01-02-12

De zelfverbrandingen van Tibetaanse monniken

 

De eerste die door zelfverbranding om het leven kwam was een monnik – een twintiger - van het Sirti klooster in de prefectuur Aba (Ngaba) in Noordwest-Sichuan. Dit gebeurde einde februari 2009. Tussen maart 2011 en nu januari 2012 kwamen er nog zestien zelfverbrandingen, waarvan de Tibetaanse oppositie in het buitenland denkt dat er minstens 10 zijn, die het niet overleefden, een triest en verschrikkelijk palmares. Schrijnend is ook de jeugdige leeftijd van de meeste ‘zelfverbranders’: tien van de zeventien waren jonger dan twintig of net twintig.

De pers in China maakt gewag van de gebeurtenissen, keurt ze scherp af en geeft geen details. Detailinformatie over de namen van de monniken, de plaats en de datum waar het gebeurde en de omstandigheden wordt voornamelijk verspreid door ICT [1].

De gebieden waar de zelfverbrandingen plaatsvonden zijn sinds april 2011 overigens afgegrendeld voor de Westerse pers.

ICT schrijft dat elke monnik of non, die zich opofferde, slagzinnen riep voor een “vrij Tibet”en voor de terugkeer van de dalai lama.

"Radio Free Asia reported that before he set himself ablaze, he climbed a local hill to burn incense and pray before distributing leaflets saying he would act "not for his personal glory but for Tibet and the happiness of Tibetans."

“According to Tibetan exiles who spoke to a witness of the protest, before he was stopped by police Phuntsog shouted slogans including ‘May His Holiness the Dalai Lama live for 10,000 years!’"

ICT meldt ook vergezellend volksprotest, maar slechts bij enkele gevallen. Daarbij zouden  enkele doden gevallen zijn door het politieoptreden. Het Chinese persagentschap vermeldt er één.

Opvallend is dat van de zeventien zelfverbrandingen er twaalf gebeurden in dezelfde regio: in de autonome gemengde prefectuur Aba van Tibetanen en Qiang[2]. Van die twaalf zijn er tien afkomstig van één bepaald klooster: Kirti. Daarnaast zijn er drie zelfverbrandingen gemeld in de prefectuur Garze, ook in West-Sichuan, één in het zuiden van de provincie Qinghai en één in Tibet zelf, in de oostelijke stad Chamdo. Deze vier streken zijn min of meer aanpalend aan elkaar, het gaat globaal om een gebied grenzend aan het noordoosten van het huidige Tibet en het is een deel van de historische gebieden ‘Amdo’ en ‘Kham’.[3]  

De regio Aba is driemaal groter dan België en er leven 1 miljoen mensen, voor 72% Tibetanen en Qiang. Er zijn 42 kloosters, samen goed voor een paar tienduizenden religieuzen[4]. Aba is een regio buiten het huidige Tibet en bevindt zich, in de provincie Sichuan, die al tijdens de Manchu dynastie in China als afzonderlijke provincie bestond (18e eeuw). Gedurende de laatste twee eeuwen was er een zekere migratie van Han Chinezen naar West-Sichuan, maar de Han bleven duidelijk in de minderheid.[5]

ICT geeft een eventueel etnisch-numeriek bevolkingsprobleem niet aan als mogelijke oorzaak voor de wanhopige daden in Aba, wel een bestuursprobleem: de “afwezigheid van religieuze en politieke vrijheid”.

De overheid in de regio Aba is Tibetaans, de politie evenzeer[6]. Van een directe etnische tegenstelling tussen de bevolking en het lokale bestuurs- of repressieapparaat kan men dan moeilijk spreken. Natuurlijk is er een nationale politiek in China tegenover de Tibetaanse bevolking. Een kort historisch overzicht kan enig licht werpen op het feit waarom dit tragisch protest geconcentreerd is in de regio Aba.

