www.tibet.org/Resources/TSG/Groups/ vermeldt 376 groepen, maar voor België bv staan er slechts vier in de lijst, daar waar er minstens twintig zijn. Voor Nederland staan er slechts drie. Reëel in Nederland zijn er enkele tientallen. Een belangrijke internationale organisatie staat er zelfs niet bij: ‘Students for a Free Tibet’. Zij hebben tientallen afdelingen, verspreid over de wereld. Het netwerk van lobbyen en activisme voor de onafhankelijkheid van Tibet is enorm, wel geconcentreerd in de VS, Europa, Canada, Australië en Japan, zeg maar de ‘industrieel ontwikkelde wereld’.  

[16]Website Sénat France.

[17]Andrew Martin Fisher, Development Studies Institute, London, “Urban Fault Lines in Shangri La”, 26/2/2004. En “Population invasion versus urban exclusion”, Population and Development Review, December 2008, pag 631-662. Andrew Fisher is een Engelse economist en demograaf. Van 1995 tot 2001 leefde hij in de Tibetaanse gemeenschap in India en Nepal. Daarna heeft hij kort voor TIN (TibetInfoNet, wat pro dalai lama is) in London gewerkt en is momenteel gastprofessor in Nederland. Zijn specialiteit: de mechanismen aan het licht brengen die minderheidsgroepen in een sociale gemeenschap structureel benadelen en kunnen leiden tot sociaaleconomische uitsluiting.

[18]Hij citeert een onderzoek van Irredale, dat een vermindering van Han Chinezen in de autonome regio Tibet vaststelde voor de periode 1981-1992.

[19]50.000 Han Chinese toeristen zijn dagelijks zichtbaar in het straatbeeld van Lhasa bv, van mei tot september. Lhasa telt 500.000 inwoners.

 

20:01 Gepost door infortibet in demografie | Permalink | Commentaren (0) | Tags: tibet, han, invasie

29-03-09

Hoeveel Tibetanen zijn er nu nog?

Volkstellingen

De eerste grondige volkstelling in China, Tibet inbegrepen, werd pas in 1982 uitgevoerd. De telling was hoofdelijk, met ouderdom, samenstelling van het gezin, beroepen en alle andere demografische gegevens. De vroegere bevolkingstellingen waren schattingen. Uit de huidige bevolkingsregisters blijkt dat het totaal aantal Tibetanen, in Tibet zelf, in autonome districten in andere provincies en in enkele andere gemengde minderheidszones in die provincies, samen momenteel 5,7 miljoen bedraagt. De bevolking van Tibet zelf totaliseert 2,7 miljoen. Daarvan zijn 6 % Han. De concentratie Han is het sterkst in twee stedelijke gebieden: Lhasa en Nyingchi, 15 tot 20 %. In alle eeuwen voor 1951 waren er geen Han Chinezen in wat nu de Tibetaanse Autonome Regio is, op enkele prinsessen, officiëlen, technici of handelaars na. Han Chinezen huiveren bij de gedachte om zich in Tibet te vestigen.  Enkel de gedachte alleen al aan een reis naar Tibet doet hen denken aan het aanschaffen van een zuurstoffles en het kopen van een extra donsvest. Han Chinezen zijn geen boeren of herders op grote hoogte. Als ze zich al een tijdje vestigen in Tibet, dan is dat in de enkele grote steden en zolang er enig nieuw flink winstgevend handeltje kan opgezet worden, dat opweegt tegen de “ongemakken”. Tibet is voor de Han niet het beloofde land zoals de Far West was voor de Amerikanen. Bij het aantal Han in Tibet is het leger niet meegeteld als “verblijvend”. Het aantal manschappen van het Chinese leger in Tibet vermindert, zoals overal in China, nu naar schatting nog 50.000 soldaten, trouwens gemengd Chinees-Tibetaans.

