08-12-10

Tibet: een schat van mineralen

‘Tibet support’ groepen beschuldigen China: het zou  tal van kostbare ertsen uit Tibet ‘wegroven’. De term ‘wegroven’ op zichzelf is betwistbaar want men gaat uit van de premisse dat Tibet geen deel van China zou zijn. Hoe kan je immers in eigen land iets ‘wegroven’? Werden de kolen van Limburg weggeroofd voor het Waalse staal? Verder hebben de ‘Tibet support’ groepen het steeds over ‘Groot Tibet’, de maximale omvang van  een historische rijk  dat al meer dan 1000 jaren verdwenen is. Dat territorium omvat het gehele Aziatische hoogplateau, vijf maal Frankrijk, het dubbele van het huidige Tibet. De uitgestrektheid, het klimaat, de moeilijkheden van het terrein en de onderontwikkeling van China belemmerden tot nu een ernstige ontginning. Nu is nog niet de helft van de ondergrond van het plateau geologisch in kaart gebracht. Een recent onderzoek, dat een duizendtal experts mobiliseerde gedurende zeven jaar, vond belangrijke ertsaders verspreid over het gehele hoogplateau: vooral koper, lood, zink en enkele grote lagen rijk ijzererts, waarvan de voorraad op enkele honderden miljoenen ton geraamd wordt.[1] De overheid wil de ontginning gepland en voorzichtig aanpakken, gekoppeld aan een ecologische impactstudie. Vele kleine artisanale mijnen werden de laatste jaren gesloten omdat ze de milieunormen niet naleefden.

Dit artikel gaat over de mijnen in Tibet zelf.[2]

De mijnen zijn belangrijk voor Tibet, want ze zijn lokaal belastingplichtig[3], en zullen aan belang winnen, want ze zijn strategisch belangrijk voor China. Voor Tibet vertegenwoordigen zij 27 % van de totale industriële productie. De weinige operationele mijnen geven de regionale staatskas per jaar ongeveer 15 miljoen euro aan belastingen, dat is 6 % van de lokale inkomsten. Zowat 7000 mensen zijn in de mijnindustrie tewerkgesteld, arbeiders, bedienden en kaders samen.[4] Dit laatste alleen al getuigt van de kleine omvang van de mijnindustrie in dit zeer grote gebied.

 Chroom

Er zijn voornamelijk twee mijnen van enig belang momenteel in Tibet. De oudste is de Chroommijn Luobusa, opgestart in de jaren 1980 in het departement Shannan, ten zuidoosten van Lhasa. De mijn is integraal eigendom van Tibet Mining Development, een regionale staatsonderneming, zodat niet enkel de belasting op de winst naar de regionale kas gaat, maar ook de winst zelf. Twee derde van het in China ontgonnen chroom komt uit die mijn. Maar dat volstaat slechts voor 2 % van China’s actuele behoefte. De rest voert China in uit Zuid-Afrika, Kazakstan en Indië.[5] 

 Koper

De tweede mijn van belang is de Yulong kopermijn, in Oost-Tibet nabij de stad Qamdo, zeer recent opgestart, in 2008, met een kleine productie van 2000 ton.[6] De mijn zal echter de tweede grootste van Azië worden.[7] In 2011 zal de jaarproductie 30.000 ton bereiken.[8] De totale reserve ginder wordt geschat op 16 miljoen ton kopererts. Eigenlijk bitter weinig, vergeleken met wat China jaarlijks aan koper invoert: 4 miljoen ton.[9]  De Yulong mijn is een investering van drie Chinese (staats)mijnondernemingen: Qinghai West Mining (58 % van de aandelen), Zijin Mining Group (22 %) en Tibet Mining Development (20 %). Totale investering: 500 miljoen euro.[10]

Voor het ontginnen van koper staan nog een aantal andere kleinere projecten op stapel, maar daar is nog niets voor gedaan. Eén ervan is vrij dicht bij Lhasa, op 70 km, in het kanton Medrogungkar.