Toen China na de revolutie van 1949 zijn territoriale aanspraken op Tibet herbevestigde[7] door het Rode Leger in 1951 naar Lhasa te sturen beloofde de Chinese nationale regering om de landadel in Tibet ongemoeid te laten en geen landhervorming door te voeren zonder hun instemming. De belofte gold voor het Tibet van toen[8], wat overeenkomt met het huidige Tibet, maar niet voor de gebieden in Sichuan waar ook Tibetanen wonen, bv in de regio Aba. Daar werd de landhervorming wel doorgevoerd. Daartegen is lokaal verzet gekomen, dat zich vanaf 1956 via de VS kon bewapenen en een guerrilla starten. West-Sichuan werd de thuisbasis van het gewapend verzet tegen het Chinese bewind, waarbij de kloosters een eminente rol vervulden.[9] In 1959 bereikte de opstand Lhasa, maar werd er neergeslagen. Dit leidde tot de vlucht van de dalai lama naar Indië, met in zijn spoor heel wat Tibetanen van West-Sichuan. De toenmalige abt van het hierboven vermelde Kirti klooster in Aba was één van de uitwijkelingen en bevindt zich nog steeds in het Indische Dharamsala, de huidige thuisbasis van de dalai lama. Net zoals de dalai lama zegt de ex-abt van Kirti dat zelfverbranding eigenlijk niet strookt met de boeddhistische leer, maar dat hij begrijpt dat de extreme repressie een aantal monniken tot die daad drijft.

De ‘eerste minister’ van de dalai lama, Lobsang Sangey, heeft ongeveer dezelfde bewoordingen in een interview met ‘Libération’ (29/11/2011):

“Ik roep niet op tot gewelddadig verzet of zelfverbranding want elk protest leidt tot arrestatie en foltering door de Chinese overheid. Ik begrijp hun motivatie ter verdediging van het Tibetaanse volk. Ik groet de moed van diegenen die bereid zijn hun leven te offeren voor deze strijd, maar hun daad is pijnlijk en triestig.”

“Het theologisch debat over zelfdoding bestaat, maar moet niet interfereren met wat nu gebeurt. Het is de Chinese overheid die door haar repressie mensen dwingt om zich op te offeren.”

De omgeving van de dalai lama ‘begrijpt de moed’ van de monniken die zich opofferen en keurt theologisch niet scherp af, terwijl tal van abten van andere kloosters in Aba dat wel deden in de pers in China. Dit terwijl ICT recent meldde dat er in Aba pamfletten circuleren, die oproepen tot zelfverbranding tijdens het komende Tibetaans Nieuwjaarsfeest op 22 februari.

Terug naar de geschiedenis.

Gedurende de jaren 1980, na de Culturele Revolutie, kwam er een periode van openheid en tolerantie vanwege de overheid in Tibet en aangrenzende gebieden. In Tibet zelf bleef de controle op de kloosters enigszins gehandhaafd, vanwege het strategisch belang van Tibet voor China en vanwege het feit dat de problematiek geïnternationaliseerd was. Maar in de randgebieden werd de betutteling vrij los, tot onbestaande. Er was weinig regelgeving voor de Tibetaanse kloosters in Sichuan, Qinghai of Gansu. Neem bv het fenomeen ‘kindmonniken’, dat vond je niet meer in Tibet zelf, wel volop in de randgebieden. Buitenlands bezoek was open zonder beperkingen, daar waar voor Tibet zelf een speciale permit en een bekende reisroute nodig bleef. Dit bracht ook een toename van de contacten mee tussen de Tibetaanse gemeenschap in Indië en die van hun thuisland: vooral West-Sichuan. Dat is nu nog min of meer zo. Ook in de richting van Tibet naar Indië. Volgens ICT reisden (legaal) 8000 Tibetanen in januari 2012 naar Indië om er Kalachakra-initiaties van de dalai lama bij te wonen. Men kan niet zeggen dat de Tibetaanse gebieden ‘hermetisch’ afgesloten zijn. ICT zelf, dikwijls via de Tibetaanse gemeenschap in Indië, beroept zich op plaatselijke informanten. En dat zal ook wel zo zijn. China schippert tussen openheid, controle en repressie.

