28-02-11

Inhaalbeweging van het inkomen van de Tibetaanse boeren tegenover de stedelingen.

Zoals in vele ontwikkelingslanden produceerden de Tibetaanse boeren weinig of geen overschot. Wat ze teelden of kweekten, diende voornamelijk voor eigen gebruik. Een landbouwerfamilie verkocht dus weinig en bezat omzeggens geen geld. Daardoor ligt het financiële inkomen van de plattelandsbevolking flink achter op dat van de stedelingen. Er is echter een inhaalbeweging ingezet. In 1990 kreeg een gemiddeld landbouwergezin acht maal minder geld binnen dan een stedelijk gezin. Twintig jaar later, in 2010, is dit herleid tot driemaal minder.

Het gaat zeker nog niet over flinke bedragen. Bovendien zijn die niet vergelijkbaar met hier. Toch het vermelden waard, al was het maar om een idee te hebben hoe laag de geldelijke inkomens nog zijn. Een gemiddeld Tibetaans landbouwergezin (vier personen) krijgt nu ongeveer 1800 euro in handen, … jaarlijks. Dat stemt trouwens overeen met het gemiddelde inkomen van de landbouwers in het geheel van China. Daarop moeten ze geen belasting betalen, het zou al te erg zijn. Terloops, in het oude Tibet van voor de landhervorming (1959) hadden de boeren tientallen keren minder centen en ze moesten er wel belastingen op betalen om een kleine elite te onderhouden!

Wij, Westerse toeristen in Tibet, moeten in die mensen hun ogen voorkomen als een goudmijn, want twee weken er wat rondtoeren met z’n tweeën en er is meer gespendeerd door ons dan het jaarinkomen van hun gezin.

tibet,armoede,inkomen

in de stad...

De gezinnen in de stedelijke agglomeraties verdienen gemiddeld dus drie maal meer, ongeveer 5000 euro per jaar. Die hebben dus ook allen al een gsm, de toerist is de uitzondering niet meer.

tibet,armoede,inkomen

 te lande

Gemiddelden zeggen niet alles natuurlijk. Er zijn in Tibet nog een half miljoen mensen, waarvan het inkomen beneden de armoedegrens ligt, dat is 17% van de bevolking! De overheid ‘herzag’ de ‘armoedegrens’ en bepaalde die op zoiets als 200 euro per jaar en per persoon (800 dus voor een gezin van vier personen). Een jaar geleden lag die lager: 140 euro. Naarmate de ontwikkeling van Tibet vordert en rekening houdend met de levensduurte legt de overheid het minimuminkomen om niet in armoede te verkeren hoger. Wie beneden die grens valt krijgt een kleine geldelijke steun, eventueel gratis graan en woon- of bouwsubsidie.

De komende vijf jaar wil China dat half miljoen mensen boven de armoedegrens brengen, met zeer diverse middelen maar vooral met economische hefbomen: opleiding en werk.

 

Algemeen in de landbouw zijn heel wat zaken verbeterd de laatste twintig jaar. Om er enkele te noemen: een betere zaadselectie, gerichter en matiger gebruik van irrigatiewater, lichte mechanisering (er verschijnen al pikdorsers), betere behandeling na de oogst (reinigen, opslaan, inpakken om naar de stad te vervoeren). De organisatie van het werk gebeurt op min of meer collectieve basis per dorp, de verdiensten echter zijn per familie en bepaald door de opbrengst op de hun toegewezen grond.

In de kantons met gemengde landbouwproductie – gerst, veeteelt én groenten in serres – is het aandeel van de groenteteelt ondertussen al één vijfde van de totale productiewaarde. Eén mu (1/15e van een hectare) met groenteserres brengt ongeveer 450 euro per jaar op. Voor één mu gerst is dat tienmaal minder.