 Andere mineralen

 Uranium

Vooreerst het verhaal van het uranium. China heeft in 2007 een handelsovereenkomst voor de invoer van uranium afgesloten met Australië, dat 40% van de gekende werelduraniumvoorraad in zijn ondergrond heeft.[11] Tot op vandaag koopt China zijn uranium, jaarlijks 1.500 ton, in Kazakstan en Canada. De Chinese maatschappij voor atoomenergie onderhandelt ook in Afrika over deelname in mijnen. In Tibet zelf is geen enkele uraniummijn en zijn ook geen ertslagen gevonden. Het enige uranium in Tibet zit in de zoutmeren, als zoutverbinding, in kleine concentraties van enkele gram per liter. Het zou kunnen dat het straks in combinatie met lithium (zie verder) uit het Zhabuye meer gewonnen zal worden, maar dat is niet duidelijk want de techniek staat nog niet op punt, volgens het Internationaal Atoomagentschap.[12]

Toch spreekt de administratie van de dalai lama over ‘rijke en onontgonnen lagen uranium, wellicht de grootste ter wereld’[13] in de provincie Qinghai, die volgens haar deel uitmaakt van Tibet. De 14e dalai lama suggereert indirect dat al dat uranium onbeperkt opgedolven wordt: ‘Mijn land wordt een ecologische ramp door de massale ontbossing en door het excessieve delven naar mineralen’.[14] De dalai lama specifieert niet over welke mineralen het gaat. Maar Tibet Environmental Watch (USA), het Canada Tibet Committee, het Belgische De Vrienden van Tibet en andere organisaties hebben het over ‘ongebreidelde extractie van uranium in wel twintig mijnen (…) de voornaamste bron voor de Chinese nucleaire industrie’.[15] Ook ernstige Belgische journalisten stappen mee in dat verhaal: ‘De bergen die de heilige stad Lhasa omringen, zouden de helft van de wereldreserves van uranium bevatten. Dit en andere ertsen worden overvloedig geëxploiteerd.’[16] Het uranium zou dienen ‘om bommen te maken’ en tegelijk zou massaal radioactief afval in Tibet worden gedumpt. De Chinese overheid houdt het bij één afgedankte ondergrondse opslagplaats voor kernafval buiten de autonome regio Tibet, nabij het Qinghai meer. Dat is ook de enige concrete plaats die de regering van de 14e dalai lama vermeldt.[17] Het uraniumverhaal dateert van 1950. Het stond in een rapport van het Britse Foreign Office dat wereldkundig werd gemaakt door Lowell Thomas. Die was op dat moment in Lhasa actief als journalist voor het Amerikaanse NBC.[18]

DSCN2612.JPG

 

 Een artisanaal "gat" om jade stenen op te delven

 

 Goud

En dan zijn er de verhalen over het overvloedige goud. Volgens een studie in 1939 van het Geologisch Bureau van China waren ongeveer 3.000 goudzifters aan het werk in de regio Yongsheng van de Jinsha rivier, de bovenloop van de Yangzi. “Jin” en “Sha” betekenen “goud” en “zand”. Het zand op de oevers werd gezift. De jaarlijkse totale productie van al die mensen bedroeg…50 kg.[19]

In de jaren tachtig werd het toerisme in Tibet volkomen vrij en het hippe Kathmandu verplaatste zich naar Lhasa. Minder spiritueel waren de duizenden goudzoekers, Han Chinezen en Tibetanen, die op het plateau een paar gram goud wasten uit de riviersteentjes. Zij kampeerden er enkele maanden en wonnen er dan elk enkele honderden euro. Veel van die gebieden werden sindsdien natuurreservaat en de goudrush is dan ook gestopt. In het oude Tibet diende de exploitatie van kleine goudaders hoofdzakelijk voor de bekleding van religieuze beelden, stupa’s en tempeldaken. Er was een weeg- en rekenhof voor het goud onder het gezag van de functionaris van financiën van de dalai lama’s. Een kleine hoeveelheid goud werd opgeslagen als betaalreserve. Toen die reserves ongeveer op waren door de verhoogde uitgaven voor het leger tijdens het bewind van de 13e dalai lama, ging een Tibetaanse missie in Londen goud kopen met een lening. Voor de gouden troon van de huidige 14e dalai lama werd in 1956 eveneens goud buiten Tibet aangekocht, en wel met de opbrengst van een inzameling onder alle gelovigen.[20]

