01-02-12

De zelfverbrandingen van Tibetaanse monniken

 

De eerste die door zelfverbranding om het leven kwam was een monnik – een twintiger - van het Sirti klooster in de prefectuur Aba (Ngaba) in Noordwest-Sichuan. Dit gebeurde einde februari 2009. Tussen maart 2011 en nu januari 2012 kwamen er nog zestien zelfverbrandingen, waarvan de Tibetaanse oppositie in het buitenland denkt dat er minstens 10 zijn, die het niet overleefden, een triest en verschrikkelijk palmares. Schrijnend is ook de jeugdige leeftijd van de meeste ‘zelfverbranders’: tien van de zeventien waren jonger dan twintig of net twintig.

De pers in China maakt gewag van de gebeurtenissen, keurt ze scherp af en geeft geen details. Detailinformatie over de namen van de monniken, de plaats en de datum waar het gebeurde en de omstandigheden wordt voornamelijk verspreid door ICT [1].

De gebieden waar de zelfverbrandingen plaatsvonden zijn sinds april 2011 overigens afgegrendeld voor de Westerse pers.

ICT schrijft dat elke monnik of non, die zich opofferde, slagzinnen riep voor een “vrij Tibet”en voor de terugkeer van de dalai lama.

"Radio Free Asia reported that before he set himself ablaze, he climbed a local hill to burn incense and pray before distributing leaflets saying he would act "not for his personal glory but for Tibet and the happiness of Tibetans."

“According to Tibetan exiles who spoke to a witness of the protest, before he was stopped by police Phuntsog shouted slogans including ‘May His Holiness the Dalai Lama live for 10,000 years!’"

ICT meldt ook vergezellend volksprotest, maar slechts bij enkele gevallen. Daarbij zouden  enkele doden gevallen zijn door het politieoptreden. Het Chinese persagentschap vermeldt er één.

Opvallend is dat van de zeventien zelfverbrandingen er twaalf gebeurden in dezelfde regio: in de autonome gemengde prefectuur Aba van Tibetanen en Qiang[2]. Van die twaalf zijn er tien afkomstig van één bepaald klooster: Kirti. Daarnaast zijn er drie zelfverbrandingen gemeld in de prefectuur Garze, ook in West-Sichuan, één in het zuiden van de provincie Qinghai en één in Tibet zelf, in de oostelijke stad Chamdo. Deze vier streken zijn min of meer aanpalend aan elkaar, het gaat globaal om een gebied grenzend aan het noordoosten van het huidige Tibet en het is een deel van de historische gebieden ‘Amdo’ en ‘Kham’.[3]  

De regio Aba is driemaal groter dan België en er leven 1 miljoen mensen, voor 72% Tibetanen en Qiang. Er zijn 42 kloosters, samen goed voor een paar tienduizenden religieuzen[4]. Aba is een regio buiten het huidige Tibet en bevindt zich, in de provincie Sichuan, die al tijdens de Manchu dynastie in China als afzonderlijke provincie bestond (18e eeuw). Gedurende de laatste twee eeuwen was er een zekere migratie van Han Chinezen naar West-Sichuan, maar de Han bleven duidelijk in de minderheid.[5]

ICT geeft een eventueel etnisch-numeriek bevolkingsprobleem niet aan als mogelijke oorzaak voor de wanhopige daden in Aba, wel een bestuursprobleem: de “afwezigheid van religieuze en politieke vrijheid”.

De overheid in de regio Aba is Tibetaans, de politie evenzeer[6]. Van een directe etnische tegenstelling tussen de bevolking en het lokale bestuurs- of repressieapparaat kan men dan moeilijk spreken. Natuurlijk is er een nationale politiek in China tegenover de Tibetaanse bevolking. Een kort historisch overzicht kan enig licht werpen op het feit waarom dit tragisch protest geconcentreerd is in de regio Aba.

Toen China na de revolutie van 1949 zijn territoriale aanspraken op Tibet herbevestigde[7] door het Rode Leger in 1951 naar Lhasa te sturen beloofde de Chinese nationale regering om de landadel in Tibet ongemoeid te laten en geen landhervorming door te voeren zonder hun instemming. De belofte gold voor het Tibet van toen[8], wat overeenkomt met het huidige Tibet, maar niet voor de gebieden in Sichuan waar ook Tibetanen wonen, bv in de regio Aba. Daar werd de landhervorming wel doorgevoerd. Daartegen is lokaal verzet gekomen, dat zich vanaf 1956 via de VS kon bewapenen en een guerrilla starten. West-Sichuan werd de thuisbasis van het gewapend verzet tegen het Chinese bewind, waarbij de kloosters een eminente rol vervulden.[9] In 1959 bereikte de opstand Lhasa, maar werd er neergeslagen. Dit leidde tot de vlucht van de dalai lama naar Indië, met in zijn spoor heel wat Tibetanen van West-Sichuan. De toenmalige abt van het hierboven vermelde Kirti klooster in Aba was één van de uitwijkelingen en bevindt zich nog steeds in het Indische Dharamsala, de huidige thuisbasis van de dalai lama. Net zoals de dalai lama zegt de ex-abt van Kirti dat zelfverbranding eigenlijk niet strookt met de boeddhistische leer, maar dat hij begrijpt dat de extreme repressie een aantal monniken tot die daad drijft.

De ‘eerste minister’ van de dalai lama, Lobsang Sangey, heeft ongeveer dezelfde bewoordingen in een interview met ‘Libération’ (29/11/2011):

“Ik roep niet op tot gewelddadig verzet of zelfverbranding want elk protest leidt tot arrestatie en foltering door de Chinese overheid. Ik begrijp hun motivatie ter verdediging van het Tibetaanse volk. Ik groet de moed van diegenen die bereid zijn hun leven te offeren voor deze strijd, maar hun daad is pijnlijk en triestig.”

“Het theologisch debat over zelfdoding bestaat, maar moet niet interfereren met wat nu gebeurt. Het is de Chinese overheid die door haar repressie mensen dwingt om zich op te offeren.”

De omgeving van de dalai lama ‘begrijpt de moed’ van de monniken die zich opofferen en keurt theologisch niet scherp af, terwijl tal van abten van andere kloosters in Aba dat wel deden in de pers in China. Dit terwijl ICT recent meldde dat er in Aba pamfletten circuleren, die oproepen tot zelfverbranding tijdens het komende Tibetaans Nieuwjaarsfeest op 22 februari.

Terug naar de geschiedenis.

Gedurende de jaren 1980, na de Culturele Revolutie, kwam er een periode van openheid en tolerantie vanwege de overheid in Tibet en aangrenzende gebieden. In Tibet zelf bleef de controle op de kloosters enigszins gehandhaafd, vanwege het strategisch belang van Tibet voor China en vanwege het feit dat de problematiek geïnternationaliseerd was. Maar in de randgebieden werd de betutteling vrij los, tot onbestaande. Er was weinig regelgeving voor de Tibetaanse kloosters in Sichuan, Qinghai of Gansu. Neem bv het fenomeen ‘kindmonniken’, dat vond je niet meer in Tibet zelf, wel volop in de randgebieden. Buitenlands bezoek was open zonder beperkingen, daar waar voor Tibet zelf een speciale permit en een bekende reisroute nodig bleef. Dit bracht ook een toename van de contacten mee tussen de Tibetaanse gemeenschap in Indië en die van hun thuisland: vooral West-Sichuan. Dat is nu nog min of meer zo. Ook in de richting van Tibet naar Indië. Volgens ICT reisden (legaal) 8000 Tibetanen in januari 2012 naar Indië om er Kalachakra-initiaties van de dalai lama bij te wonen. Men kan niet zeggen dat de Tibetaanse gebieden ‘hermetisch’ afgesloten zijn. ICT zelf, dikwijls via de Tibetaanse gemeenschap in Indië, beroept zich op plaatselijke informanten. En dat zal ook wel zo zijn. China schippert tussen openheid, controle en repressie.

Wat de repressie betreft, essentieel is die gericht tegen het ‘separatisme’. Politieke uitingen van nationalisme en steun aan de dalai lama worden onderdrukt, of die nu van kloosters of van leken komen. Twee ‘medeplichtigen’(“aanmoedigen, assisteren”) van de eerste zelfverbranding in 2009 werden tot zware gevangenisstraffen veroordeeld. Tijdens betogingen in de marge van de zelfverbrandingen worden ook mensen voorgeleid. Het spanningsveld is er.

Sinds 1994, na de zitting van de vierde conferentie over Tibet in Beijing, zijn er opnieuw beperkende maatregelen voor de kloosters. De monniken moeten geregistreerd zijn, er is een onderhandelde norm voor het aantal monniken per klooster, geen kinderen meer, in de kloosters moet er onderwijs zijn over de wetgeving. Het is waar dat sommige kloosters in Sichuan explosief groeiden tijdens de jaren 1980. De lokale Tibetaanse overheid zei dan: “wie zal dat betalen qua sociale zekerheid?”.