17:16 Gepost door infortibet in landbouw | Permalink | Commentaren (0) | Tags: tibet, armoede, inkomen

04-04-10

Ondersteuning van koopkracht in Tibet

De omzet van de kleinhandel op het platteland (dat komt ongeveer overeen met wat de plattelandsbevolking koopt) was in 2009 ongeveer 30% hoger dan in 2008. De stedelijke bevolking van haar kant besteedde ongeveer 20% meer dan het jaar tevoren. Dat allemaal in volle ‘internationale crisis’.

Tegenover die crisis had de Chinese overheid gekozen voor het stimuleren van de binnenlandse markt, want China moest geen zware ondersteuning geven aan zijn banken, die financieel niet zo kwetsbaar waren als de banken in het Westen. Zo besliste de regionale Tibetaanse overheid ondermeer om vanaf 1 juli 2009 aan de plattelandsbevolking een prijssubsidie te verlenen van 20% bij de aankoop van elektrische toestellen en van 25% bij de aankoop van meubelen.

 

De landelijke bevolking krijgt nu duidelijk voorrang vanwege de overheid.  Hun inkomen was nog vier maal lager dan dit van de stedelingen. Een voorkeurbehandeling wil een zekere inhaalbeweging forceren. Voor 2010 gaan de subsidies aan de Tibetaanse landbouw met 70% omhoog tegenover 2009. Het totale regionale budget voor steun aan de landbouw komt dan neer op gemiddeld 750 euro per familie. Deze subsidies moeten de aankoop van kwaliteitszaden en werktuigen ondersteunen, naast algemenere ontwikkelingsprojecten.

DSCN4028

Toch iets meer werktuigen voor de mensen ginder zou goed zijn

Een klein deel van het budget gaat naar een verzekeringskas tegen arbeidsongevallen.

Een afzonderlijk budget van 25 miljoen euro is nog voorzien voor subsidies aan de woningbouw op het platteland en iets meer dan 30 miljoen euro voor de versteviging van bestaande huizen om beter (de frequente) aardbevingen te doorstaan.

Een andere maatregel ten voordele van de landbouwers en herders is het optrekken van de staatsbijdrage voor hun hospitalisatieverzekering. De verzekering bij de plattelandsbevolking in Tibet is momenteel nog op vrijwillige basis. Een Tibetaanse familie betaalt ongeveer 1 euro per jaar als bijdrage en de staat legt daar 20 euro bovenop (vorig jaar was het 15 euro). Bij hospitalisatie is de terugbetaling dan 75%. Er is wel een maximumsom per jaar voor terugbetaling: 2200 euro (vorig jaar was het maximum interventiebedrag nog vrij laag: 900 euro). Bovendien kunnen niet-verzekerden momenteel nog rekenen op een terugbetaling van hospitalisatiekosten van maximum 700 euro per jaar.

Bron: regionaal Tibetaans financieel departement, persconferentie 4/12/09 

15:19 Gepost door infortibet in sociaal | Permalink | Commentaren (0) | Tags: tibet, landbouwers, sociale zekerheid, inkomen, herders

26-01-09

De graanschuur van Tibet

Als men over Tibet spreekt, dan moet men het over de boeren hebben, die 83 %[1]  van de bevolking uitmaken.

In oktober 2008 kon ik hen de oogst zien binnenhalen, samen met een vriend en tolk. De contacten met de landbouwers verliepen zonder begeleiding van lokale politici. Niet dat ik geen vertrouwen kan geven aan lokale overheden – daar had ik in het verleden al verschillende malen mee te maken – maar voor onze gevoelige Westerse oren klinkt het neutraler als ik die mensen negeer. Wat niet mijn mening is, maar kom, deze keer alleen op pad met mijn Tibetaanse gezel. Uit ervaring weet ik ook dat Tibetanen ronduit hun mening zeggen, directer dan de Han Chinezen en zelfs tegenover een vreemde snuit.

De graanschuur van Tibet is de streek ten westen van Lhasa, met de steden Gyangze en Xigaze als centrum.