Om riviervervuiling te voorkomen zijn in 2003 de milieunormen voor goudwinning in China streng verscherpt. Toch beschuldigt de regering in ballingschap van de 14e dalai lama de centrale overheid ervan duizenden tonnen goud uit de Tibetaanse ondergrond te stelen en daarvoor tienduizenden Chinese migrantwerkers te gebruiken.[21] Er wordt daarbij verwezen naar potentiële en echte mijnen in de provincies Qinghai en Gansu, zonder die mijnen bij naam te noemen. De 14e dalai lama toonde zich bezorgd omdat de Chinese overheid ook buitenlandse investeerders toelaat goud te zoeken, het culturele erfgoed te grabbel te gooien als het ware, want goud was destijds bestemd voor de kloosters.[22] Onder andere een Canadees en een Australisch bedrijf tekenden in. De overheid wil namelijk overal op Chinees grondgebied de artisanale ontginning van goud technologisch rechtzetten en doet daarbij beroep op de hulp van het buitenland. Die hulp is beperkt, ze bedraagt enkele tientallen miljoenen euro.[23] Ondertussen zijn in Tibet zelf alle goudwinningen stopgezet sinds de opnieuw verstrengde milieunormen van oktober 2005.[24]

Voor China zijn de belangrijke strategische mineralen in Tibet: chroom, koper, magnesium, lood en zink.[25] Er zijn grote aders van ijzererts in Tibet, maar er bestaan gemakkelijker sites in het binnenland van China.[26] Een consortium van ondernemingen onder leiding van Chalco, een Chinees aluminiumbedrijf, voorziet de ontginning van zink en lood in Oost-Tibet, in de regio rond de stad Qamdo. Qamdo wordt de komende vijf jaar uitgebouwd als basis voor non-ferro metalen. 

Er zijn een paar duizend vindplaatsen van mineralen ‘ontdekt’, minder dan 1 % ervan is verder onderzocht. Buiten de twee genoemde grote mijnen zijn er nog een 70-tal zeer kleine mijnondernemingen in Tibet. Slechts ongeveer 10 % daarvan kreeg een productietoelating.[27] De enige koolmijn is sinds 2006 op inactief gesteld.[28]

Lithium voor elektrische wagens

Een project dat vrij vlug van start lijkt te gaan is de winning van lithium in een groot zoutmeer, het Zhabuye meer. De voorraad lijkt er groot en de afnemer wordt een lithiumbatterijproducent BYD uit Shenzhen, die zich meteen voor 18 % inkocht in de toekomstige ontginning.[29] De hoofdaandeelhouder is Tibet Mineral Development (51 %), een regionale staatsonderneming. De lithiumwinning wordt er de grootste van China.

En is er petroleum?

Er is olie gevonden in Tibet zelf. In het Lhunpola bekken in Noordwest-Tibet. Naar schatting 100 miljoen ton. Exploitatie is nog niet begonnen.[30] Tibet verbruikt momenteel 150.000 ton olie per jaar.

De benzine en de diesel voor Tibet komen integraal uit het Qaidam bekken, in het noordwesten van de Qinghai provincie. Qaidam is een barre, dunbevolkte halfwoestijn op 3000 meter hoogte en vijf maal groter dan België. De olie die er wordt gewonnen, vloeit via een lange pijplijn – de hoogste ter wereld − naar Tibet.

Ecologie

Het toezicht op de ecologische impact van mijnen is flink versterkt in Tibet. De centrale overheid vraagt een gedetailleerde voorstudie. Buitenlandse waarnemers, informanten voor buitenlandse deelname in de investeringen, waarschuwen daarvoor: ongeveer 30 % van het investeringsbedrag gaat naar het verzekeren van ecologisch verantwoorde omstandigheden.[31] Zij voegen er aan toe dat dit flink meer is dan in de rest van China.

Als afsluiter misschien nog dit: de Tibetaanse ondergrond staat open voor buitenlandse wetenschappers. China maakt er dus helemaal geen geheim van. Een voorbeeld is de chroommijn van Luobusa. Blijkt dat er daar ook ‘mineralen ontstaan onder hoge druk’ gevonden zijn. Het bekendste voorbeeld daarvan is diamant. Maar ook legeringen van nikkel-ijzer-chroom-koper of magnesiumsilicaten en nog bijzonderheden. Kortom, rare dingen, die daar eigenlijk geologisch niet thuishoren, veel ouder dan de vorming van het chroom. Japanse, Canadese, Amerikaanse geologen worden uitgenodigd om samen met hun Chinese collega’s het fenomeen te bestuderen. Het studieobject? De bewegingen in de mantel van de planeet aarde.[32]

De mineralen van Tibet zijn geen ‘verborgen schat’, maar worden vrij openlijk behandeld. China tast zijn ondergrond trouwens overal af, niet enkel in Tibet. Voor het geheel van zijn grondgebied werden in 2007 ongeveer 10.000 nieuwe ontginningsvergunningen afgeleverd.