Een studie van twee Amerikaanse vorsers (Enze Han & Christopher Paik) onderzocht de relatie tussen het aantal religieuzen en het aantal incidenten per streek. Hun studie ging over de lente van 2008, toen in Lhasa zich het gekende oproer voordeed. Dit sloeg over naar de periferie, onder meer naar Aba. District per district vergelijken zij het aantal protestacties met het aantal monniken dat er woont. Hun conclusie is radicaal: de kloosters zijn “kernen van politieke onenigheid en nationalisme”.  

daoch74.JPG

 In verband met het theologisch boeddhistisch debat over zelfverbranding is er nog een element het vermelden waard. In het Tibetaanse pantheon zijn er godheden, die het ‘kwade met vuur bekampen’. De godheid Mahakala (Gonpo Maning in het Tibetaans) trekt, omgeven door een vlammenzee, ten strijde tegen het kwade.  (eigen foto, Daocheng of Dabba in West-Sichuan, 2007). In zijn memoires schrijft de dalai lama dat het zijn favoriete meditatie-godheid is. In alle tempels in de Tibetaanse gebieden in China zijn er afbeeldingen van Mahakala te zien. De monniken zijn ermee vertrouwd. Het ‘kwade’ wordt gemakkelijk de communistische partij in Tibet en aanpalende gebieden. Daar kan China door verplichte ‘patriottische opvoeding’ in de kloosters proberen een dam tegen op te bouwen, maar een zeker religieus fanatisme gekoppeld aan nationalistische eisen is een moeilijk te counteren fenomeen. De verplichte leergang over ‘wettelijkheid’ wordt als beperking van de religieuze vrijheid ervaren en/of als dusdanig aangeklaagd door de nationalisten in het buitenland.

De kloosters waren centra van Tibetaans nationalisme en zijn dat nog. Bovendien hebben zij een groot religieus aanzien bij de bevolking. De invloed vanuit het buitenland, vanuit de Tibetaanse uitwijkelingen in Indië en vanwege de wereldwijde steungroepen voor een quasi onafhankelijkheid van ‘Groot Tibet’, verhoogt de spanning ter plaatse.

De Tibetaanse gebieden in China waren gedurende de volledige 20e eeuw een internationaal strijdperk[10] en lijken dat nog een tijd te blijven. De Westerse mogendheden en media zijn daarbij betrokken. De Tibetaanse diaspora evengoed, met op kop de omgeving van de dalai lama. China wil hoofdzakelijk zijn territoriale integriteit bewaren, alles vertrekt daarvan. De middelen, die China inzet om multicultureel te blijven, zijn wellicht niet altijd de beste en irriteren een deel van de bevolking.  

 

 


 

[1] International Campaign for Tibet, een wereldwijde ONG met basis in Washington en gul gesubsidieerd door de VS-overheid en door enkele invloedrijke “Foundations” in de VS. ‘Radio Free Asia’ en een groot deel van de Europese pers neemt die informatie over.

[2]een volk uit het noorden van het hoogplateau dat door het Tibetaanse rijk van de 8e eeuw verdreven werd naar lagere gebieden in Sichuan)

[3]Behoorden tot het ‘Groot Tibetaanse Rijk’ van de 8e-9e eeuw, maar werden nadien niet meer door Lhasa bestuurd.

[4] Mathew Kapstein, een befaamde tibetoloog, schat het aantal Tibetaanse religieuzen op meer dan 100.000 (2004, p230). 

[5]Zowel reizende antropologen in het begin van de 20e eeuw als sociologen in het begin van de 21e eeuw stelden dit vast.

[6] Zelfs merkbaar op de foto’s van de zelfverbrandingen die op het net gepost werden.

[7] Dat Tibet een deel van China was werd door alle grote mogendheden van toen (inclusief het pas onafhankelijke Indië) onderschreven.

[8] Waar de dalai lama over heerste.

[9] Zie « Buddha’s Warriors », Mikel Dunham, Tarcher-Penguin Books, 2004.

[10] Zie de gedetailleerde werken van Melvyn Goldstein, op basis van de geschriften van het Engelse en het Amerikaanse ministerie van buitenlandse zaken en op basis van de correspondentie van Lhasa in die tijd, voor de periode 1913-1956.

 

12:47 Gepost door infortibet in rellen | Permalink | Commentaren (0) | Tags: tibet, monniken, kloosters, onafhankelijkheid, dalai lama, china

03-08-11

Familieafstammelingen van de 13e dalai lama in Lhasa

 

Thubten Gyatso, de 13e dalai lama (1876-1933), was drie jaar oud toen hij aangeduid werd als reïncarnatie van de vorige dalai lama en op de troon in Lhasa geplaatst werd.

 

De 13e dalai lama zou, net als de 5e dalai lama (1617-1682), een grote invloed hebben op de politieke ontwikkeling van Tibet. Alle andere ‘nummers’ van dalai lama’s hadden dat niet. Het was de 13e dalai lama, die, met de steun van Engeland, Tibet onttrok aan de controle van Beijing gedurende 20 à 30 jaar in de eerste helft van de 20e eeuw.

 

 

 

De 13e dalai lama was geboren in het dorp Langdun, iets ten oosten van Lhasa. Zoals gebruikelijk bij het vinden van een nieuwe dalai lama werd zijn volledige familie naar Lhasa overgebracht en kreeg er de adelstand en het bezit van landbouwnederzettingen verspreid over Tibet. Het waren er vijftien, met iets meer dan duizend boeren eraan verbonden. Algemeen in Tibet waren alle landbouwgronden in die tijd eigendom van een 200-tal adellijke families en van de kloosters, waarvan de hoogste lama’s tot diezelfde families behoorden. De helft tot drie vierde van die gronden diende rechtstreeks voor de bevoorrading van de adel en de kloosters.[1] Daar moesten de boeren bij voorrang en gratis op werken. De rest van de velden diende voor het zelfonderhoud van de boeren. Het spreekt vanzelf dat de elite een rijk uitgerust kon leven, naar de normen van die tijd: zijden Chinese kledij, exotische sieraden, een grote villa met knechten en Engelse importproducten. Zo viel het de familie van de 13e dalai lama te beurt.[2]

 

 

 

Van de regentes in Beijing, half-keizerin Cixi, kreeg de familie zoiets als een ‘hertog’ titel, ‘hertog van Langdun’. Beijing was toen nog mee in het spel. De naam ‘Langdun’ bleef dan figureren in de familienaam van de leden. Langdun Kunga Wanchuk (1907-1981) was een neef van de 13e dalai lama en vanaf zijn 21 jaar (in 1928) werd hij door hem benoemd als ‘nummer twee’ in Tibet, een soort eerste minister of eerste secretaris rechtstreeks onder de dalai lama. Een foto van hem, prima uitgedost in zijden kledij, is te vinden in de archieven in Lhasa.[3] Het zijn de afstammelingen van deze Langdun Kunga Wanchuk die nu nog in Lhasa wonen.

 

 

 

Normaal had hij na de dood van de 13e dalai lama in 1933 het regentschap van Tibet moeten waarnemen, maar de toenmalige leiders en invloedrijke families van Tibet oordeelden dat hij te jong, te onervaren en geen sterke figuur was. Voor de post was er een concurrentiestrijd aan de gang tussen enkele belangrijke families, met complotten, arrestaties en enkele moorden. Langdun Kunga Wanchuk werd in elk geval uitgesloten. Uiteindelijk werd de ‘lottrekking uit de urne’ gekozen om de regent aan te duiden, een methode opgelegd door Beijing sinds de 18e eeuw, precies om bloedige concurrentie te vermijden. De regent werd de abt van het Reting klooster.[4] Een tijdlang was Langdun Kunga Wanchuk medebestuurder van Tibet samen met de Reting rinpoche, maar deze laatste verwijderde hem van de post in 1938 om alleen te heersen.[5]

 

 

 

Zoals bijna de volledige Tibetaanse elite was de Langdun familie akkoord met het herstel van de Chinese soevereiniteit over Tibet in 1951, toen het Rode Leger Lhasa bereikte. Een leeg pand van hun villa’s stelden ze ter beschikking van de legerleiding. Communicatie met de officieren verliep via zijn drie kinderen, die Engels gestudeerd hadden in India. Ook dat was een kenmerk van de Tibetaanse elite van toen: de kinderen kregen een ‘Engelse’ opleiding in India.

 

 

 

‘Typische collaborateurs’, zeggen de aanhangers van de 14e dalai lama. In elk geval, de familie Langdun, familie van de 13e dalai lama, schaarde zich niet aan de zijde van de Tibetaanse opstandelingen in 1959 en zij bleven in Tibet, zij gingen niet vluchten naar India, na de mislukte opstand. Met de landhervorming in 1959 verloren zij hun gronden, hun boeren en hun knechten, maar zij kregen wel bestuursposten. De oudste dochter van Langdun Kunga Wanchuk werd vicedirectrice van de traditionele Tibetaanse Opera. Zijn oudste zoon werd vicedirecteur van de Tibetaanse TV. Hijzelf werd lid van de regionale Consultatieve Conferentie en publiceerde werken over de traditionele Tibetaanse geneeskunde.

 

      

 



[1] M. Goldstein, « A History of Modern Tibet, 1913-1951, University of California Press, 1989.

