16-05-11

De vissen van Tibet

De Tibetanen eten weinig of geen vis, vooral de oudere mensen niet. Er is iets sacraals aan vissen.

 

De lichamen van overleden personen worden nog dikwijls aan de rivieren toevertrouwd, dus aan de vissen. Die worden aanzien – zoals de gieren trouwens – als de ‘bevrijders’ van de geest, die het lichaam bezielde.

Toen het Rode Leger in 1951 Tibet binnentrok, hadden de soldaten het strikt bevel gekregen om geen vis te vangen en er ook geen te verkopen, uit respect voor de lokale traditie. Toch bestonden en bestaan er traditionele Tibetaanse vissers, vooral op de rivieren. Hun bolle bootjes waren vervaardigd uit aaneengenaaide yakhuiden. Sommige dorpen langs de Yarlung Tsangpo rivier gebruiken die nog steeds. In het oude Tibet was de consumptie van vis voorbehouden aan de rijkelui, waaronder ook de hoge lama’s.[1] 

Ondertussen is de jonge Tibetaanse generatie nu wel aan vis toe, dat ze een lekker luxeproduct vinden.

 

Veel vis wordt uitgevoerd naar de nabijgelegen Chinese provincies. De vissers op de grote meren van het hoogplateau (niet enkel Tibet) zijn meestal Han Chinezen afkomstig uit die buurprovincies. Dat maakt dat het visbestand flink teruggelopen is. Door de kou, vanwege de grote hoogte, groeien de vissen minder snel dan in lagere gebieden. Visvangst zoals elders in China zou op de duur nefast zijn op het hoogplateau. Momenteel is er nog geen regelgeving voor de visvangst daar. De enige rem is de hoge prijs. Er gaan wel stemmen op om een beperking in te stellen.

(Bronnen: China’s Tibet 6-2005 + HKCTP nr 55).



[1] Daarvan getuigt ondermeer Alexandra David-Neel, toen ze ontvangen werd door de monnik-intendant van de abt van het grote Labrang klooster. Er was vis op het gezamenlijk menu. Wel pittig om die enkele pagina’s te herlezen. Ze getuigen van de grote weelde waarin sommige monniken leefden: het servies bevatte goud, massief zilver, jade en edelstenen. De zetels waren bekleed met echte luipaardvellen, de grond was vol tapijt, een verzameling kunstwerken versierde het huis en de rijke Tibetaanse lama had … een Chinese kok!

“Au pays des brigands gentilshommes”, pag 65-79, Editions Plon, pocket, Paris, 1980.

16:09 Gepost door infortibet in ecologie | Permalink | Commentaren (0) | Tags: tibet, dieren, monniken

09-05-11

Mensen, tamme en wilde dieren: een moeilijk evenwicht op de hoogvlakte van Tibet en Qinghai

Bruine beren, wilde yaks, wilde ezels en wolven, ze leven er naast de schaarse mensengemeenschappen met hun kuddes. In de hoogste gebieden, tussen 4000 en 5000m, over een grote oppervlakte, in Noord-Tibet en Zuid-Qinghai. Het gras is er schaars en iedereen wil er eten. Gezien de jacht verboden is verhoogt het wildbestand. En gezien het aantal mensen ook toeneemt, verhoogt de veeteelt. De trend van de lokale overheden is het verminderen van de veeteelt en niet het verminderen van het wildbestand. Het gebied, groter dan Frankrijk, is beschermd. Om de jacht te verbannen krijgen de veetelers vergoedingen voor geleden schade door wild. Voor een gedood schaap door een wolf krijgt de herder de marktprijs van de lokale overheid.

Naar het schijnt zijn het vooral de bruine beren, die privéschade veroorzaken. Zij breken binnen in de huizen van de herders, wanneer die laatste weg zijn met hun kudde. De beren zoeken en vinden er de aanwezige voedselvoorraad. Lokale functionarissen komen de schade vaststellen en de vergoeding volgt. Enkel in Tibet zelf liep het totaal van de schadevergoedingen in 2009 op tot 1 miljoen euro.

 

De wilde yaks van hun kant komen wijfjes kapen in de kudde van de herders. Die drijven ze met geweld mee. De tammere mannetjes van de kudde durven enkel toezien.

 

Een minder meetbaar gegeven zijn de wilde ezels. Die vallen niet aan, maar eten wel gras. Hun aantal is het laatste decennium verdubbeld. Zij zijn met tienduizenden. De overheid overweegt een beperkte ‘economische’ jacht. Het wordt hoeven tellen.     