 De 14e dalai lama telde mee

In 1953, bij de eerste nationale benaderende telling in de Volksrepubliek, had de 14e dalai lama de leiding van de telwerkzaamheden in Tibet. Hij kwam uit op 1,2 miljoen mensen in de autonome regio. In 1964, bij de volgende schatting, was dit 1.2 miljoen gebleven. De voorstanders van de 14e dalai lama zien hierin de hand van de genocide. De Chinese regering zegt dat het cijfer van 1953 door de Tibetaanse overheid mogelijk iets aangedikt was door de Tibetaanse leiders. Maar er zijn ook de 80.000 vluchtelingen tijdens en na de opstand van 1959, die nu in het buitenland leven. In 1982 was de bevolking gestegen tot 1.9 miljoen, in 1992 tot 2,1 miljoen en bij de eeuwwisseling tot 2,7 miljoen. De bevolking verdriedubbelde bijna in veertig jaar. Die felle stijging is vooral te wijten aan de betere levensverwachting, gestegen van 36 jaar naar 67 jaar. Toch blijven serieuze onwaarheden op hoog niveau nog de ronde doen. In een rapport van 1987 voor de Amerikaanse Senaat werden de Chinezen er nog van beschuldigd “de levensverwachting in Tibet niet hoger getild te hebben dan 40 jaar”[1]. De geboortepolitiek van “één kind per gezin” was nooit van toepassing voor de Tibetanen, wel voor de Han Chinezen die in Tibet verbleven. Sinds de jaren tachtig wordt 3 kinderen per gezin als niet dwingend streefdoel vooropgesteld, wat de actuele gezinsgrootte op 5,2 gemiddeld bracht.

 

Wat onze volksvertegenwoordigers daarvan bakken grenst aan het ongelooflijke. In de resolutie over Tibet, die het Belgische parlement unaniem goedkeurde op 27 juni 1996, staat het volgende: “Overwegende dat het aantal Tibetanen die in Tibet (U-Tsang, Kham en Amdo) wonen momenteel ongeveer 6.000.000 zielen bedraagt en dat Tibet een oppervlakte heeft van 2,5 miljoen vierkante kilometer, wat 0,42 inwoner per vierkante kilometer betekent. Derhalve constaterende dat de Chinese geboortebeperkingspolitiek wegens de geringe bevolkingsdichtheid van de in Tibet wonende Tibetanen niet gerechtvaardigd kan worden en dat zij dus alleen maar een van de middelen vormt die de Volksrepubliek China aanwendt om het aantal in Tibet wonende Tibetanen te reduceren…”[2]. Noteren we eerst dat 135 parlementsleden – de unanieme aanwezigen – niet kunnen rekenen. Zes miljoen mensen op 2,5 miljoen vierkante kilometer is 2,40 mensen per vierkante kilometer en niet 0,42. Vervolgens,  2,5 miljoen vierkante kilometer komt overeen met de notie “Groot Tibet”, dat zagen we al. De tekst doet uitschijnen dat er daar niemand anders woont dan de zes miljoen Tibetanen. Waar zijn de miljoenen Hui moslims, zonder van de Han te spreken? En de Yi, de Naxi, enz., dat zagen we ook al. Die horen daar niet thuis, zegt de resolutie, die ze bestempelt als “Chinese kolonisten, zodat de Tibetanen vandaag zijn gereduceerd tot een minderheid in hun eigen land”. Groot Tibet is een fictieve entiteit, gebaseerd op een imperium in de 8e eeuw, maar is nooit een 'Groot Etnisch zuiver Tibet' geweest.

 

Het ras uitgeroeid?