[2] Charles Bell, « Portrait of a dalai lama », Collins, London, 1946.

[3] En.tibetmagazine.net

[4] Goldstein, idem.

[5] Goldstein, idem.

 

18:40 Gepost door infortibet in geschiedenis 20e eeuw | Permalink | Commentaren (0) | Tags: tibet, dalai lama, china

16-05-11

Chronologische tabel Tibet

3000 v.Chr

Oudste gevonden landbouwnederzetting, Karub nabij Qamdo.

 

????

Legendarische koning Gesar en de Ling staat.

 

?e eeuw v.Chr. tot in de 7e eeuw na Chr.

Zhangzhung cultuur, in de omgeving van de Kailash berg.

 

4e of 2e eeuw v.Chr.

Legendarische koning Nyatri Tsanpo, in de Yarlung vallei.

 

5e eeuw

Koning Lhatotori Nyentsen en de eerste boeddhisme-import, vanuit Kashmir.

 

 

630 – 846 Tubo koningen, regeerperiodes

 

630-649

Songtsen Gampo, met de Chinese prinses Wencheng en de Nepalese Bhrikuti. Beide prinsessen brengen het boeddhisme mee binnen.

 

649-655

Gungri Gangtsen, verovert Tuyuhunië in 653.

 

655-676

Mangang Mangtsan, verpletterende nederlaag in 670 voor een Tang leger in Qinghai.

 

676-704

Dusong Mangpoje, dringt door ten noorden op de Zijderoute, soms verslagen door, soms gewonnen van de Tang legers. Aanval op het zuidoostelijke Nanzao afgeslagen, de koning sneuvelt.

 

704-755

Tride Tsukten, was nog kind toen zijn vader sneuvelde. Zijn grootmoeder bestuurt een tijd het rijk. Hij huwt met de Chinese prinses Jincheng.

 

735

Vredesverdrag Tubo-Tang, dat aan de Tubo West-Sichuan, Gansu en de Zijderoute geeft.

 

750

De Tubo worden door de Arabieren uit de oases van de Zijderoute verjaagd. Nanzhao wordt vanaf 752 bondgenoot van de Tubo, tot einde 8e eeuw.

 

755-797

Trisong Detsen, zoon van Tride Tsukten en prinses Jincheng. Padmasambhava, een Indiase guru, vindt bij hem asiel tegenover de oprukkende islam in India. Brengt het tantrisme in het Tibetaanse boeddhisme. Ontstaan van de Nyingma school. Eerste klooster in Tibet: het Samye klooster, ten oosten van Lhasa. Onder Trisong Detsen wordt het Tibetaanse rijk uitgebreid tot 'Groot Tibet', tweemaal zo groot als het huidige Tibet. 

 

763

Tijdelijke bezetting door de Tubo van Chang’an, de hoofdstad van de Tang dynastie.

 

787

Nieuw vredesverdrag tussen Tubo en Tang, Bevestiging dat het volledige westen aan de Tang invloed ontsnapt.

 

797-815

De militaire greep op het rijk verzwakt. Drie koningen volgen elkaar snel op.

 

815-838

Ralpachen (of Tritsug Dechen). Bepertkt de invloed van de lekenadel ten voordele van de geestelijken. Wordt vermoord door bon aanhangers.

 

823

Een laatste verdrag tussen Tubo en Tang. Invloedssferen blijven.

 

838-846

Langdarma, broer van Tritsug Dechen. Inperking van de macht van de monniken.Op zijn beurt vermoord. Einde van het rijk. 

 

 

Vier eeuwen versnippering

 

847-869

Slavenopstanden in het uiteenvallende rijk. Langzaam begin van het landheren en lijfeigenensysteem.

 

9e eeuw tot 17e eeuw

Guge koninkrijk in Ngari, in het westen. Atisha, een Bengaalse guru, begon er in 1042 de kadam school. Importeert de kalachakra openbaringstekst. Wordt uitgenodigd naar de streek van Lhasa, waar hij in 1056 het Reting klooster in sticht.

 

1038-1227

Xixia koninkrijk in het noordoosten (huidige provincies Qinghai, Gansu, Ningxia). Tanggut bevolking is een vermenging van Turcomongolen, Tibetanen, Han en Tu.

 

1073

Ontstaan van de sakya school, in het stadje Sakya, met steun van de Khon familie.

 

12e eeuw

Milarepa geeft de aanzet voor de kagyu school.

 

1162-1227

Genghis Khan begint aan zijn veroveringstocht. Vernietiging van het Xixia koninkrijk in 1227.

 

1234

Noord-China wordt door de Mongolen definitief ingelijfd. Zuid-China, de Zuidelijke Song dynastie, zal nog weerstand bieden tot in 1279.

 

1239

Klein Mongools verkenningsleger, onder leiding van Godan, naar Tibet. Besprekingen met de sakya school voor vreedzame onderwerping in ruil voor lokale macht.

 

 

Eerste Mongoolse periode (1252-1368)

 

1252

Tibet wordt bij het Mongoolse rijk ingelijfd. Pagpa, de leider van de sakyapa, wordt door de Mongolen aangesteld als afgevaardigde bestuurder van U en Tsang of Centraal-Tibet.

 

1260-1294

Regeerperiode van Kublai Khan, die zich in 1271 tot keizer van China uitroept (Yuan dynastie).

 

1264

Oprichting in Beijing van de “centrale commissie voor boeddhistische zaken en Tibet”.

 

1333-1368

Shundi, de laatste keizer van de Yuan dynastie, bevestigt de Phagmodrupa familie, die de sakyapa versloegen, als bestuurders voor Centraal-Tibet.

 

 

Phagmodrupa administratie (1345-1478)

 

1354

Vernieling van het Sakya klooster en definitieve uitschakeling van de sakya administratie. De hoofdstad voor Centraal-Tibet (U en Tsang) wordt Nedong. Ontstaan van de phagdru-kagyu school. In het westen is Guge nog steeds onafhankelijk.

 

1407

De Ming dynastie (1368-1644) begint met het instellen van titels voor Tibetaanse geestelijke en wereldlijke leiders in Centraal-Tibet. De titel “Dharma Prins” is de hoogste graad. De Ming bevoordelen geen van de diverse scholen of families. In de grensgebieden (huidige andere provincies) benoemen de Ming rechtstreeks “tusi’s”, lokale leiders.

 

1409

Stichting in Lhasa van het Ganden klooster door Tsongkapa (1357-1419), met de steun van de Phagmodrupa familie. Begin van de gelug school (gele mutsen). Volgen het Drepung klooster in 1416, Sera in 1419, beiden in Lhasa en het Tashilumpo klooster in Xigaze.

De landeigendom wordt nauwkeuriger omschreven, het lijfeigenschap krijgt meer regels. De kloosters verwerven gronden en lijfeigenen.

 

 

Ringpung administratie (1478-1565)

 

Een andere familie verovert militair de macht in Centraal-Tibet. Sakya wordt hun hoofdstad. Zij bevoordelen de karma-kagyu school.

 

 

Tsangpa administratie (1565-1642) en de Tweede Mongoolse periode (1573-1717)

 

Opnieuw een oorlogje en de Tsangpa familie grijpt de macht, met Xigaze als hoofdstad. De Karma-kagyupa worden door de Tsangpa familie zeer sectair opgejaagd tegen de gelugpa.

 

1573-1578

Althan Khan (1507-1582), een Mongoolse leider uit het noorden van China, valt Tibet binnen. Hij beschermt de gelugpa en verleent in 1578 de titel “dalai lama” aan de derde abt van het Drepung klooster.  

 

1589

De kleinzoon van Althan Khan wordt de vierde dalai lama.

 

1600 ongv.

De Tsangpa regeerders doen beroep op de Chogtu Mongolen uit het westen van China om de gelugpa te bekampen.

 

1605

Het Drepung en het Sera klooster in Lhasa worden volledig vernield door het Tsangpa leger.

 

1639

Gushri Khan (1584-1655), een Mongools leider uit het noordwesten van China verslaan de Chogtu Mongolen in Qinghai en komen in Tibet de gelugpa ter hulp.

 

1642

De Tsangpa heersers worden definitief verslagen door Gushri Khan. De 5e dalai lama (1617-1682) krijgt de lokale politieke macht over Centraal-Tibet. Gushri Khan blijft zijn meerdere, de “depa”, een soort president. Na de dood van Gushri Khan wordt de “depa” een Tibetaanse hoge lama. De hoofdstad wordt Lhasa. De 5e dalai lama verovert het koninkrijk Guge in het westen en dringt in het oosten door tot in Sichuan.

 

1645

Gushri Khan verleent de titel van “panchen lama” aan de abt van het Tashilumpo klooster.

 

De Qing dynastie (Manchu) (1644-1911)

 

1652

De 5e dalai lama wordt in Beijing door Qing keizer Shunzhi erkend als leider voor Tibet.

 

1697-1705

Korte regeerperiode van de 6e dalai lama, de “frivole”.

 

1705

Lajang Khan, de achterkleinzoon van Gushri Khan, probeert zijn zoon als 7e dalai lama te installeren.

 

1713

Qing keizer Kangxi (regeerperiode 1661-1722) bevestigt de titel van “panchen lama”.