 Noot achteraf: in januari 2011 waren er enkele belangrijke congressen in Tibet, een werkcomité van de CCP en het Consultatief Congres. Daar werd overeengekomen om de mijnindustrie in Tibet tegen 2020 te laten groeien tot 30 à 50 % van het Bruto Regionaal Product. Dat is flink meer dan nu (nog geen 15%). Enkel 'serieuze' ondernemingen, met een proper ecologisch palmares, zullen vergunningen krijgen, zo luidt het. Bovendien moeten zij minstens over 6 miljoen euro geregistreerd kapitaal beschikken.  

 



[1] CTIC 13/02/07

[2] De huidige autonome regio Tibet, toch al 2,5 maal Frankrijk in oppervlakte.

[3] 20% van de winst.

[4] Tibet Statistical Yearbook 2008.

[5] 130.000 ton op een totale behoefte van 6 miljoen ton. Hattongrp.com, Dubai, 6/12/2010

[6] Reuters, 15/10/2008

[7] www.mineweb.com, 18 aug 2008.+ CTIC

[8] Xinhua, 19/10/2010

[9] Reuters, 21/6/2010

[10] Xinhua, 19/10/2010

[11] BBC, « China to buy Australian uranium », 3/4/2006.

[12] “unconventional uranium extraction”, website iaea.org.

[13] CTA, (administratie in ballingschap), “Tibet’s Environment and Development Issues”.

[14] voorwoord bij een boek “Tibet, Enduring Spirit, Exploited Land”, Apte Robert en Andres Edwards, USA, 1998. Op te merken: Andres Edwards is in de USA een prediker van de “groene duurzame revolutie”.

[15] Zie hun websites.

[16] Michel Bouffioux, website, 170205, interview met Michel Van Herwegen van “Les Amis du Tibet”, artikel verschenen in Ciné-Télé Revue van 17 febr. 2005.

[17] CTA, idem.

[18] Alan Winnington, « Visa pour le Tibet », pag 145, Gallimard, 1958.

[19] HKCTP juli 2008

[20] Goldstein Melvyn, « A history of modern Tibet, 1913-1951 ».

[21] CTA, idem

[22] interview met Asian Pacific Post, 27/01/2005., waar de 14e dalai lama zich verzet tegen de Canadese betrokken firma.

[23] zoiets als de waarde van een Formule 1 wedstrijd.

[24] China Daily, 14/9/2005.

[25] CTIC 5/12/2010

[26] CTIC 28/12/06

[27] www.resourceinvestor.com

[28] Tibet Statistical Yearbook 2008.

[29] CTIC, 18/09/2008

[30] CTIC, 28/12/2006

[32] ‘ultra-high pressure minerals in the luobusa ophiolite, Tibet and their tectonic implications’, lyellcollection.org

16:08 Gepost door infortibet in aardrijkskunde | Permalink | Commentaren (0) | Tags: tibet, mineralen, economie, china, dalai lama

01-07-09

Drie jaar treinen naar Lhasa

Op 1 juli 2009 was het precies drie jaar dat de trein naar Lhasa operationeel is. Gemiddeld over deze periode stapten ongeveer 8000 personen per dag op, in beide richtingen samen. Maar vooral het goederenvervoer is belangrijk: gemiddeld 60.000 ton per dag. De prijs per ton bedraagt slechts de helft van een eventueel vervoer per vrachtwagen. Eén ton goederen vervoeren tussen Xining en Lhasa kost aldus 60 euro minder dan vroeger via de weg.

DSCN2604

21:05 Gepost door infortibet in mobiliteit | Permalink | Commentaren (0) | Tags: trein, toerisme, economie, tibet

04-03-09

Staatsteun

In 2006 bereikte het BNP per inwoner ongeveer 1000 euro per jaar. In 1995 was het amper 325 euro. De graanproductie overschreed 1 kg per dag per persoon. Dat is ongeveer vijf maal meer voor de gewone mensen dan tijdens het feodale klerikale regime van weleer.