Wij stoppen in een dorp waar de naoogst nog volop aan de gang is. Het is ongeveer 10 uur in de voormiddag en het vriest nog flink, de irrigatiekanaaltjes zijn nog bevroren. Ik vraag me af of dit deel uitmaakt van het idyllisch beeld van Tibet dat wij in het Westen hebben: ’s morgens bij de eerste klaarte een trui meer aantrekken en in de snijdende wind bij -5°C beginnen te dorsen, daar moet je spiritueel sterk voor staan. “Er viel genoeg regen in de streek het afgelopen jaar en er waren geen rampen,” zo vertelt een boer ons, “de oogst is goed.” Hij ziet er glunderend uit in de zon. Dat bewerken van de oogst is spectaculair in de streek: elk dorp is er simultaan mee bezig en de dorpen liggen hier op gezichtsafstand. Daarenboven is in ieder dorp elke familie tegelijk aan het werk, meestal op een daarvoor voorziene platgestampte grond, centraal in het dorp. De grootmoeders zorgen voor de kleine kinderen, de grotere kinderen zijn naar school, waar ze tijdens de week blijven slapen, kost en inwoon, schooluniformen, boeken en schriftjes gratis.

Voor de bewerking van de oogst hebben de boeren enkele zeer primitieve werktuigen of machines. Het dorsen gebeurt met een ouderwetse dorsvlegel. Met een vork gooien ze dat mengsel stro en granen de hoogte in en een elektrische ventilator op een voet blaast het kaf eruit. In een ander dorp hebben ze een soort kanonblazer die het mengsel schuin de hoogte in blaast, waarbij de graankorrels verder vliegen dan het kaf, tot op een groot plastieken zeil op de grond. Dit gaat vrij vlug en het “kanon” verhuist dan ook van familie naar familie. Het stro wordt in zakken gepropt als wintervoorraad voor de dieren.

Melkkoeien

De oogst was al binnen in deze oktobermaand bij de familie van Pema, 55 jaar en de “vrouw des huizes”. Met haar man heeft zij vijf grote kinderen, één dochter en vier zonen. De dochter is uitgehuwd en woont niet meer in. Drie zonen wonen wel nog in en delen één vrouw, naar oude Tibetaanse gewoonte. Dat viertal heeft drie kleine kinderen, drie jongens. Een vierde zoon is monnik in Gyangze. Het mannelijke overheerst nogal maar als boerenbedrijf doen zij het goed, mevrouw Pema is zaakvoerder en boze goden worden afgeweerd door de vierde zoon in het klooster. Indertijd bij de ontmanteling van de communestructuur, kreeg Pema een flink stuk grond toebedeeld omdat ze vijf kinderen had: 25 mu of bijna 2 hectare. Zij verbouwen er traditioneel gerst op, waarvan zij er jaarlijks vier ton kunnen verkopen, de rest is voor eigen gebruik. Dat brengt hen ongeveer 600 euro op. Maar zij gingen ook in op enkele kansen die de overheid bood om hun bedrijfje te diversifiëren: de staat gaf 50% aankoopsubsidie voor speciale melkkoeien, die meer melk geven dan yaks. De familie heeft er nu 11 en specialiseert zich in het produceren van melk en kaas. Voor het voederen van de koeien in de winter krijgt de familie Pema gratis een zekere hoeveelheid maïs van de overheid.

mevr pema

Mevrouw Pema en een paar van de "mannen in het huis".

De meeste Tibetaanse boeren hadden 10 jaar geleden niets anders dan het geldelijk inkomen van hun gerst, waardoor zij amper aan de helft kwamen van het Chinese nationale gemiddelde inkomen van de boeren. Twee evoluties brengen daar nu stilaan verandering in: de landbouw diversifieert en in de winter is bijklussen in de bouw of in het transport mogelijk. Twee zonen van Pema gaan van november tot april in de stad werken. Zij hebben een kleine tractor met aanhangwagen, een investering voor hen van 1500 euro. De familie bezit ook een kleine dorsmachine, 400 euro. Hun diverse activiteiten brengen het totale geldelijk inkomen van de familie net boven de 2.000 euro per jaar, wat ongeveer overeenkomt met het gemiddelde van de boeren in China. Hun inkomen wordt niet belast. Dat zijn nog minieme bedragen, slechts iets meer dan de internationale armoedenorm van 1 dollar per dag per persoon.