 

1717-1720

De Dzoungaren bezetten tijdelijk Tibet. Lajang Khan sneuvelt  De Dzoungaren worden in 1720 door de Qing troepen verdreven. Polhanas, een niet-geestelijke, wordt aangesteld als lokale leider van Tibet. De Qing troepen escorteren de echte 7e dalai lama naar Lhasa, die geen wereldlijke macht krijgt.

 

1727

Burgeroorlog in Tibet, tussen U en Tsang. De Qing legers herstellen de orde, Polhanas blijft aan tot in 1747. De grenzen van Tibet worden door de Qing vastgelegd op wat ze nu ongeveer zijn.

 

1736-1795

Regeerperiode van Qing keizer Qianlong, die tal van kloosters in Tibet en in de randgebieden sponsort.

 

1747-1756

Nieuwe burgeroorlog in Tibet, met inmenging van de Dzoungaren. Een Qing leger komt opnieuw de orde herstellen en vernietigt de Dzoungaren in 1756.

 

1751

Instelling van de Kashag, de ministerraad voor Tibet. Afschaffing van het “depa” systeem.

 

1774

Eerste Engelse verkenning van Tibet, de “Bogle missie”.

 

1791

De Qing legers verdrijven een Nepalese Gurkha invasie uit Tibet.

 

1793

De Qing stellen een lijst van 29 reglementen op voor Tibet. Een driemanschap moet voortaan Tibet besturen: de commissaris van de keizer (amban), de dalai lama en de panchen lama. Reïncarnaties van belangrijke hoge lama’s moeten door de keizer bekrachtigd worden.

 

1808-1879

De 9e tot en met de 12e dalai lama sterven allen jong, nog voor ze werkelijke macht hebben.

 

1846-1864

Engeland ontneemt Ladakh, Sikkim en Bhutan aan de Tibetaanse invloed.

 

1879

De jonge 13e dalai lama (1876-1933) komt op de troon.

 

1897

Dorjieff, een Buriat Mongool en contactman met tsaristisch Rusland wordt de raadgever van de 13e dalai lama.

 

1904

Het Engels leger bezet tijdelijk Tibet. De 13e dalai lama vlucht naar Mongolië, later naar Beijing. Keert in 1909 terug naar Lhasa, maar vlucht dan naar Engels India, door naderende Qing troepen.

 

De Republiek China (1911-1949

 

1911

Val van de Qing dynastie in China en uitroeping van de Republiek China.

 

1913

De 13e dalai lama keert terug naar Tibet. Alle Han Chinezen worden uit Tibet verdreven. De facto onafhankelijkheid van Tibet.

 

1913

Simla conferentie, met Engeland, Tibet en China aan tafel. De kaart van Groot Tibet wordt naar voor geschoven door de 13e dalai lama. Engeland ontneemt Arunachal Pradesh aan Tibet. China verwerpt het verdrag.

 

1918

De 13e dalai lama herovert Oost-Tibet. Een overeenkomst legt de grens vast op de Yangzi, zoals voor het huidige Tibet.

 

1933-1950

Na de dood van de 13e dalai lama is de Tibetaanse adel verdeeld: Engeland of China? Regent Reting (1933-1941) schipperend, regent Taktra (1941-1950) pro-Engels.

 

1940

De huidige 14e dalai lama (geboren in 1935) wordt officieel op de troon gezet.

 

1942

Eerste Amerikaanse missie in Tibet (Dolan, Tolstoy). Gouden horloge voor de dalai lama.

 

 

De volksrepubliek (vanaf 1949)

 

1949

Uitroeping van de Volksrepubliek China.

 

1951

Het Rode Leger marcheert op Lhasa. Eerste plannen voor ballingschap van de 14e dalai lama. Hij aanvaardt echter, samen met de Kashag, het “17 punten programma” van China. Zijn twee broers vluchten en worden gerekruteerd door de CIA.

 

1956

Begin van de Tibetaanse opstand in West-Sichuan. Eerste wapenhulp van de USA in 1957.

 

1958-1959

De opstand bereikt Lhasa. De 14e dalai lama laat zich ompraten om in ballingschap te gaan. Het Chinese leger slaat de opstand neer.

 

1960

Afschaffing van het lijfeigenensysteem.

 

1959-1972

Guerrilla activiteiten in Tibet gesteund door de USA.  

 

Vanaf 1972

Internationale kruistocht van de 14e dalai lama voor vrede, vrijheid, mensenrechten, democratie en min of meer onafhankelijkheid van Tibet.

20:21 Gepost door infortibet in geschiedenis algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Tags: tibet, dalai lama, china, engeland, usa

De « onafhankelijkheidsverklaring van Tibet » door de 13e dalai lama (op post in Lhasa van 1879 tot 1933)

“Ik ben met mijn ministers uit Lhasa gevlucht naar de grens met Indië. Tegelijk zond ik een telegram naar de Manchou keizer om duidelijk te stellen dat de relatie, die bestond tussen Tibet en China, er een was van ‘priester-beschermheer’, dat zij niet gebaseerd was op de onderwerping van de een door de ander. Ik had geen andere keuze dan de grens over te steken want de Chinese troepen zaten mij op de hielen met de intentie van mij te pakken te krijgen, dood of levend.” (13e dl, februari 1913).

 

Bij de ondergang van het Chinese Manchou keizerrijk, begin 20e eeuw en door de groeiende aanwezigheid van de Europese mogendheden in de regio, zocht de 13e dalai lama een nieuwe ‘beschermheer’. Hij reisde te paard naar Ulaan Bator (Mongolië), naar Beijing en naar Darjeeling (Engeland). Hij had ook een Russische raadgever en een Japanse. Hij was verre van een primitieve naïeveling, afgesneden van de wereld. Toen het Manchou regime viel in China in 1912 koos hij de zijde en de hulp van Engeland om het Chinese leger uit Tibet (in zijn actuele grootte) te verdrijven. Terloops gezegd, deze uitdrijving ging gepaard met het verbannen of het stenigen van Tibetaanse vrouwen, die met Chinezen getrouwd waren.[1]

  

Ter herinnering: het Manchou leger trok in 1910 Tibet binnen, tot in Lhasa, om er “de orde in de handel te herstellen”. De 13e dalai lama vreesde voor zijn leven en vluchtte naar Darjeeling. In 1913, na de val van het Manchou regime, keert hij terug en hij schrijft een brief voor alle functionarissen – leken en monniken – in Tibet. De boodschap is: ‘ik ben terug en de macht in Tibet behoort mij toe.’ Drie vierde van de rondzendbrief handelen over het herstellen van de orde in Tibet: anti-corruptie, tegen lokaal machtsmisbruik, enz. En het ging over de regio Tibet in zijn huidige grootte. Hij schrijft namelijk: “de Chinese autoriteiten van Sichuan en Yunnan hebben getracht om ons land te koloniseren.” Met “ons land” bedoelt hij duidelijk het huidige Tibet, niet het ‘Grote tibet’ van de 8e eeuw. Er is ook nergens sprake van ‘Amdo’ of de provincie Qinghai, dat de huidige voorstanders van een onafhankelijk Tibet als ‘Tibet’ bestempelen. De troepen van de 13e dalai lama verdreven de Chinese troepen – een bestuurloos regiment van het gevallen Manchou regime – to voorbij de Yangzi rivier, wat nu nog de grens is van het ‘autonome’ Tibet. De notie ‘Groot-Tibet’ verscheen slechts een half jaar later, tijdens de Simla conferentie, samen met de Engelsen en de nieuwe Chinese Republiek. In het voorstel van de 13e dalai lama kan men daar lezen: “gebaseerd op de geografische kaarten van de Engelsen, is er Tibet en moet er daarenboven een bufferzone komen (met China)”.

Terug naar de brief aan al zijn onderdanen. Met die brief wou de 13e dalai lama vooral zijn autoriteit in Tibet herstellen, ten aanzien van alle functionarissen, na zijn drie jaar afwezigheid. Hij had geen vertrouwen in de revolutionaire republikeinse ideeën die China omwentelden. Het systeem houden zoals het was in Tibet – feodaal – was zijn hoofdbekommernis. Hij bespeelde de buitenlandse ‘sterken’, zoals Engeland en Japan, om dat doel te dienen. Voor die nieuwe ‘beschermheren’ was hij geen ‘spirituele raadgever’ meer, maar hij kreeg er wel wapens van.

 

De brief aan zijn ‘onderdanen’ was geen onafhankelijkheidsverklaring die hij bij de ‘sterke machten’ van toen te berde bracht. Die omzendbrief ging niet richting Engeland, Beijing noch Japan noch Mongolië noch enig ander land.

Er stond wel de zin in: “wij zijn een kleine natie, religieus en onafhankelijk”, gericht aan de Tibetanen in Tibet. De huidige voorstanders van onafhankelijkheid van tibet stellen: “de 13e dalai lama had geen notie van de regels van de internationale diplomatie.” (A.M. Blondeau, France). Dat is hem flink onderwaarderen. Hij had gereisd in Azië, hij had contacten met de ‘groten’. Trouwens, de Engelsen, die het flink voor het zeggen kregen in die periode in Tibet, beweren het tegenovergestelde.