De steun vanuit de centrale Chinese regering nam in het begin vooral de vorm aan van voedselhulp, wegen- en scholenbouw en geneeskundige zorgen. Dit evolueerde sinds de jaren tachtig naar meer duurzame investeringen. Het lokale inkomen van de Tibetaanse overheid bedroeg in 2006 150 miljoen euro. Terwijl de uitgaven meer dan tien maal hoger liggen, op ongeveer 2000 miljoen euro. Het lage inkomen van de Tibetaanse overheid komt vooral door de vrijstelling van belasting voor boeren en herders. Het is de centrale overheid die jaarlijks 90% van de begroting bijpast. Wanneer de centrale Chinese regering Tibet ontwikkelingshulp schenkt, zeggen de “Tibet support” groepen dat dit een bewijs van culturele kolonisatie is. Veronderstel dat de Chinese regering Tibet laat verkommeren als achtergebleven streek, dan zouden diezelfde groepen roepen dat dit een bewijs is van koloniale achterstelling. President Hu Jintao zei recent dat de steun voortaan meer naar landbouwprojecten moet gaan en minder naar de steden. De lokale overheid van Tibet besliste om voor 2009 een verhoging van het budget te voorzien van 1,5 miljard euro. Dat is ongeveer 50% meer dan in 2008. Hoofdzakelijk voor renovatiesubsidies voor woningen, maar deels voor onderwijs, wetenschap, geneeskunde, ecologie en voedselveiligheid.[1]

Sinds Tibet het statuut van autonome regio kreeg in 1965, werd jaarlijks een groot budgettekort bijgepast door de centrale overheid. De begrotingsstatistieken tonen een totaalbedrag voor die 40 jaar van om en bij de 10 miljard euro. Dat is niet enorm. Ter vergelijking: de Belgische begroting is bijna 100 miljard euro… per jaar! De eerste 30 jaar (1965 tot 1995) was de overheidsdotatie voor Tibet zeer klein, gemiddeld slechts enkele tientallen miljoenen euro per jaar. Hoewel hier onmiddellijk moet bijgezegd worden dat het aanleggen van interstedelijke wegen bvb rechtstreeks door de centrale staat gefinancierd werd. De werkuren van de soldaten, en wat ze aten, werden niet aan Tibet aangerekend. Gedurende die periode van 30 jaar beschikte China in zijn geheel over veel minder middelen dan nu en gaf dus ook niet zoveel aan Tibet. Het is pas in 1999 dat de staatsdotatie één miljard euro per jaar naderde. Daar komt nog bij dat het bedrag van 10 miljard gespreid over 40 jaar slechts een deel is van de hulp die Tibet krijgt. Het gaat om de dotatie vanuit de centrale staatskas voor de lopende jaarlijkse begroting. Bijzondere hulpprojecten of investeringen door de centrale staatsdepartementen zitten hier niet in. Zoals de spoorweg Qinghai-Tibet of grote hydro-elektrische werken. Daarenboven zijn er nog de talrijke ontwikkelingsprojecten gefinancierd vanuit andere Chinese provincies en die dus niet van de centrale staatskas komen. Al die cijfers van op afstand verzamelen is een onmogelijke opgave. Er zijn diverse statistieken van diverse instanties, die niet zomaar optelbaar zijn.

bouwwoede
een groot deel van de subsidies gaat naar bouwpremies


[1] CTIC 18/11/2008

 

19:56 Gepost door infortibet in economie algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Tags: tibet, china, economie, ontwikkelingshulp

10-11-08

onevenwichten in de economische ontwikkeling

Andrew Fisher is een Engelse economist, heeft indertijd in London gewerkt voor het TIN (TibetInfoNet, wat pro dalai lama is) en is momenteel gastprofessor in Nederland.  Zijn specialiteit: de mechanismen aan het licht brengen die minderheidsgroepen in een sociale gemeenschap structureel benadelen en kunnen leiden tot sociaaleconomische uitsluiting. Tijdens het internationaal seminarie voor tibetologen in Beijing in oktober 2008 bracht hij aan de hand van sommige economische indicatoren een stevig discussieonderwerp naar voor: "de massale Chinese staatsteun voor Tibet is niet productief, de Tibetaanse rurale bevolking heeft weinig uitzicht op de vruchten van de modernisering. Infrastructuur, administratie en stedelijke beroepen slorpen alles op." Zijn betoog was sterk, zeker nuttig voor een interessant debat in China over Tibet. Maar ongelukkig genoeg deed Andrew Fisher ook enkele politieke uitspraken, die de seminarieleden op een kwaad been zetten, zie verder. Eerst de gegevens.