Voor 1959 was er in Tibet onder de gewone mensen bijna geen geld in omloop, zij moesten de oogst grotendeels afgeven aan de heer of aan de kloosters en wat overbleef was nauwelijks genoeg om zelf te overleven. Er was een beetje ruilhandel en geld was praktisch onbestaande. De elite had wel geld, zij waren miljardairs bij manier van spreken. Twee voorbeelden. In 1951, net voor de aankomst van het Rode Leger in Lhasa, liet de familie van de 14e dalai lama met een karavaan van honderden geladen muilezels de familieschat in veiligheid brengen in Sikkim. De schat kwam nooit terug. De boekhouder van het Potala paleis schrijft in zijn memoires dat de totale waarde ervan ongeveer 5 miljoen USdollar (van toen) bedroeg.[2]

Een ander voorbeeld: de regentlama voor Tibet tijdens de jonge jaren van de 9e en de 10e dalai lama (die beiden jong stierven) werd in 1844 afgezet door de Chinese Qing keizer Daogang wegens corruptie. Zijn fortuin van 144.000 zilverstukken (taëls) werd aangeslagen en verdeeld onder de kloosters in de streek van Xigaze. Zijn ruime provisies (300 hl rijst, 7.000 hl gerst en tarwe samen) gingen deels naar de lokale functionarissen en deels naar het Chinese leger.[3]   

 

Huizen

Mevrouw Pema heeft een prachtig groot huis, naar onze normen een grote villa, maar zonder verwarming. De overheid stimuleert sinds vijf jaar de landelijke Tibetaanse bevolking om zich een deftig nieuw huis te bouwen en geeft daarbij subsidies naargelang het inkomen (meer indien minder). De kantonale overheden hebben zelfs de vrijheid om delen van het budget te besteden aan gratis woningen voor arme families.

De familie van Pema was niet van de armste en aan hen werd slechts 10% bouwsubsidie toegekend. Hun woning kostte 10.000 euro, hoofdzakelijk aan bouwmaterialen, want het bouwen dat deden zij zelf, volgens een traditioneel patroon voor de streek. Alle huizen zijn gelijk behalve de versiering en de meubelen. In alle huizen is er een religieuze kamer. Die van Pema is groot, 5m op 8m. Een beeld van Sakyamuni en een van Padmasambhava, grondlegger van het Tibetaanse boeddhisme in de 8e eeuw, naast foto’s van de 9e, de 10e en de 11e panchen lama. Ik vraag hen of ze dagelijks in de religieuze ruimte komen. Neen, slechts enkele malen per jaar of bij speciale gebeurtenissen zoals geboortes, ziekten of overlijden. De kamer is als het ware het “woonvertrek” voor Boeddha en zijn illustere discipelen. Zij toont mij een kader met foto’s van haar familie. Haar broer is “intendant” van de huidige 11e panchen lama. Intendant is een soort kamerjongen of heer belast met het huishouden van de panchen lama. En wat denken zij van de rellen in Lhasa in maart 2008? Mevrouw Pema vindt die zeer erg voor Tibet, volgens haar zijn het ‘bandieten’ die ze veroorzaakten. Maar of de 14e dalai lama er voor iets tussen zat (wat de Chinese regering zegt), daarop antwoordt zij: “Onze godsdienst verbiedt ons om iets kwaads te zeggen over de 14e dalai lama. Dat zou ons karma voor onze toekomstige levens kunnen beïnvloeden.”



[1] Tibet Statistical Yearbook 2008

[2] Tashi Tsering, autobiography, pag57-58, East Gate Books, USA, 1997.

[3] Biography of the 11th dalai lama, rapporten van Qing commissaris Qishang, geciteerd in “The system of the dalai lama reincarnation”, Chen Qingying, China International Press, 2005


16:58 Gepost door infortibet in landbouw | Permalink | Commentaren (0) | Tags: tibet, dorpen, inkomen, overheidssteun, families