 



[1] « Histoire du Tibet », Laurent Deshayes, Fayard, 1997, page 267. De volledige tekst van de brief van de 13e dalai lama is terug te vinden aan het einde van het boek.

20:02 Gepost door infortibet in geschiedenis 20e eeuw | Permalink | Commentaren (0) | Tags: tibet, dalai lama, onafhankelijkheid, china

08-12-10

Tibet: een schat van mineralen

‘Tibet support’ groepen beschuldigen China: het zou  tal van kostbare ertsen uit Tibet ‘wegroven’. De term ‘wegroven’ op zichzelf is betwistbaar want men gaat uit van de premisse dat Tibet geen deel van China zou zijn. Hoe kan je immers in eigen land iets ‘wegroven’? Werden de kolen van Limburg weggeroofd voor het Waalse staal? Verder hebben de ‘Tibet support’ groepen het steeds over ‘Groot Tibet’, de maximale omvang van  een historische rijk  dat al meer dan 1000 jaren verdwenen is. Dat territorium omvat het gehele Aziatische hoogplateau, vijf maal Frankrijk, het dubbele van het huidige Tibet. De uitgestrektheid, het klimaat, de moeilijkheden van het terrein en de onderontwikkeling van China belemmerden tot nu een ernstige ontginning. Nu is nog niet de helft van de ondergrond van het plateau geologisch in kaart gebracht. Een recent onderzoek, dat een duizendtal experts mobiliseerde gedurende zeven jaar, vond belangrijke ertsaders verspreid over het gehele hoogplateau: vooral koper, lood, zink en enkele grote lagen rijk ijzererts, waarvan de voorraad op enkele honderden miljoenen ton geraamd wordt.[1] De overheid wil de ontginning gepland en voorzichtig aanpakken, gekoppeld aan een ecologische impactstudie. Vele kleine artisanale mijnen werden de laatste jaren gesloten omdat ze de milieunormen niet naleefden.

Dit artikel gaat over de mijnen in Tibet zelf.[2]

De mijnen zijn belangrijk voor Tibet, want ze zijn lokaal belastingplichtig[3], en zullen aan belang winnen, want ze zijn strategisch belangrijk voor China. Voor Tibet vertegenwoordigen zij 27 % van de totale industriële productie. De weinige operationele mijnen geven de regionale staatskas per jaar ongeveer 15 miljoen euro aan belastingen, dat is 6 % van de lokale inkomsten. Zowat 7000 mensen zijn in de mijnindustrie tewerkgesteld, arbeiders, bedienden en kaders samen.[4] Dit laatste alleen al getuigt van de kleine omvang van de mijnindustrie in dit zeer grote gebied.

 Chroom

Er zijn voornamelijk twee mijnen van enig belang momenteel in Tibet. De oudste is de Chroommijn Luobusa, opgestart in de jaren 1980 in het departement Shannan, ten zuidoosten van Lhasa. De mijn is integraal eigendom van Tibet Mining Development, een regionale staatsonderneming, zodat niet enkel de belasting op de winst naar de regionale kas gaat, maar ook de winst zelf. Twee derde van het in China ontgonnen chroom komt uit die mijn. Maar dat volstaat slechts voor 2 % van China’s actuele behoefte. De rest voert China in uit Zuid-Afrika, Kazakstan en Indië.[5] 

 Koper

De tweede mijn van belang is de Yulong kopermijn, in Oost-Tibet nabij de stad Qamdo, zeer recent opgestart, in 2008, met een kleine productie van 2000 ton.[6] De mijn zal echter de tweede grootste van Azië worden.[7] In 2011 zal de jaarproductie 30.000 ton bereiken.[8] De totale reserve ginder wordt geschat op 16 miljoen ton kopererts. Eigenlijk bitter weinig, vergeleken met wat China jaarlijks aan koper invoert: 4 miljoen ton.[9]  De Yulong mijn is een investering van drie Chinese (staats)mijnondernemingen: Qinghai West Mining (58 % van de aandelen), Zijin Mining Group (22 %) en Tibet Mining Development (20 %). Totale investering: 500 miljoen euro.[10]

Voor het ontginnen van koper staan nog een aantal andere kleinere projecten op stapel, maar daar is nog niets voor gedaan. Eén ervan is vrij dicht bij Lhasa, op 70 km, in het kanton Medrogungkar.

 Andere mineralen

 Uranium

Vooreerst het verhaal van het uranium. China heeft in 2007 een handelsovereenkomst voor de invoer van uranium afgesloten met Australië, dat 40% van de gekende werelduraniumvoorraad in zijn ondergrond heeft.[11] Tot op vandaag koopt China zijn uranium, jaarlijks 1.500 ton, in Kazakstan en Canada. De Chinese maatschappij voor atoomenergie onderhandelt ook in Afrika over deelname in mijnen. In Tibet zelf is geen enkele uraniummijn en zijn ook geen ertslagen gevonden. Het enige uranium in Tibet zit in de zoutmeren, als zoutverbinding, in kleine concentraties van enkele gram per liter. Het zou kunnen dat het straks in combinatie met lithium (zie verder) uit het Zhabuye meer gewonnen zal worden, maar dat is niet duidelijk want de techniek staat nog niet op punt, volgens het Internationaal Atoomagentschap.[12]

Toch spreekt de administratie van de dalai lama over ‘rijke en onontgonnen lagen uranium, wellicht de grootste ter wereld’[13] in de provincie Qinghai, die volgens haar deel uitmaakt van Tibet. De 14e dalai lama suggereert indirect dat al dat uranium onbeperkt opgedolven wordt: ‘Mijn land wordt een ecologische ramp door de massale ontbossing en door het excessieve delven naar mineralen’.[14] De dalai lama specifieert niet over welke mineralen het gaat. Maar Tibet Environmental Watch (USA), het Canada Tibet Committee, het Belgische De Vrienden van Tibet en andere organisaties hebben het over ‘ongebreidelde extractie van uranium in wel twintig mijnen (…) de voornaamste bron voor de Chinese nucleaire industrie’.[15] Ook ernstige Belgische journalisten stappen mee in dat verhaal: ‘De bergen die de heilige stad Lhasa omringen, zouden de helft van de wereldreserves van uranium bevatten. Dit en andere ertsen worden overvloedig geëxploiteerd.’[16] Het uranium zou dienen ‘om bommen te maken’ en tegelijk zou massaal radioactief afval in Tibet worden gedumpt. De Chinese overheid houdt het bij één afgedankte ondergrondse opslagplaats voor kernafval buiten de autonome regio Tibet, nabij het Qinghai meer. Dat is ook de enige concrete plaats die de regering van de 14e dalai lama vermeldt.[17] Het uraniumverhaal dateert van 1950. Het stond in een rapport van het Britse Foreign Office dat wereldkundig werd gemaakt door Lowell Thomas. Die was op dat moment in Lhasa actief als journalist voor het Amerikaanse NBC.[18]

DSCN2612.JPG

 

 Een artisanaal "gat" om jade stenen op te delven

 

 Goud

En dan zijn er de verhalen over het overvloedige goud. Volgens een studie in 1939 van het Geologisch Bureau van China waren ongeveer 3.000 goudzifters aan het werk in de regio Yongsheng van de Jinsha rivier, de bovenloop van de Yangzi. “Jin” en “Sha” betekenen “goud” en “zand”. Het zand op de oevers werd gezift. De jaarlijkse totale productie van al die mensen bedroeg…50 kg.[19]

In de jaren tachtig werd het toerisme in Tibet volkomen vrij en het hippe Kathmandu verplaatste zich naar Lhasa. Minder spiritueel waren de duizenden goudzoekers, Han Chinezen en Tibetanen, die op het plateau een paar gram goud wasten uit de riviersteentjes. Zij kampeerden er enkele maanden en wonnen er dan elk enkele honderden euro. Veel van die gebieden werden sindsdien natuurreservaat en de goudrush is dan ook gestopt. In het oude Tibet diende de exploitatie van kleine goudaders hoofdzakelijk voor de bekleding van religieuze beelden, stupa’s en tempeldaken. Er was een weeg- en rekenhof voor het goud onder het gezag van de functionaris van financiën van de dalai lama’s. Een kleine hoeveelheid goud werd opgeslagen als betaalreserve. Toen die reserves ongeveer op waren door de verhoogde uitgaven voor het leger tijdens het bewind van de 13e dalai lama, ging een Tibetaanse missie in Londen goud kopen met een lening. Voor de gouden troon van de huidige 14e dalai lama werd in 1956 eveneens goud buiten Tibet aangekocht, en wel met de opbrengst van een inzameling onder alle gelovigen.[20]

Om riviervervuiling te voorkomen zijn in 2003 de milieunormen voor goudwinning in China streng verscherpt. Toch beschuldigt de regering in ballingschap van de 14e dalai lama de centrale overheid ervan duizenden tonnen goud uit de Tibetaanse ondergrond te stelen en daarvoor tienduizenden Chinese migrantwerkers te gebruiken.[21] Er wordt daarbij verwezen naar potentiële en echte mijnen in de provincies Qinghai en Gansu, zonder die mijnen bij naam te noemen. De 14e dalai lama toonde zich bezorgd omdat de Chinese overheid ook buitenlandse investeerders toelaat goud te zoeken, het culturele erfgoed te grabbel te gooien als het ware, want goud was destijds bestemd voor de kloosters.[22] Onder andere een Canadees en een Australisch bedrijf tekenden in. De overheid wil namelijk overal op Chinees grondgebied de artisanale ontginning van goud technologisch rechtzetten en doet daarbij beroep op de hulp van het buitenland. Die hulp is beperkt, ze bedraagt enkele tientallen miljoenen euro.[23] Ondertussen zijn in Tibet zelf alle goudwinningen stopgezet sinds de opnieuw verstrengde milieunormen van oktober 2005.[24]

Voor China zijn de belangrijke strategische mineralen in Tibet: chroom, koper, magnesium, lood en zink.[25] Er zijn grote aders van ijzererts in Tibet, maar er bestaan gemakkelijker sites in het binnenland van China.[26] Een consortium van ondernemingen onder leiding van Chalco, een Chinees aluminiumbedrijf, voorziet de ontginning van zink en lood in Oost-Tibet, in de regio rond de stad Qamdo. Qamdo wordt de komende vijf jaar uitgebouwd als basis voor non-ferro metalen. 