"80% van het BNP van Tibet is investering, dat is het hoogste cijfer ter wereld. Dat komt door de grote infrastructuurprojecten en de uitgebreide administratie. Die beiden nemen te veel plaats in, investeringen in reële productieve sectoren zijn miniem. In de aanpalende provincie Qinghai creëert 1 yuan investering een BNP-resultaat van 1,5 yuan. In Tibet brengt 1 yuan investering ondermaats 0,8 yuan BNP voort. Dit is een zeer onefficiënte manier om Tibet economisch op een goed ontwikkelingspoor te plaatsen. En dit duurt al een hele tijd. Waarom? Het 'administratief' hoofd in Tibet weegt te zwaar. Neem de centrale subsidies weg en de Tibetaanse economie valt in elkaar. De mooie spoorweg zal natuurlijk blijven.

Tibet vertoont de grootste ongelijkheid in China tussen stad en platteland: 1 tot 5, en de laatste tien jaar is die kloof vergroot. Ook zelfs binnen de stedelijke bevolking is er voor de werkende bevolking een salarisverschil van 1 tot 4.

Het hoofdprobleem is echter dat de stedelijke centra weinig 'productieve activiteit' hebben, zij genereren zelf geen echte meerwaarde."

Tot daar de analyse.

De 'ongelukkige' of halfintentionele politieke uitspraken van Fisher: "De vroegere adellijke elite in Tibet is nu vervangen door het partijapparaat, dat evengoed als toen slechts 5% van de bevolking vertegenwoordigt en een groot deel van de centrale subsidies opslorpt " en "De sociaaleconomische discriminatie treft de Tibetanen en niet de Han inwijkelingen."  Dat zorgde voor heibel in het debat. De situatie met de vroegere grootgrondbezitters is niet vergelijkbaar. Het gaat hier niet meer om uitbuitingsverhoudingen, zelfs al is het waar dat het flink uitgebouwd overheidsapparaat in Tibet leeft op de kosten van de centrale staat. De reacties van de andere deelnemers aan het seminarie, Tibetanen en Han, was duidelijk: "De Westerse modellen van economische ontwikkeling zijn niet klakkeloos toepasbaar op Tibet. De Tibetaanse economie wordt beschouwd als een 'politieke' economie, een publieke aangelegenheid. De Chinese staat wil eerst en vooral de leefcondities van de Tibetaanse bevolking verbeteren, via de uitbouw van een netwerk van diensten, via de gezondheidszorg, de hygiëne, de cultuur, de sport, de veiligheid en de zorg voor de ecologie. Dat is meer dan de louter economische indicatoren. Bovendien is er het militaire aspect met Tibet als internationaal begeerde zone. Het geheel moet bekeken worden en op lange termijn. De staat probeert in Tibet de nodige infrastructuur uit te bouwen om het moderniseringsinitiatief kans te bieden, zonder de traditionele waarden van de Tibetaanse cultuur over boord te gooien. Daarbij wordt de bevolking betrokken, er zijn lokale volkscomités per stadsdeel in Lhasa, per werkeenheid of per handelscentrum."

Naar mijn kennis had Fisher gelijk in zijn uiteenzetting, waar hij het had over het "te weinig productieve investeringen" in Tibet. Om werkelijk op eigen kracht verder te ontwikkelen en minder afhankelijk te worden van de nationale subsidies zal een eigen lichte industrie een noodzaak worden.

Bijna alle consumptieartikelen komen van het binnenland in China. De vraag is: welke producten worden in voldoende aantallen door de Tibetanen gekocht, want eigenlijk zijn zij slechts een 'kleine' markt van 3 miljoen mensen. Het kunnen mixers zijn om boterthee te bereiden. Alle boeren die ik ontmoette hebben er al een. De vraag is dus: wat is nuttig voor de lokale consumptie, in voldoende aantal om er een productielijn voor te starten.