21:31 Gepost door infortibet in ecologie | Permalink | Commentaren (0) | Tags: tibet, dieren, hoogplateau

12-01-09

Changtang, een dierenpark op 5.000m

Fragmenten uit een artikel van George B. Schaller, Wildlife Conservation Society, verschenen in “China’s Tibet”, 2/08.

Schaller doorkruiste “Changtang” ongeveer jaarlijks sinds 1985.

 

Changtang is het hoogste deel van het plateau in Tibet, goed voor 300.000 km2, bijna zo groot als Frankrijk, met gemiddelde hoogte op 5.000m. Er leven dieren en er wonen mensen. Het evenwicht tussen beiden is zeer labiel. Waar vroeger slechts één familie leefde zonder buren, kilometers in het rond, verblijven er nu elf in elkaars nabijheid. Dat komt door de bevolkingsaangroei, Tibetanen uit dichter bevolkte streken wijken uit naar Changtang, hoewel de natuurlijke condities er lastiger zijn. In het kanton Palgon, bijvoorbeeld, steeg het aantal families van 90 tot 137, tussen 1970 en nu. Het vee nam evenzeer toe: van 45.000 naar 79.000, met een negatief effect op de schaarse graslanden, waarvan vele vroeger enkel in de korte zomer slechts door sporadische nomadenkuddes begraasd werden. Sinds 1993 is het gehele gebied als beschermde natuurzone bestempeld, met gelijke rechten voor herders met hun kuddes en voor wilde dieren. Schaller stelde vast dat de herders het duidelijk beter hebben dan einde jaren tachtig. Zij hebben een huis, soms meer dan één, rijden per moto en vrachtwagen, kijken naar satelliet-TV, gevoed door zonnepanelen en bereiden boterthee met een elektrische mixer. Maar wat gebeurt er met het wildleven? Zeldzame bezoekers begin 20e eeuw hadden het over kuddes van een paar tienduizend antilopen (chiru) tegelijk of honderden wilde yaks op één heuvelrug. Dat beeld is nu fel uitgedund. Toch stelt Schaller dat het wildleven niet met uitsterven bedreigd is. In 2006 trok hij door Changtang van west naar oost en kon er “zomaar” 8.000 antilopen tellen, 1100 wilde yaks, 800 wilde ezels en 20 wolven. Maar er zijn gevaren.

 

Het vroegere Chinese “communesysteem” – gronden en vee collectief beheerd – was beter voor… het wildleven, zo stelt Schaller vast! Waarom? Elke familie is nu een “privéveehouder” of “rancher” zoals hij het noemt. Een grote graasoppervlakte, zoiets als 7.000 hectare, is “hun” domein, voor vijftig jaar in bruikleen. De tendens is om dat terrein af te bakenen, er prikkeldraad rond te zetten. De lokale overheid subsidieert zelfs royaal die afsluitingen. Dat nemen de wilde yaks, ezels of antilopen hen kwalijk, zij zien het gras onder hun hoeven verdwijnen. Bovendien, de “rancher” is geneigd zijn om “zijn” gras te beschermen en mogelijke wilde mee-eters neer te knallen. Dan hebben we nog niets gezegd over de verleiding om een wilde yak te schieten voor zijn vlees.

 

Mensen en beren hebben het ook moeilijk met elkaar. De wilde bruine beren generen zich niet om met gekraak binnen te dringen in de huizen en er zich tegoed te doen aan de gerstvoorraad en de boter. ’s Nachts komen zij dan af op de schapen en de geiten binnen de omheining rond het huis. Lynxen en wolven nemen ook hun hap mee. Dit alles maakt het moeilijk voor de herders om het “natuurreservaat” in ere te houden.

Schaller suggereert enkele maatregelen. Vooreerst het beperken, zoniet het verminderen, van het aantal mensen in het gebied. Waardoor de druk van de kuddes ook geringer zou worden. Voorts: stoppen met het bouwen van afsluitingen, geen nieuwe wegen aanleggen, problemen lokaal aanpakken, niet algemeen, verschillende oplossingen overwegen en testen, zich niet tevreden stellen met één enkele. Maar vooral: een management aanstellen, want voor het ogenblik is er geen speciaal beheer.

antilopen
als je intens kijkt, zie je enkele antilopen (eigen amateuristische foto) 

20:34 Gepost door infortibet in ecologie | Permalink | Commentaren (0) | Tags: tibet, natuurparken, dieren, jagers