Er zijn een paar duizend vindplaatsen van mineralen ‘ontdekt’, minder dan 1 % ervan is verder onderzocht. Buiten de twee genoemde grote mijnen zijn er nog een 70-tal zeer kleine mijnondernemingen in Tibet. Slechts ongeveer 10 % daarvan kreeg een productietoelating.[27] De enige koolmijn is sinds 2006 op inactief gesteld.[28]

Lithium voor elektrische wagens

Een project dat vrij vlug van start lijkt te gaan is de winning van lithium in een groot zoutmeer, het Zhabuye meer. De voorraad lijkt er groot en de afnemer wordt een lithiumbatterijproducent BYD uit Shenzhen, die zich meteen voor 18 % inkocht in de toekomstige ontginning.[29] De hoofdaandeelhouder is Tibet Mineral Development (51 %), een regionale staatsonderneming. De lithiumwinning wordt er de grootste van China.

En is er petroleum?

Er is olie gevonden in Tibet zelf. In het Lhunpola bekken in Noordwest-Tibet. Naar schatting 100 miljoen ton. Exploitatie is nog niet begonnen.[30] Tibet verbruikt momenteel 150.000 ton olie per jaar.

De benzine en de diesel voor Tibet komen integraal uit het Qaidam bekken, in het noordwesten van de Qinghai provincie. Qaidam is een barre, dunbevolkte halfwoestijn op 3000 meter hoogte en vijf maal groter dan België. De olie die er wordt gewonnen, vloeit via een lange pijplijn – de hoogste ter wereld − naar Tibet.

Ecologie

Het toezicht op de ecologische impact van mijnen is flink versterkt in Tibet. De centrale overheid vraagt een gedetailleerde voorstudie. Buitenlandse waarnemers, informanten voor buitenlandse deelname in de investeringen, waarschuwen daarvoor: ongeveer 30 % van het investeringsbedrag gaat naar het verzekeren van ecologisch verantwoorde omstandigheden.[31] Zij voegen er aan toe dat dit flink meer is dan in de rest van China.

Als afsluiter misschien nog dit: de Tibetaanse ondergrond staat open voor buitenlandse wetenschappers. China maakt er dus helemaal geen geheim van. Een voorbeeld is de chroommijn van Luobusa. Blijkt dat er daar ook ‘mineralen ontstaan onder hoge druk’ gevonden zijn. Het bekendste voorbeeld daarvan is diamant. Maar ook legeringen van nikkel-ijzer-chroom-koper of magnesiumsilicaten en nog bijzonderheden. Kortom, rare dingen, die daar eigenlijk geologisch niet thuishoren, veel ouder dan de vorming van het chroom. Japanse, Canadese, Amerikaanse geologen worden uitgenodigd om samen met hun Chinese collega’s het fenomeen te bestuderen. Het studieobject? De bewegingen in de mantel van de planeet aarde.[32]

De mineralen van Tibet zijn geen ‘verborgen schat’, maar worden vrij openlijk behandeld. China tast zijn ondergrond trouwens overal af, niet enkel in Tibet. Voor het geheel van zijn grondgebied werden in 2007 ongeveer 10.000 nieuwe ontginningsvergunningen afgeleverd.

 Noot achteraf: in januari 2011 waren er enkele belangrijke congressen in Tibet, een werkcomité van de CCP en het Consultatief Congres. Daar werd overeengekomen om de mijnindustrie in Tibet tegen 2020 te laten groeien tot 30 à 50 % van het Bruto Regionaal Product. Dat is flink meer dan nu (nog geen 15%). Enkel 'serieuze' ondernemingen, met een proper ecologisch palmares, zullen vergunningen krijgen, zo luidt het. Bovendien moeten zij minstens over 6 miljoen euro geregistreerd kapitaal beschikken.  

 



[1] CTIC 13/02/07

[2] De huidige autonome regio Tibet, toch al 2,5 maal Frankrijk in oppervlakte.

[3] 20% van de winst.

[4] Tibet Statistical Yearbook 2008.

[5] 130.000 ton op een totale behoefte van 6 miljoen ton. Hattongrp.com, Dubai, 6/12/2010

[6] Reuters, 15/10/2008

[7] www.mineweb.com, 18 aug 2008.+ CTIC

[8] Xinhua, 19/10/2010

[9] Reuters, 21/6/2010

[10] Xinhua, 19/10/2010

[11] BBC, « China to buy Australian uranium », 3/4/2006.

[12] “unconventional uranium extraction”, website iaea.org.

[13] CTA, (administratie in ballingschap), “Tibet’s Environment and Development Issues”.

[14] voorwoord bij een boek “Tibet, Enduring Spirit, Exploited Land”, Apte Robert en Andres Edwards, USA, 1998. Op te merken: Andres Edwards is in de USA een prediker van de “groene duurzame revolutie”.

[15] Zie hun websites.

[16] Michel Bouffioux, website, 170205, interview met Michel Van Herwegen van “Les Amis du Tibet”, artikel verschenen in Ciné-Télé Revue van 17 febr. 2005.

[17] CTA, idem.

[18] Alan Winnington, « Visa pour le Tibet », pag 145, Gallimard, 1958.

[19] HKCTP juli 2008

[20] Goldstein Melvyn, « A history of modern Tibet, 1913-1951 ».

[21] CTA, idem

[22] interview met Asian Pacific Post, 27/01/2005., waar de 14e dalai lama zich verzet tegen de Canadese betrokken firma.

[23] zoiets als de waarde van een Formule 1 wedstrijd.

[24] China Daily, 14/9/2005.

[25] CTIC 5/12/2010

[26] CTIC 28/12/06

[27] www.resourceinvestor.com

[28] Tibet Statistical Yearbook 2008.

[29] CTIC, 18/09/2008

[30] CTIC, 28/12/2006

[32] ‘ultra-high pressure minerals in the luobusa ophiolite, Tibet and their tectonic implications’, lyellcollection.org

16:08 Gepost door infortibet in aardrijkskunde | Permalink | Commentaren (0) | Tags: tibet, mineralen, economie, china, dalai lama

22-04-10

Etnisch gestook rond een Tibetaanse aardbeving

Het internationaal netwerk voor onafhankelijkheid van Tibet probeert de hulpverlening in de door de aardbeving getroffen gebieden in een etnisch keurslijf te steken. Getuige daarvan volgend artikel van ‘International Campaign for Tibet’:

http://www.savetibet.org/media-center/tibet-news/quake-sees-tibetan-buddhist-monks-assert-roles

De toon van het artikel is: “de perverse Chinese han-communisten geven de indruk – wat goed is voor hun publiciteit – van grootse middelen in te zetten voor de hulp aan de slachtoffers van de aardbeving, maar het zijn de Tibetaanse monniken die eigenlijk al het werk doen, omdat de mensen hen vertrouwen en er geen vertrouwen is in de centrale overheid.”

Dit standpunt werd overgenomen door de New York Times en nog enkele andere internationale kranten.

Dat is gewoon schandalig, dat is kadaverfascisme. Excuseer mij het woord. 2000 mensen lieten er het leven, iedereen in China is in de weer om te helpen, daarvan getuigen meer dan één van de contacten, die ik in de streek heb. Ik was in Yushu, het centrum van de aardbeving, in 2005, gedurende een week. Yushu bevindt zich in de Chinese provincie Qinghai, die nooit door de dalai lama’s politiek bestuurd werd. De provincie Qinghai is bevolkt door één derde Tibetanen. De streek van Yushu is voor het overgrote deel bevolkt door Tibetanen.

q560

 

Daar ligt (lag) Yushu

22:37 Gepost door infortibet in internationale dimensie | Permalink | Commentaren (1) | Tags: tibet, dalai lama, china, qinghai

05-04-10

Tibet: een bezet land of niet?