Er is de barokke aanklacht van de regering in ballingschap, dat er 1.2 miljoen Tibetanen gedood werden of omkwamen tijdens de Chinese invasie en door de Culturele Revolutie. De 14e dalai lama kwam in juni 1959 al naar voor met 69.000 doden tijdens de gevechten in Lhasa. Vijf jaar later trekt hij dit op tot 87.000. Terwijl tientallen bronnen, zowel pro- als anti-Chinees, de toenmalige totale bevolking van Lhasa, aangedikt door de vluchtelingenstroom uit het oosten, op slechts 40.000 schatten. De belangrijkste rebellenleider, Gompo Tashi Andrugtsang, laat in zijn memoires schrijven dat zijn Khampa strijders 118 mannen verloren in ’58 en ’59[4]. Dat is ver van de tienduizenden in de propaganda. Dharamsala liet begin jaren zeventig een nieuw onderzoek uitvoeren naar het dodental. Het cijfer van 1,2 miljoen werd voor het eerst in 1984 gepubliceerd door de regering in ballingschap. Hiervan zouden 432.000 slagvelddoden zijn. Dat komt neer op 17 % van de Tibetaanse bevolking - in en buiten Tibet - en verhoudingsgewijze vier maal meer dan het totaal aantal Duitse soldaten dat in de Tweede Wereldoorlog omkwam[5].

Een studie van de Australisch-Chinese demograaf Yan Hao toont aan dat in het begin van de jaren zestig in Tibet een onevenwicht ontstond tussen mannen en vrouwen tussen 20 en 34 jaar. De omvang van dit onevenwicht is niet te verklaren door honderdduizenden gesneuvelde mannen maar door de uittocht van enkele tienduizenden – niet méér - mannen naar India, in het spoor van de 14e dalai lama[15].

Alle mannen gedood?

De Britse schrijver Patrick French, ex-directeur van de ‘Free Tibet Campaign’ in Engeland, zei tijdens een interview in “De Tijd”: “De Tibetaanse regering in ballingschap beweert dat er 1 à 2 miljoen doden zijn gevallen (in de autonome regio plus daarbuiten). Dat aantal is uitentreuren opgedoken in ongeveer alle respectabele publicaties ter wereld, nu al 15 jaar lang. In 1951 waren er niet meer dan 2 tot 2,5 miljoen Tibetanen in het totaal. Ruim de helft van de bevolking zou dus zijn afgeslacht. Dat lijkt mij nogal onwaarschijnlijk. Ik heb de beschikbare bronnen erop nageslagen en daaruit blijkt dat het cijfer uit de lucht gegrepen is. Het exacte cijfer zullen we nooit weten. Mijn schatting is een half miljoen, wat natuurlijk nog altijd een ongemeen hoog aantal is. Niettemin blijven de actiegroepen niet gehinderd door twijfels het cijfer van 1 à 2 miljoen hanteren”[6]. De “Environment and Development Desk” van de Tibetaanse regering in ballingschap vermeldt nog steeds de 1,2 miljoen, in een tekst van 2000[7]. French, als vertrouweling van de Tibetaanse onafhankelijkheidsbeweging, had inzage gekregen in de archieven van Dharamsala. Vreemd genoeg waren en zijn die nooit publiek ter inzage gesteld, wat de grove aanklacht toch logischerwijze zou kunnen hard maken. Maar French begreep waarom: de getuigenissen van executies, folteringen, gevangenen, slagvelddoden en noem maar op, waren niet enkel vage gissingen van horen zeggen maar overlapten elkaar ook. Eén enkel wapenfeit bijvoorbeeld werd door vier verschillende getuigen van vier verschillende aantallen doden vergezeld, die dan nog opgeteld werden. Bovendien vond hij cijfers die achteraf in de marge aan getuigenisrapporten toegevoegd waren. Hij had namenlijsten verwacht maar hij vond er geen enkele. Voor bepaalde streken stonden er soms dodenaantallen vermeld die hoger waren dan het bevolkingsaantal. Helemaal ongelooflijk was dat er slechts sprake was van 23.000 vrouwen, dus méér dan één miljoen mannen, wat zou neergekomen hebben op de totale uitroeiing van alle Tibetaanse mannen. French kreeg nog een verbazing te verwerken toen hij zijn bevindingen voorlegde aan een oude monnik in Dharamsala die indertijd verantwoordelijk was voor het dodentelwerk. Die man was totaal niet verbaasd en antwoordde: “Wat maakt het uit dat de cijfers correct zijn of niet? Iedereen is toch akkoord over het feit dat er veel Tibetaanse slachtoffers vielen onder de laarzen van de Chinese communisten”[8].