Jp desimpelaere

DSCN4028

technieken in de landbouw zijn nog zeer archaïsch

09-11-08

orientaties en problemen van de Tibetaanse economie

Een internationaal seminarie van tibetologen had plaats in Beijing van 13 tot 17 oktober 2008. Ikzelf was er aanwezig. Een opmerkelijke analyse over de economische ontwikkeling van Tibet hoorde ik van professor Sun Yong, een economist en vicevoorzitter van de Academie voor Sociale Wetenschappen in Lhasa. Ik probeer zijn bijdrage samengevat weer te geven.

"De economische ontwikkeling van Tibet is totnogtoe vooral gebaseerd op het openen van de regio door infrastructuurwerken uit te voeren: communicatie, transport, energie, urbanisatie, bouwen van scholen en hospitalen. De trein naar Lhasa is daarbij de kroon op het werk. Momenteel zijn we flink de nadruk aan het leggen op de ecologie: uitbreiden van de beschermde zones, subsidiëring van zonne-energie-installaties, beter gebruik van bronwater en beter beheer van de productie van geneeskruiden. Wij stoten daarbij onherroepelijk op de vaststelling dat het onderwijs in Tibet nog te zwak is. Dit staat in schril contrast met de rijke cultuur. De regio geniet nog steeds van 90% nationale steun voor haar lokaal budget. Dat zal nog een tijd duren. De enige uitweg daaruit is het diversifiëren van de Tibetaanse economie, er zijn nog te veel mensen louter actief in de landbouw en veeteelt. En hun inkomensniveau ligt nog 20% onder het gemiddelde van de rurale bevolking in China. Bij de mensen is er een rem om hun veestapel te verkopen (noot van mezelf: er is teveel vee in Tibet voor het beschikbare gras), 'het vee staat niet op het vetst want er is te weinig gras', zeggen de mensen, of gewoon omdat zij hun traditionele manier van leven niet willen verlaten.

Nochtans is de enige weg naar economische vooruitgang het verminderen van het aantal personen in de landbouw en voor hen die blijven de technieken verbeteren. Een deel van de Tibetanen zal in de diverse kleine stedelijke agglomeraties moeten gaan wonen. Op voorwaarde dat er zich daar banen aanbieden. Dit veronderstelt een zekere industrialisering, waarbij de lichte nijverheid de enige optie is, naast de uitbouw van de diensten voor het toerisme. Tibetanen zullen 'dingen' moeten produceren en zelfs leren competitief te zijn met de rest van China, waarbij ze zich marketing- en managementtechnieken zullen moeten eigen maken. Die lichte industrie moet op hun noden gericht zijn: nagaan wat ze zelf nodig hebben en hen vormen om die dingen zelf te produceren. Ook kleine bedrijven die de lokale landbouwproducten verpakken of transformeren. Het privé-initiatief mag daarbij wat meer plaats krijgen (noot van mezelf: quasi afwezig tot nu in de 'industriële' productie van Tibet). Daarnaast kan de rijke Tibetaanse cultuur dienen om meer uit te voeren naar het binneland van China en naar de omliggende landen. De buitenlandse handel van Tibet is momenteel te zwak. Het bevorderen van de grenshandel met Nepal en India is een belangrijke troef voor de toekomst. Een betere weg of een trein naar die landen kan de Tibetanen een betere handelssituatie bezorgen. Dat er een vlotte communicatie ontstaat tussen Nepal, via Lhasa tot Chengdu, is goed voor Tibet en voor de rest van China."

Sun Yong voegde eraan toe dat de materiële situatie van de Tibetaanse families er flink op verbeterd is, maar dat de economische structuur nog niet veranderd is: Tibet blijft nog een agrarische gemeenschap, flink gesteund door de staat. Deze "dubbelspoor"-ontwikkeling zal nog een lange tijd doorgaan. Tibet heeft nood aan verstedelijking, verhoging van het technisch niveau van de productie en scholing in technische en beheervaardigheden.

Jp desimpelaere

 

 

 

te veel vee

te veel vee, te weinig gras. Hier de strorestjes na de oogst.

19:53 Gepost door infortibet in economie algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Tags: tibet, economie, landbouw, industrie, tradities