27-11-09

Tibetanen gaan elders in China werken

In 2009 zijn nagenoeg 50.000 Tibetaanse boeren of herders tijdelijk in andere provincies van China gaan werken. Dat is vrij veel, ongeveer tien procent van de overtollige arbeidskrachten in Tibet. Waarom zijn er overtollige arbeidskrachten in Tibet? Omdat de bevolking ongeveer verdriedubbeld is de laatste vijftig jaar en er geen landbouwgrond of graasland kan bijkomen, gezien de klimatologische omstandigheden. En omdat er weinig industrie in Tibet aanwezig is. Dat is voor een deel gewild door de overheid, omwille van milieuoverwegingen en omdat het niet rendabel leek om in dat verre hoogland productief te investeren. Daar komt nu verandering in, want er moet dringend iets gebeuren met die ‘overtollige arbeidskrachten’. Er wordt een weg gezocht naar kleine industriële projecten gericht op de consumptienoden ter plaatse. Daarnaast blijven toerismefaciliteiten en artisanale productie ten volle ontwikkelingssteun krijgen. Ondertussen kanaliseert de lokale overheid de ‘werkzoekenden’ dus naar bouwprojecten in het binnenland van China, een tijdelijke oplossing. Maar een, die wel geld in het bakje brengt van de Tibetaanse uitzendwerkers: zoiets als 600 euro meer per jaar, per persoon.

Xinhua, 26/11/09  

21:52 Gepost door infortibet in economie algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Tags: industrie, tibet, tewerkstelling

10-11-08

onevenwichten in de economische ontwikkeling

Andrew Fisher is een Engelse economist, heeft indertijd in London gewerkt voor het TIN (TibetInfoNet, wat pro dalai lama is) en is momenteel gastprofessor in Nederland.  Zijn specialiteit: de mechanismen aan het licht brengen die minderheidsgroepen in een sociale gemeenschap structureel benadelen en kunnen leiden tot sociaaleconomische uitsluiting. Tijdens het internationaal seminarie voor tibetologen in Beijing in oktober 2008 bracht hij aan de hand van sommige economische indicatoren een stevig discussieonderwerp naar voor: "de massale Chinese staatsteun voor Tibet is niet productief, de Tibetaanse rurale bevolking heeft weinig uitzicht op de vruchten van de modernisering. Infrastructuur, administratie en stedelijke beroepen slorpen alles op." Zijn betoog was sterk, zeker nuttig voor een interessant debat in China over Tibet. Maar ongelukkig genoeg deed Andrew Fisher ook enkele politieke uitspraken, die de seminarieleden op een kwaad been zetten, zie verder. Eerst de gegevens.

"80% van het BNP van Tibet is investering, dat is het hoogste cijfer ter wereld. Dat komt door de grote infrastructuurprojecten en de uitgebreide administratie. Die beiden nemen te veel plaats in, investeringen in reële productieve sectoren zijn miniem. In de aanpalende provincie Qinghai creëert 1 yuan investering een BNP-resultaat van 1,5 yuan. In Tibet brengt 1 yuan investering ondermaats 0,8 yuan BNP voort. Dit is een zeer onefficiënte manier om Tibet economisch op een goed ontwikkelingspoor te plaatsen. En dit duurt al een hele tijd. Waarom? Het 'administratief' hoofd in Tibet weegt te zwaar. Neem de centrale subsidies weg en de Tibetaanse economie valt in elkaar. De mooie spoorweg zal natuurlijk blijven.

Tibet vertoont de grootste ongelijkheid in China tussen stad en platteland: 1 tot 5, en de laatste tien jaar is die kloof vergroot. Ook zelfs binnen de stedelijke bevolking is er voor de werkende bevolking een salarisverschil van 1 tot 4.

Het hoofdprobleem is echter dat de stedelijke centra weinig 'productieve activiteit' hebben, zij genereren zelf geen echte meerwaarde."

Tot daar de analyse.

De 'ongelukkige' of halfintentionele politieke uitspraken van Fisher: "De vroegere adellijke elite in Tibet is nu vervangen door het partijapparaat, dat evengoed als toen slechts 5% van de bevolking vertegenwoordigt en een groot deel van de centrale subsidies opslorpt " en "De sociaaleconomische discriminatie treft de Tibetanen en niet de Han inwijkelingen."  Dat zorgde voor heibel in het debat. De situatie met de vroegere grootgrondbezitters is niet vergelijkbaar. Het gaat hier niet meer om uitbuitingsverhoudingen, zelfs al is het waar dat het flink uitgebouwd overheidsapparaat in Tibet leeft op de kosten van de centrale staat. De reacties van de andere deelnemers aan het seminarie, Tibetanen en Han, was duidelijk: "De Westerse modellen van economische ontwikkeling zijn niet klakkeloos toepasbaar op Tibet. De Tibetaanse economie wordt beschouwd als een 'politieke' economie, een publieke aangelegenheid. De Chinese staat wil eerst en vooral de leefcondities van de Tibetaanse bevolking verbeteren, via de uitbouw van een netwerk van diensten, via de gezondheidszorg, de hygiëne, de cultuur, de sport, de veiligheid en de zorg voor de ecologie. Dat is meer dan de louter economische indicatoren. Bovendien is er het militaire aspect met Tibet als internationaal begeerde zone. Het geheel moet bekeken worden en op lange termijn. De staat probeert in Tibet de nodige infrastructuur uit te bouwen om het moderniseringsinitiatief kans te bieden, zonder de traditionele waarden van de Tibetaanse cultuur over boord te gooien. Daarbij wordt de bevolking betrokken, er zijn lokale volkscomités per stadsdeel in Lhasa, per werkeenheid of per handelscentrum."