 

Het cijfer blijft

Het cijfer doet nog overal de ronde. Het cijfer kreeg wereldwijde waarde sinds de toespraak van de 14e dalai lama voor het Amerikaanse Congres in 1987. “Sindsdien werd het vermenigvuldigd en kreeg geloofwaardigheid door de herhaling.”[9] De jongere broer van de 14e dalai lama noteert nog 1,2 miljoen in zijn boek in 1999[10]. Het Franse parlement stemde in 1996 nog een motie die China aanmaande om Tibet te ontruimen en gebruikte de vermeende genocide in de argumentatie. Alle internationale actiegroepen ten voordele van de 14e dalai lama hebben het nog op hun website staan. En extreem rechts in de Belgische Kamer: “Naar verluidt is 80% van de Tibetaanse bevolking afgeslacht”[11]. Of de militante extreemrechtse schrijver Ferdinand Hoyaux: “Vier en een half miljoen Tibetanen zijn van de aardbodem verdwenen sinds de Chinese aanhechting.”[12]

Een laatste manipulatie van cijfers is te doen alsof er 6 miljoen Tibetanen waren in 1959 en dat door de genocide de bevolking nu nog op hetzelfde cijfer staat[13]. Maar de argeloze lezer vergeet dan dat de 14e dalai lama er in 1953 zelf niet zoveel telde. Toen had hij het over een goed miljoen binnen het huidige Tibet en hij weet en zegt ook dat er in de randgebieden ongeveer evenveel zijn en waren. Sinds midden jaren zeventig  hanteert de 14e dalai lama het cijfer van “zes mijloen”, tot op vandaag. Waarom ziet hij geen groei na 1975? Want de bevolking is sindsdien bijna verdubbeld, onmogelijk naast te kijken voor wie tibet enigszins kent (toen en nu).

 

Hongerdood

Van de 1,2 miljoen doden zag de regering in Dharamsala er 400.000 van honger omkomen. Ook daar is iets over te zeggen. Het is bekend dat de mislukte campagne van de “Grote Sprong Voorwaarts” in China een terugval van de bevolking teweegbracht. Hierover doen fantasiecijfers de ronde, maar daar zullen we niet nader op ingaan. Belangrijk hier is dat die campagne niet van toepassing was in Tibet, integendeel. Rond 1960 kregen de vroegere lijfeigenen hun oogst en kudde in eigen handen. Collectivisatie kwam pas veel later, midden jaren zeventig, en dit valt na de hongerdoodanalyse van de regering in ballingschap. Graanproductie en veestapel gingen erop vooruit in het Tibet van de jaren zestig. Het bevolkingsaantal eveneens, volgens cijfers aangenomen door UNESCAP, een UNO onderzoeksorganisatie voor Azië[14].

Buiten het eigenlijke Tibet, werd de bevolking, Tibetanen in Qinghai inbegrepen bvb, wel getroffen door de mislukte campagne van industrialisering van het platteland. Een Amerikaanse studie komt op 20.000 Tibetaanse hongerdoden in de provincie Qinghai in de periode ’59-’62. Zij stippen ook aan dat dit niets met kolonialisme te maken had noch met etnische voorkeur aangezien verhoudingsgewijze in dezelfde regio meer Han Chinezen omkwamen[16].

 



[1] Avedon JF, raadgever van de 14e dalai lama, organiseerde voor hem de eerste rondreis in de USA. Hij is de auteur van “In exile from de Land of Snows”, New York, 1984. Het rapport voor het Amerikaanse “Senate Foreign Relations Committee” staat op de website van het “US Tibet Committee” met als titel “Tibet Today: current conditions and prospects, New York, 1987”. Tal van andere stellingen in dit rapport zijn nog steeds de basis van de aanklachten die de onafhankelijkheidsbeweging tegen China richt.

[2] Resolutie 445/5, parlementair seizoen 95/96.  

[3] Zie hoofdstuk 7, paragraaf “Tibetanen gekruisigd?”. Zie ook bibliografie voor de ICJ.