(Als beknopt antwoord op iemand, die me die vraag stelde) 

De begrippen "bezetting" en "soevereine staat" zijn moderne begrippen, die er pas kwamen toen grenzen stilaan internationale erkenning kregen (19e en 20e eeuw). Want als we verder teruggaan, dan heeft iedereen wel eens iedereen "bezet". Bovendien zijn grenzen "machtsevenwichtlijnen", zie maar naar Afrika, waar de grenzen niet volkenkundig maar koloniaal "afgespoken" werden. Voor Tibet is dat niet anders. Tibet werd bij het Chinese keizerrijk ingelijfd in de 13e eeuw door de Mongoolse Yuan dynastie en het bleef onder het gezag van Peking al de tijd nadien. Dat "erkenden" alle wereldgrootmachten nog begin 20e eeuw en hun positie veranderde niet tijdens en na de communistische machtsovername. Wie ben ik om dat eventueel "niet te erkennen"?

Dat de grootmachten dit deden was natuurlijk niet uit liefde voor de Chinezen, maar wel uit eigenbelang: de Europese landen en later Japan en de USA kwamen "elkaar tegen" in het China van voor de revolutie, zij hielden er elkaar in evenwicht, zonder onderlinge confrontatie, door gezamelijk China als staat te blijven erkennen en niet op te delen zoals ze met Afrika gedaan hadden. Elk Europees land had een "havenconcessie" (en enkele spoorlijnen) in China. Het meest "gekoloniseerd" was Tibet (ter grootte van de huidige autonome regio), door Engeland, die het als "verboden terrein" verklaarde voor de andere Europeanen (zie A. David Neel). De handel in yakwol was exclusief in Engelse handen en een "onafhankelijk" Tibetaans leger werd door Engeland getraind en uitgerust (wapens, traditionele Engelse klederdracht en blaaskapel). Foto's bestaan van de 13e dalai lama die "zijn" troepen schouwt en de huidige 14e dalai lama schreef in zijn memoires dat hij ze hoorde zingen: "It's a long way to Tipperary". Maar zelfs Engeland bleef Tibet als deel van China "erkennen", als evenwichtsoefening met Rusland, dat het ook deed. Engeland hapte wel voorgoed zuidelijke stukjes weg van Tibet: Ladakh, Sikkim, Bhutan en Arunachal Pradesh. China heeft na de overwinning van de revolutie in 1949 eigenlijk niets anders gedaan dan zijn "internationaal erkende grenzen" te bevestigen: de Europese concessies in het binnenland verdwenen en het Chinese leger verving het "onafhankelijke" Tibetaanse leger, dat zich zonder schieten in de stad Qamdo overgaf in 1951.

Het is natuurlijk zo dat Tibet onder het Chinese keizerrijk een grote autonomie genoot. Benoemingen van lokale hooggeplaatsten moesten bekrachtigd worden door Peking, maar het aantal regelgevingen vanuit Peking was zeer beperkt. Maar dat is nog een heel ander verhaal, ik wou het hier enkel hebben over de begrippen "erkenning" en "bezetting".

 

Er bestaat een lijvige studie in twee delen, samen goed voor 1540 pagina's, over de periode 1913-1955 in Tibet, door een ploeg vorsers rond Melvyn Goldstein (University of California Press, 1989 en 2007 voor het tweede deel), gebaseerd op de geschriften van de lokale autoriteiten van Tibet op dat moment en op de briefwisseling van de Engelse en Amerikaanse ministeries van Buitenlandse Zaken (via hun ambassades in Delhi en Beijing). Daaruit blijkt overduidelijk dat de komst van het rode Leger in 1951 zonder geweld verliep. Jawel. Een Engelse officier, die toen in Oost-Tibet verbleef (Robert Ford) schrijft hetzelfde in zijn memoires (1990). Toch zijn er in 1951 al heel wat Tibetaanse landheren, handelaars en enkele hoge lama's naar India vertrokken, met het idee "wij verliezen hier binnenkort toch onze privilegies".

Ondanks dat voor Tibet zelf, binnen de grenzen zoals het was onder de 13e en 14e dalai lama, overeengekomen was om het lijfeigenschap nog niet af te schaffen voor een onbeperkte periode, werd in de randgebieden (provincie Sichuan), waar - naast anderen - ook Tibetanen woonden, de landhervorming WEL doorgevoerd door het nieuwe Chinese bewind. Dat veroorzaakte ginder een opstand in 1956, onder leiding van landheren, met volkse aanhang. Die rebellen werden onmiddellijk van wapens voorzien... door de USA (Mikel Dunham, "Buddha's Warriors" en Kenneth Conboy "The CIA's secret war in Tibet". Het eerstgenoemde boek kreeg een voorwoordje van de dalai lama, het tweede is een rechtstreekse getuigenis van CIA-veteranen). De rebellen zorgden voor incidenten op 10 maart (precies!) 1959 in Lhasa en het Chinees leger greep in. Daar zijn doden gevallen, niemand weet hoeveel, maar geen 87.000 zoals de dalai lama in zijn memoires schrijft, want de stad Lhasa telde toen slechts 40.000 inwoners.

In elk geval, op dat ogenblik is nog en groot deel van de Tibetaanse elite, met hun knechten en dienaars, in ballingschap vertrokken, culminerend in ongeveer 70.000 personen begin 1960. Nu is het totaal aantal Tibetanen in het buitenland 120.000 (hun eigen cijfers), dat is een gewone natuurlijke aangroei (geboortes). (in Tibet zelf is de bevolking verdriedubbeld sindsdien). Er zijn nu nog Tibetanen die "vertrekken", maar er zijn er evengoed die "terugkeren" (ik ken er verschillende).

Natuurlijk zijn er dingen die voor problemen zorgen in Tibet. Om er één te noemen: Omdat er minder kinderen sterven dan vroeger, hebben de boeren teveel kinderen, teveel voor hun lap grond van 1 hectare. Sommige van die jongelingen trekken naar de stad, waar niet altijd werk te vinden is, of slecht betaald. Kortom, het probleem van teveel boerenzonen in vergelijking met de bebouwbare oppervlakte.

Als slot nog een bedenking. 

Er zijn veel Chinese toeristen in Lhasa, meer dan Japanners in Brugge. Maar in Tibet is slechts 7% van de vaste bevolking Han Chinees. In Frankrijk is 9% Afrikaans: zijn de Fransen "onder de voet gelopen"?

 

 

05-03-10

Norbulingka, het zomerpaleis van de dalai lama’s

Een bezoekje, einde 2009.

De koets van de 13e dalai lama (de vorige) met een blinkende fietsbel erop. In de gebedszaal van zijn tempel staan zijn koetsen nu opgesteld, net als in een kasteel bij de Loire. Zijn troon staat er nog. De koets met de fietsbel werd getrokken door twee personen te voet, of lopend.

DSCN4259

de residentie van de 13e dalai lama (de vorige).

In Norbulingka staan er bomen, dik genoeg om balken uit te produceren. In de rest van dit deel van Tibet staat er geen enkele meer van dit kaliber.

De residentie van de 14e dalai lama werd pas in 1956 voltooid. De vertrekken zijn bijzonder rijk uitgerust, er is zelfs een echte westerse badkamer, nu nog steeds zeldzaam in Tibet. De muurschilderijen zijn verbluffend, een echt geschiedenisboek op de muur met Tibetaanse tekst ter begeleiding.

Norbulingka is zeer groot, een enorm park. Dit moet een aangename afgezonderde wereld geweest zijn voor de 14e dalai lama en zijn medewerkers. Er zijn weinig bezoekers laat oktober. Enkele Tibetanen, die er naar de zoo gaan met hun kinderen, want er is nu een zoo in het Norbulingka. Ook enkele pelgrims. Er worden nog centen gegeven op het bed en op de stoel van de 14e dalai lama (niet in zijn toilet). Maar honderden keren minder dan in de tempels in de stad. Ingangsticket voor toeristen: 60 yuan. De Tibetanen betalen slechts 2 yuan. Een Tibetaanse vrouw met haar oude moeder mocht echter gratis binnen, na 2 zinnen uitgewisseld te hebben met de Tibetaanse deurwachters.

Budweiser heeft er nog zijn permanente tent, nu leeg want eind oktober is het al koud in Lhasa.

DSCN4257

20:47 Gepost door infortibet in geschiedenis 20e eeuw | Permalink | Commentaren (0) | Tags: tibet, lhasa, dalai lama, norbulingka

01-02-10

Onderhandelingen Beijing – dalai lama, 2010

Einde januari 2010 reizen twee persoonlijke vertegenwoordigers van de dalai lama naar Beijing om er de 10e ronde van onderhandelingen sinds 2002 aan te vatten. De Chinese regering blijft ferm op haar standpunt staan: praten is mogelijk, maar geen maatregelen in de richting van separatisme en geen terugkeer naar een “Groot Tibet” noch naar een politiek klerikaal Tibet. China wil wel dat de dalai lama zijn religieuze rol binnen Tibet heropneemt en dat hij voor het politieke kan meewerken aan het bestaande lokale parlement.