Wat de repressie betreft, essentieel is die gericht tegen het ‘separatisme’. Politieke uitingen van nationalisme en steun aan de dalai lama worden onderdrukt, of die nu van kloosters of van leken komen. Twee ‘medeplichtigen’(“aanmoedigen, assisteren”) van de eerste zelfverbranding in 2009 werden tot zware gevangenisstraffen veroordeeld. Tijdens betogingen in de marge van de zelfverbrandingen worden ook mensen voorgeleid. Het spanningsveld is er.

Sinds 1994, na de zitting van de vierde conferentie over Tibet in Beijing, zijn er opnieuw beperkende maatregelen voor de kloosters. De monniken moeten geregistreerd zijn, er is een onderhandelde norm voor het aantal monniken per klooster, geen kinderen meer, in de kloosters moet er onderwijs zijn over de wetgeving. Het is waar dat sommige kloosters in Sichuan explosief groeiden tijdens de jaren 1980. De lokale Tibetaanse overheid zei dan: “wie zal dat betalen qua sociale zekerheid?”.

Een studie van twee Amerikaanse vorsers (Enze Han & Christopher Paik) onderzocht de relatie tussen het aantal religieuzen en het aantal incidenten per streek. Hun studie ging over de lente van 2008, toen in Lhasa zich het gekende oproer voordeed. Dit sloeg over naar de periferie, onder meer naar Aba. District per district vergelijken zij het aantal protestacties met het aantal monniken dat er woont. Hun conclusie is radicaal: de kloosters zijn “kernen van politieke onenigheid en nationalisme”.  

daoch74.JPG

 In verband met het theologisch boeddhistisch debat over zelfverbranding is er nog een element het vermelden waard. In het Tibetaanse pantheon zijn er godheden, die het ‘kwade met vuur bekampen’. De godheid Mahakala (Gonpo Maning in het Tibetaans) trekt, omgeven door een vlammenzee, ten strijde tegen het kwade.  (eigen foto, Daocheng of Dabba in West-Sichuan, 2007). In zijn memoires schrijft de dalai lama dat het zijn favoriete meditatie-godheid is. In alle tempels in de Tibetaanse gebieden in China zijn er afbeeldingen van Mahakala te zien. De monniken zijn ermee vertrouwd. Het ‘kwade’ wordt gemakkelijk de communistische partij in Tibet en aanpalende gebieden. Daar kan China door verplichte ‘patriottische opvoeding’ in de kloosters proberen een dam tegen op te bouwen, maar een zeker religieus fanatisme gekoppeld aan nationalistische eisen is een moeilijk te counteren fenomeen. De verplichte leergang over ‘wettelijkheid’ wordt als beperking van de religieuze vrijheid ervaren en/of als dusdanig aangeklaagd door de nationalisten in het buitenland.

De kloosters waren centra van Tibetaans nationalisme en zijn dat nog. Bovendien hebben zij een groot religieus aanzien bij de bevolking. De invloed vanuit het buitenland, vanuit de Tibetaanse uitwijkelingen in Indië en vanwege de wereldwijde steungroepen voor een quasi onafhankelijkheid van ‘Groot Tibet’, verhoogt de spanning ter plaatse.

De Tibetaanse gebieden in China waren gedurende de volledige 20e eeuw een internationaal strijdperk[10] en lijken dat nog een tijd te blijven. De Westerse mogendheden en media zijn daarbij betrokken. De Tibetaanse diaspora evengoed, met op kop de omgeving van de dalai lama. China wil hoofdzakelijk zijn territoriale integriteit bewaren, alles vertrekt daarvan. De middelen, die China inzet om multicultureel te blijven, zijn wellicht niet altijd de beste en irriteren een deel van de bevolking.  

 

 


 

[1] International Campaign for Tibet, een wereldwijde ONG met basis in Washington en gul gesubsidieerd door de VS-overheid en door enkele invloedrijke “Foundations” in de VS. ‘Radio Free Asia’ en een groot deel van de Europese pers neemt die informatie over.

[2]een volk uit het noorden van het hoogplateau dat door het Tibetaanse rijk van de 8e eeuw verdreven werd naar lagere gebieden in Sichuan)

[3]Behoorden tot het ‘Groot Tibetaanse Rijk’ van de 8e-9e eeuw, maar werden nadien niet meer door Lhasa bestuurd.