[4] Dunham.

[5] Sautman, pag 245.

[6] “De Tijd », 2/4/2005.

[7] TRIB, « Tibet’s Environment and Development Issues », website.

[8] French, pag 325.

[9] idem, pag 322.

[10] Choegyal Tenzin, jongste broer van de 14e dalai lama, lid van het Tibetaans parlement in ballingschap tot in 2006, “The Truth about Tibet”, Hillsdale College Michigan, USA, 1999.

[11] Belgische Kamer, 20/5/92.

[12] Hoyaux in het tijdschrift « Medium », Antwerpen, mei 1991.

[13] Avedon, sénat France

[14] Sautman, pag 242-248.

[15] Idem.

[16] idem.

Het ras verdubbelde?

De Tibetaanse bevolking groeide met meer dan 2% per jaar, zonder knik, gedurende méér dan 40 jaar. Het wegvallen van een half miljoen, of zelfs van 100.000, in de periode ’50-’80 had een tijdelijke stagnatie moeten tonen en kon nooit geleid hebben tot het huidige meer dan verdubbelde bevolkingsaantal. Nochtans waren er bezwarende omstandigheden. Eén vrouw op tien vindt geen man. Die zitten in de kloosters. Bovendien is polyandrie nog steeds in gebruik, waarbij één vrouw zich verbindt met twee of meer broers met sterke armspieren. “Beter een vrouw delen dan het beetje land te moeten verdelen” luidt het motto van deze heren. Op de vraag “Van wie zijn de kinderen?” is het antwoord eenvoudig: “Dat doet er niet toe. Het zijn onze kinderen.” In de jaren vijftig was slechts de helft van de huwelijken monogaam. De steriliteit van de vrouwen boven de 30 jaar schommelt nog rond de 10 %, veel hoger dan in de rest van China. Dit ontlokte bij de dissidenten de theorie van de “gedwongen sterilisatie” opgelegd door de Chinezen, terwijl de centrale Chinese regering hiervan juist een medisch hulppunt maakte. De aanklacht van gedwongen sterilisatie werd in de resolutie van het Belgische Parlement zonder onderzoek overgenomen[1]. Op een presentatiefolder[2] van “Tibet Initiative Deutschland” is te lezen: “Zwangere vrouwen worden met zeer lange naalden behandeld. Men spuit gif in het hoofdje van de foetus om een abortus te verwekken.”

 

Constante bevolking, het ideaal? 

Plaats daartegenover de laatste 700 jaar. Uit documenten van 1268 blijkt dat de Mongoolse Yuan dynastie een telling liet uitvoeren in Centraal en Oost-Tibet, met het oog op het heffen van taksen. Zij kwamen uit op 700.000[3]. Door extrapolatie voor de gebieden die niet in de telling opgenomen waren, zoals Sakya en Ngari, wordt aangenomen dat het totaal voor de autonome regio Tibet toen ongeveer 1 miljoen mensen moet geweest zijn. Tussen 1734 en 1756 lieten de keizers Yongzheng en Qianlong van de Qing dynastie eveneens tellen, resultaat 1 miljoen[4]. De laatste met de verwonderde vaststelling dat ongeveer één derde van de mannelijke bevolking het celibaat volgde in de kloosters. In 1830 liet Qing keizer Daoguang, weer met het oog op correcte belastingen, andermaal een telling uitvoeren voor de gehele regio van het actuele Tibet. Resultaat: 1 miljoen[5]. En in 1953 telde de 14e dalai lama zoals gezegd 1,2 miljoen. Geen bevolkingsstijging gedurende een kleine duizend jaar, door het harde leven, enkele epidemieën en het hoge aantal monniken. Of een samenleving “in evenwicht met de natuur”? De 14e dalai lama beschrijft in zijn “internationaal project voor de ontwikkeling van Tibet en gids voor een duurzame ontwikkeling” in april 2004 het vroegere Tibet als een land “met een traditionele en duurzame wijze van productie gedurende duizenden jaren, waar mens en natuur harmonieus samenleefden en waar gedurende eeuwen genoeg grond bebouwd werd om onafgebroken goed te leven.”[6] Hier zitten een paar modewoorden in. Zou de oude Tibetaanse samenleving met zijn grootgrondbezit en lijfeigenschap een ecologisch harmonieus voorbeeld geweest zijn? Laten we het individuele overlevingspakketje aan voedsel bekijken van die periode: 200 gram meel per dag en 200 gram rapen of raapzaad per maand, met daarnaast wat melk en yak- of schapenvlees en dat was het. Hiervan moet nog afgetrokken worden wat de Tibetaanse families aan de grootgrondbezitter of aan het klooster moesten afstaan. De gelug school liet zoveel als ze konden het arsenaal van monniken onderhouden door de boeren, wat een flinke rem betekende op de ontwikkeling. De ideologie die dit ondersteunde was het negeren van het ego, de eigen verlangens als bron van alle lijden en kwaad. In de jaren vijftig stierf één kind op twee. Bevallen gebeurde in een stal (wie deed dat nog?) of in een schamele hut. Oedemen bij zuigelingen, te wijten aan de hoogte, waren een frequente doodsoorzaak. In 1990 was de kindersterfte teruggebracht tot 1 op 10, wat nog steeds hoog bleef. Uit studies blijkt dat de levensverwachting met 4 maanden verlaagt per 100 meter hoogte. Leven op 4.000 m is geen pensioensparen waard.