De afgevaardigden van de dalai lama blijven bij hun ‘memorandum’ van najaar 2008, waarin de notie van “Groot Tibet” wel voorkomt en zeer verregaande politieke autonomie, eigen grondwet en partijenstelsel inbegrepen, naast het terugsturen van veel Han Chinezen naar het binnenland van China en het demilitariseren van de regio.

 

Of er een vriendelijke toon zal zijn, kunnen we even toetsen aan een toespraak van Samdhong Rinpoche, hoge lama en ‘eerste minister’ van de ‘regering in ballingschap’ van de dalai lama. Die toespraak hield Samdhong Rinpoche voor de 5e wereldconferentie van “parlementairen voor Tibet” in Rome op 18 november 2009. Dat is dus niet zo lang voor de onderhandelingen. Die heer is meestal veel duidelijker in uitspraken dan zijn ‘staatshoofd in ballingschap’, de dalai lama. Enkele uittreksels om de meedogende toon te tonen, die we van een boeddhistische hoge lama mogen verwachten.

 

“Wij weten allen dat Tibet steunen voor jullie geen materieel noch politiek voordeel brengt, in tegenstelling met onze Chinese onderdrukker.”

“Jullie zijn mensen, die weigeren om neutrale toeschouwers te zijn, wanneer een deel van de mensheid lijdt onder onderdrukking en uitbuiting door een totalitair regime.”

“De situatie in Tibet is erger dan tevoren. De systematische uitzinnigheid tegenover onze beschaving gaat verder. De sinistere politiek van vernietiging van Tibet’s culturele en raciale identiteit wordt met ijver voortgezet. Er is de escalerende demografische agressie, het eindeloze verhaal van diverse vormen van discriminatie, de stijgende golf van martelingen, van moordpartijen en onwettelijke opsluitingen. Er is de nooit geziene woeste aanval op de Tibetaanse taal, cultuur en religie. Er is de harteloze ‘sinizering’ van Tibet en de voortdurende vernietiging van het leefmilieu. Dat alles gaat onverminderd door, meer bepaald na de vreedzame betogingen in al de Tibetaanse regio’s in 2008. Het is niet onnodig om hier de talrijke schendingen van de mensenrechten terug in herinnering te brengen, noch de vernietiging van een cultuur en een beschaving, naast een onontziende uitbuiting van de natuurlijke rijkdommen. Onafhankelijke agentschappen hebben daar voldoende bewijzen en documenten voor geleverd.”

 

Opmerking:  een gewone reiziger naar Tibet kan het tegenovergestelde zien.

 

Samdhong Rinpoche somt dan vier punten op, die volgens hem belangrijk zijn:

 

1. “Zonder de Chinese bezetter zou Tibet zich ook hebben kunnen ontwikkelen, zoals zijn buren Nepal, Bhutan en Myanmar.”

Hoezo? Heeft Tibet onder China dan toch ontwikkeling gekend?

 

2. “Eén vijfde van de Tibetaanse bevolking kwam om tijdens het Chinese bewind, naast de vernieling van cultuur, taal, monumenten en milieu.”

Maar… de bevolking verdriedubbelde in vijftig jaar, er zijn evenveel kloosters en tempels als voor de Chinese revolutie en de Tibetaanse taal heeft og nooit zo gebloeid in Tibet.   

Een licht geoefende reiziger kan dit ook ter plaatse vaststellen.

 

3. “De Chinese overheid haalt meer waarde uit de Tibetaanse ondergrond dan het aan de lokale bevolking teruggeeft. De Chinese overheid zegt dat nooit publiek.”

De overheid zegt dat wel. Artikels, statistieken, buitenlandse contacten getuigen daarvan. De hoeveelheid aan ertswinning is bovendien nog uiterst beperkt voor het ogenblik en in de mijnen is de lokale Tibetaanse overheid meestal hoofdaandeelhouder.

 

4. “Het levensniveau van de meerderheid van de Tibetanen is er niet op vooruit gegaan, zelfs dikwijls achteruit gegaan.”

Een blauwe grove leugen. Regelmatige reizigers kunnen niet anders dan het tegenovergestelde zeggen.

“De Tibetanen zijn een minieme minderheid geworden in eigen land.”

Ook daar spreken de nationale volkstellingen en internationale sociologische onderzoeken dat simpelweg tegen, de Tibetanen maken wel degelijk de meerderheid uit, ook in de regionale regering, administratie en politie.

 

Samdhong Rinpoche heeft nog enkele mooie woorden toegevoegd:

“Onze strijd is er een van waarheid tegen valsheid, van rechtvaardigheid tegen onrechtvaardigheid, van moreel gedrag tegen immoraliteit, van juist tegen verkeerd.”

Slik.

 

En dan nog een eigenaardige analyse van het gedrag van de multinationals:

“Het Chinese totalitaire regime is beter geschikt voor de inplanting van multinationals dan om het even welk democratisch regime. De economische liberalisering in China bevordert het totalitaire regime. Voor de multinationals is het gemakkelijk om Chinese staatsambtenaren om te kopen.” 

Een hint voor de aanwezige wereldparlementairen?

 

Samdhong Rinpoche besluit nochtans ‘cool’:

“Wij hebben altijd geprobeerd om de Chinese overheid met liefde en compassie te benaderen. Onze oppositie tegenover hun daden is niet ingegeven door haat noch boosheid.”

Ook slik.

 

Bij een dergelijk verhaal staan vele Europarlementariërs te applaudisseren.

Nogmaals slik.

De volledige tekst van de toespraak van Samdhong Rinpoche is hier te vinden:

 http://www.tibet.net/en/?id=114&articletype=press&...

Daarnaast misschien dit:

De lokale Tibetaanse regering verstrekt een soort “minimum leefloon” aan alle behoevenden in de regio. Dat gegarandeerd minimum inkomen is de laatste vijf jaar met 30% verhoogd en het ligt 40% hoger dan in de rest van China. Momenteel zijn er nog 10% van de mensen, die daar beroep moeten op doen. Herders en boeren kenden de laatste tien jaar een jaarlijkse stijging van hun netto-inkomen van meer dan 10%. In 2009 werd door de lokale overheid ongeveer 1 miljard euro extra besteed aan landelijke sociale ontwikkeling, onderwijs en consumptiesubsidies inbegrepen.

22:39 Gepost door infortibet in dalai lama | Permalink | Commentaren (1) | Tags: tibet, dalai lama, china, onderhandelingen

15-01-10

Niet geliefde voorgaande dalai lama’s

Sommige van zijn voorgangers zijn echt geen favoriet van de huidige dalai lama. In feite heeft hij slechts twee favorieten, de 5e en de 13e, omdat die redelijk anti-Chinees waren. Veel andere van zijn voorgangers stierven jong of zeer jong. Toch zijn er twee, die toch iets langer leefden, maar die hem niet aan het hart liggen.   

De 8e dalai lama, Jampal Gyatso (°1758, erkend in 1762, overleden in 1804)

Hij is een van de weinige dalai lama’s die niet stierf bij zijn meerderjarigheid, samen met de 5e, de 7e en de 13e. Nochtans wordt hij weinig vermeld door de huidige 14e dalai lama, die enkel de 5e en de 13e als “grote” dalai lama’s bestempelt, in overeenstemming met het “Plan van Chenrezig”(Laird) om een ‘groot en onafhankelijk Tibet te vestigen’. Waarom lust de huidige 14e dalai lama de 8e niet? De 8e dalai lama had te maken met de Gurkha invallen vanuit Nepal. Hij deed beroep op de Qing legers van het Chinese keizerrijk om die te verdrijven. Dat gebeurde en de 8e dalai lama stelde samen met de Qing de befaamde “29 reglementen” op voor het bestuur van Tibet, waarbij de administratieve regelgeving door het Chinese keizerrijk in Tibet verstevigd werd, onder meer de noodzaak van het bekrachtigen van reïncarnaties door Beijing. Precies dit wil de huidige dalai lama niet veel vermelden.

 

De 7e dalai lama, Kalsang Gyatso (°1708, erkend in 1720, overleden in 1757), behoort evenmin tot de favorieten van de huidige dalai lama. De reden is weer eenvoudig, de 7e werd door diezelfde Qing dynastie geïnstalleerd tegen een fake 6e dalai lama, op de troon gezet door Lajang Khan, een lokale Mongoolse krijgsheer. De Qing verdreven op dat moment ook de Dzoungaren uit Tibet, een turco-mongools ruitervolk uit het westen van China. De Qing hadden de echte 7e dalai lama  tijdens die operatie tijdelijk in West-Sichuan gelogeerd, waar ze een heus klooster voor hem bouwden in 1728, het Garthar Chode klooster (Huiyuan in het Chinees), nabij de stad Kangding. Zoals gebruikelijk schonk de Chinese keizer van toen (Yongzheng, 1678-1735) een tablet met een kalligrafie in zijn handschrift. Die prijkt nog steeds op de hoofdtempel. In het klooster verblijven nu ongeveer 300 monniken, naast nog een tweehonderdtal aspiranten.   

 

Bronnen: Gyurme Dorje en HKCTP jan 2010.

19:55 Gepost door infortibet in geschiedenis algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Tags: tibet, dalai lama, china, reincarnatie, qing