Naar mijn kennis had Fisher gelijk in zijn uiteenzetting, waar hij het had over het "te weinig productieve investeringen" in Tibet. Om werkelijk op eigen kracht verder te ontwikkelen en minder afhankelijk te worden van de nationale subsidies zal een eigen lichte industrie een noodzaak worden.

Bijna alle consumptieartikelen komen van het binnenland in China. De vraag is: welke producten worden in voldoende aantallen door de Tibetanen gekocht, want eigenlijk zijn zij slechts een 'kleine' markt van 3 miljoen mensen. Het kunnen mixers zijn om boterthee te bereiden. Alle boeren die ik ontmoette hebben er al een. De vraag is dus: wat is nuttig voor de lokale consumptie, in voldoende aantal om er een productielijn voor te starten.

Jp desimpelaere

DSCN4028

technieken in de landbouw zijn nog zeer archaïsch

09-11-08

orientaties en problemen van de Tibetaanse economie

Een internationaal seminarie van tibetologen had plaats in Beijing van 13 tot 17 oktober 2008. Ikzelf was er aanwezig. Een opmerkelijke analyse over de economische ontwikkeling van Tibet hoorde ik van professor Sun Yong, een economist en vicevoorzitter van de Academie voor Sociale Wetenschappen in Lhasa. Ik probeer zijn bijdrage samengevat weer te geven.

"De economische ontwikkeling van Tibet is totnogtoe vooral gebaseerd op het openen van de regio door infrastructuurwerken uit te voeren: communicatie, transport, energie, urbanisatie, bouwen van scholen en hospitalen. De trein naar Lhasa is daarbij de kroon op het werk. Momenteel zijn we flink de nadruk aan het leggen op de ecologie: uitbreiden van de beschermde zones, subsidiëring van zonne-energie-installaties, beter gebruik van bronwater en beter beheer van de productie van geneeskruiden. Wij stoten daarbij onherroepelijk op de vaststelling dat het onderwijs in Tibet nog te zwak is. Dit staat in schril contrast met de rijke cultuur. De regio geniet nog steeds van 90% nationale steun voor haar lokaal budget. Dat zal nog een tijd duren. De enige uitweg daaruit is het diversifiëren van de Tibetaanse economie, er zijn nog te veel mensen louter actief in de landbouw en veeteelt. En hun inkomensniveau ligt nog 20% onder het gemiddelde van de rurale bevolking in China. Bij de mensen is er een rem om hun veestapel te verkopen (noot van mezelf: er is teveel vee in Tibet voor het beschikbare gras), 'het vee staat niet op het vetst want er is te weinig gras', zeggen de mensen, of gewoon omdat zij hun traditionele manier van leven niet willen verlaten.

Nochtans is de enige weg naar economische vooruitgang het verminderen van het aantal personen in de landbouw en voor hen die blijven de technieken verbeteren. Een deel van de Tibetanen zal in de diverse kleine stedelijke agglomeraties moeten gaan wonen. Op voorwaarde dat er zich daar banen aanbieden. Dit veronderstelt een zekere industrialisering, waarbij de lichte nijverheid de enige optie is, naast de uitbouw van de diensten voor het toerisme. Tibetanen zullen 'dingen' moeten produceren en zelfs leren competitief te zijn met de rest van China, waarbij ze zich marketing- en managementtechnieken zullen moeten eigen maken. Die lichte industrie moet op hun noden gericht zijn: nagaan wat ze zelf nodig hebben en hen vormen om die dingen zelf te produceren. Ook kleine bedrijven die de lokale landbouwproducten verpakken of transformeren. Het privé-initiatief mag daarbij wat meer plaats krijgen (noot van mezelf: quasi afwezig tot nu in de 'industriële' productie van Tibet). Daarnaast kan de rijke Tibetaanse cultuur dienen om meer uit te voeren naar het binneland van China en naar de omliggende landen. De buitenlandse handel van Tibet is momenteel te zwak. Het bevorderen van de grenshandel met Nepal en India is een belangrijke troef voor de toekomst. Een betere weg of een trein naar die landen kan de Tibetanen een betere handelssituatie bezorgen. Dat er een vlotte communicatie ontstaat tussen Nepal, via Lhasa tot Chengdu, is goed voor Tibet en voor de rest van China."

Sun Yong voegde eraan toe dat de materiële situatie van de Tibetaanse families er flink op verbeterd is, maar dat de economische structuur nog niet veranderd is: Tibet blijft nog een agrarische gemeenschap, flink gesteund door de staat. Deze "dubbelspoor"-ontwikkeling zal nog een lange tijd doorgaan. Tibet heeft nood aan verstedelijking, verhoging van het technisch niveau van de productie en scholing in technische en beheervaardigheden.

Jp desimpelaere

 

 

 

te veel vee

te veel vee, te weinig gras. Hier de strorestjes na de oogst.

19:53 Gepost door infortibet in economie algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Tags: tibet, economie, landbouw, industrie, tradities