 

multicultureel

Buiten Tibet vinden we de Tibetanen terug in alle aangrenzende gebieden, vermengd met andere bevolkingsgroepen. De meeste situeren zich in dat deel van Kham, dat sinds de Qing dynastie bij de provincie Sichuan behoort: 1,3 miljoen. Volgt de provincie Qinghai met 1,1 miljoen, Yunnan met een half miljoen en Gansu met 100.000. Samen net iets meer dan het aantal Tibetanen in Tibet zelf. Een mooi staaltje van gebiedsuitbreiding in het discours van de 14e dalai lama is wat hij noemt de provincie Amdo. Voor het Amerikaanse congres in 1987 zegt hij dat daar 25 miljoen Chinezen wonen voor slechts 750.000 Tibetanen[7]. De huidige provincie Qinghai telt slechts 5 miljoen mensen in het totaal en bijna alle Tibetanen van Amdo wonen binnen die provincie, zowel vroeger als nu. Waar zoekt de 14e dalai lama die 21 miljoen andere mensen dan? In gebiedsuitbreiding nog verder naar het noorden en naar het oosten dan de provincie Qinghai, waar sinds eeuwen miljoenen Han Chinezen en anderen leven. Binnen Tibet is recent de verscheidenheid van bevolkingsgroepen toegenomen. Het waren niet allemaal Han Chinezen, die de groeiende welvaart meepikten. Diverse kleine entiteiten van minderheden, vooral uit de provincie Yunnan, werden in Tibet “waargenomen”. De bevolkingsregisters tonen nu een mengelmoes van een veertigtal groepen. In de steden blijven de dominanten uiteraard Tibetaans, Han en Hui - Japanse en Chinese toeristen niet meegerekend. Maar op een markt zie je handelaarfamilies van de Miao uit Guizhou of van de Bai uit Yunnan. Wat is er verkeerd aan het feit dat bevolkingsgropen zich verplaatsen binnen hun eigen land? Er wonen heel wat Vlamingen in Wallonië, zij hebben er Vlaamse TV op de kabel, kunnen Vlaamse kranten kopen en brachten hun bakstenen mee. Weet nog dat in Tibet de bevolkingsdichtheid twee personen per vierkante km is en ongeveer dubbel zoveel yaks. Zelfs in het hoofdstedelijke gebied van Lhasa bedraagt die slechts enkele tientallen personen per vierkante km, dat is nog tien maal minder dan het gemiddelde over geheel België. Het departement Lhasa, omliggende landbouwdistricten inbegrepen, telt nu bijna een half miljoen inwoners, te vergelijken met Antwerpen plus Doel, maar veel groter in oppervlakte. De stad zelf huisvest 300.000 mensen. In 1959 waren het er slechts 25.000. Toch is de verstedelijking in Tibet véél trager verlopen dan in de rest van China. In 1953 woonde slechts één op tien mensen in de steden en veertig jaar later was dit nog steeds zo. De steden groeiden het snelst de laatste tien jaar. In Lhasa zie je nu veel meer Tibetanen dan 10 jaar geleden, veel meer Hui, meestal verkopers, en ook veel meer Han Chinezen, ook verkopers. Het aantal Han nam sneller toe dan de twee anderen.

 

Verstrikt in de cijfers

In interviews tijdens zijn bezoek in België zei de 14e dalai lama dat de Chinezen tweederden van de inwoners van Lhasa uitmaken. Terwijl zijn studiebureau in New York het ongeveer eens is met de officiële tellingen in het jaar 2000. Toen kwam de overheid uit op 34% Han Chinezen in de stad zelf en 17% in het departement[8]. De telling bevat de vlottende bevolking, mensen die elders gedomicilieerd zijn maar al minstens zes maanden in Lhasa verblijven. Toch vindt het bureau van de 14e dalai lama een argument: de telling vond plaats in november en tijdens de zomer zouden er veel meer Han Chinezen in de hoofdstad rondhangen. Ze relativeren zelf onmiddellijk hun argument door te zeggen dat hun niet nader genoemde informanten mogelijks ook een aantal Chinese toeristen meegeteld hebben, want die zijn nogal zichtbaar op straat. In 2006 kwamen er 2,5 miljoen toeristen naar Tibet, waarvan 90% Chinezen, Hongkong en Taiwan inbegrepen. Interessant is ook de confrontatie tussen het bureau van de 14e dalai lama in New York en een stelling die bij de “Tibet support” groepen de ronde doet. De eersten zeggen dat er slechts 32.000 Han Chinezen in de rurale gebieden wonen tegen 2 miljoen Tibetanen. Zij zien daarin een achterstelling van de Tibetanen, die boeren moeten blijven en geen toegang krijgen tot de rijkere steden. De “Tibet support” groepen van hun kant spreken dan van een verplichte sedentarisering van de Tibetanen, die in de steden steenkappers moeten worden voor de constructiedrang van de Chinezen[9]. En het wordt helemaal onbegrijpelijk wanneer sommigen schrijven dat de Chinezen in de meerderheid zijn in de gehele autonome regio, terwijl het bureau van de 14e dalai lama er slechts 6 % ziet en daarmee de officiële tellingen bijtreedt[10]. Andere onderzoekers uit zijn entourage doen dat ook. Een uitgebreid onderzoek ter plaatse in Tibet zelf, in 2003-2004, door een Engelse economist, stelt ronduit dat al die verhalen van instroom van Han Chinezen in Tibet fel overdreven zijn. Hij kon tal van enquêtes doen in West-Sichuan en in de grote en kleinere steden in Tibet zelf. Als voorstander van de 14e dalai lama, werkte hij gedurende enkele jaren in de Tibetaanse gemeenschap in India en werd er fervent boeddhist[11]. In zijn “veldonderzoek” komt hij tot de conclusie dat het hoger aantal kinderen bij de Tibetanen gelijke tred houdt met de immigratie van Han Chinezen en dat er zeer weinig Han Chinezen buiten de stedelijke centra te vinden zijn. Hij weerlegt alle propaganda rond de “massale instroom” van Chinezen en richt zijn kritiek op het feit dat de Tibetanen niet genoeg aan de bak komen in de economische topsectoren in de steden.

 

Maar al geraken ze zelf en onderling verstrikt in hun eigen cijfers toch hebben ze één kapstok gemeen waar ze de waarheid aan ophangen: in Groot Tibet zijn de Tibetanen in de minderheid. Dat is zo. En dat was ook zo eeuwen geleden. Dat laatste zijn ze dan vergeten en willen de miljoenen indringers uit hun Groot Shambala verdrijven. In zijn “Vijf Punten Plan” voor Tibet schrijft de 14e dalai lama dat “er al 7,5 miljoen Chinezen kolonisten ingeweken zijn, dat dit moet stoppen en dat de aanwezigen moeten terugkeren” naar wat hij China noemt[12]. Het Belgische parlement vond dat “Vijf Punten Plan” een waardig uitgangspunt voor de oplossing van het probleem Tibet en nam het op in zijn resolutie in 1996.[13]

 



[1] resolutie van 1996, zie hoger.

[2] 2006.

[3] CTIB.

[4] idem.

[5] Idem.

[6] TRIB.

[7] ICT.

[8] TOT.

[9] krant De Morgen, 27/5/2006.

[10] TIN.

[11] Andrew Martin Fischer, Development Studies Institute, London. “Urban Fault Lines in Shangri La: population, exclusion, and discourses of inter-ethnic conflict in the Tibetan areas of Western China”, 26/2/2004.

[12] TRIB.

[13] Zie hoger.

15:49 Gepost door infortibet in demografie | Permalink | Commentaren (0) | Tags: tibet, genocide

22-11-07

De Tibetanen: een minderheid in eigen land?

Komt Groot Tibet overeen met de gebieden waar Tibetanen in de meerderheid waren in het begin van de 20e eeuw? Neen, want grote delen waren in de loop van de vorige eeuwen deels Hui, Mongools of Han geworden. Neem de provincie Qinghai. Eén derde van de bevolking is er Tibetaan, een ander derde is Hui en het laatst gekomen derde is Han, met nog kleine groepen Mongolen en Tu. In het oosten en het zuidoosten, die van oudsher door andere volkeren bewoond werden en het nog zijn, is het veel complexer. De zuidelijke grens van Groot Tibet wordt door de 14e dalai lama horizontaal westwaarts getrokken daar waar de Yangzi aan zijn grote bocht naar het noorden begint. Daar leven de Yi, de Naxi, de Nu, de Lisu, de Bai. Het gebied van de Yi is iets groter dan België. Waarom gehele gebieden met een dergelijke mengeling van volkeren als "Tibet" bestempelen? Zal de 14e dalai lama die "verregaande autonomie" schenken, zoals hij voor "zijn volk" wil? Sommige geschriften gaan zo ver om ondermeer de Naxi als subras van het Tibetaanse ras te bestempelen. In de loop van de geschiedenis was er een zekere invloed van de Tibetaanse cultuur, vooral toen de Tubo koningen gedurende variabele duur hun streken min of meer onderwierpen. Wijzelf waren ook wel eens Spanjaarden en kregen in nog andere geschiedenisomstandigheden de katholieke erfzonde als cultureel importproduct in onze winkelrekken. Dat maakt van ons nog geen voorstanders van een Grootrooms Rijk. De Lombarden van Italië woonden 1500 jaar geleden nog in Scandinavië en een deel van de Spanjaarden waren Germanen van bij de Zwarte Zee, de Wisigoten. Niet te verwonderen dat de 14e dalai lama zegt: "de Tibetanen zijn in de minderheid in hun eigen land," waarmee hij Groot Tibet bedoelt. Daar zijn niet alleen Han Chinezen ingeweken, maar miljoenen mensen van diverse nationaliteiten leefden er sinds bewogen tijden. Een afgeronde ruwe rekensom voor "Groot Tibet" komt op het volgende resultaat: 6 miljoen Tibetanen tegenover 4 miljoen Han, 2 miljoen Hui, 2 miljoen Yi en 2 miljoen "anderen". Het totaal geeft 10 miljoen niet-Tibetanen tegenover 6 miljoen Tibetanen. De Tibetanen zijn de grootste groep, maar zij zijn niet in de meerderheid.

 tibet 05 (524)

de moskee in Lhasa. 

 

21:19 Gepost door infortibet in demografie | Permalink | Commentaren (0) | Tags: tibet, nationaliteiten, multicultureel, bevolking, tubo