[4] Mathew Kapstein, een befaamde tibetoloog, schat het aantal Tibetaanse religieuzen op meer dan 100.000 (2004, p230). 

[5]Zowel reizende antropologen in het begin van de 20e eeuw als sociologen in het begin van de 21e eeuw stelden dit vast.

[6] Zelfs merkbaar op de foto’s van de zelfverbrandingen die op het net gepost werden.

[7] Dat Tibet een deel van China was werd door alle grote mogendheden van toen (inclusief het pas onafhankelijke Indië) onderschreven.

[8] Waar de dalai lama over heerste.

[9] Zie « Buddha’s Warriors », Mikel Dunham, Tarcher-Penguin Books, 2004.

[10] Zie de gedetailleerde werken van Melvyn Goldstein, op basis van de geschriften van het Engelse en het Amerikaanse ministerie van buitenlandse zaken en op basis van de correspondentie van Lhasa in die tijd, voor de periode 1913-1956.

 

12:47 Gepost door infortibet in rellen | Permalink | Commentaren (0) | Tags: tibet, monniken, kloosters, onafhankelijkheid, dalai lama, china

15-12-10

Een reïncarnatie zoals het hoort, een oefening voor het zoeken van de volgende dalai lama

Zoals je wellicht weet worden vele hoge geestelijken in Tibet beschouwd als de ‘reïncarnatie’ van hun voorganger en zijn meestal verbonden aan een belangrijk klooster. Zij vormen de ‘reïncarnatielijnen’. Vroeger ging dit gepaard met wereldlijk gezag over het klooster en zijn ‘bezittingen’: landerijen, vee en boeren. Nu is dit beperkt tot het kloosterleven en het algemeen beheer van de godsdienstzaken in Tibet. Veel van die hoge geestelijken zijn in de woelige periode van 1951-1959, na de communistische machtsovername in China, naar het buitenland gevlucht. Maar ook honderden bleven in China. Er zijn belangrijke reïncarnaties en minder belangrijke. Het hangt ondermeer af van de omvang en het prestige van het klooster. Ik zag kleine kloosters, waar ongeveer niemand van buitenaf zich om de gereïncarneerde opvolging bekommert, maar waar wel de trilogie (van de laatste drie in de reïncarnatielijn) op verzamelde foto’s centraal in de hoofdtempel prijkt. De ‘laatste drie’, dat is ongeveer de twintigste eeuw. Voordien bestonden er natuurlijk geen foto’s en deed men het meer met sculpturen.

q225.JPGde huidige met zijn twee voorgangers

Het zoeken van een ‘reïncarnatie’ is sinds het ontstaan van de praktijk (12e eeuw) een welomschreven traditioneel ritueel geworden. Enkele monniken van het klooster vormen een zoekcommissie, gaan in het geheim ‘op pad’, bezoeken families, aanschouwen goddelijke tekens op het oppervlak van een heilig meer, raadplegen de acht trigrammen, laten kinderen voorwerpen herkennen van de overleden lama, enz. Voor belangrijke reïncarnaties zijn er bestuursvoorschriften bijgekomen sinds 1791. Het belangrijkste daarvan is de ‘lottrekking onder de beste kandidaatjes, uit de gouden urne,  voor het beeld van Sakyamuni in de Jokhang tempel in Lhasa’, in aanwezigheid van politieke machthebbers. Het belangrijkste doel van die regelgeving in de 18e eeuw was het verminderen van de rivaliteit, van mogelijke omkoperij en van vooral burgeroorlogjes in Tibet rond de opvolging van politiek belangrijke hoge lama’s van toen. Samen met de tradities wil China deze regelgeving nu nog in stand houden.

En zo verliep het bij het zoeken van de reïncarnatie voor de 5e Detrul lama van het Drago klooster in het arrondissement Lhoka, ten zuiden van Lhasa. Die reïncarnatielijn is niet van de minste, één van de reïncarnaties was de leraar van de 12e dalai lama en het klooster leverde ook soms de regent van Tibet tussen twee volwassen dalai lama’s in. De 5e Detrul lama was in de ‘woelige jaren’ in Tibet gebleven en werd bestuurslid van de Tibetaanse Boeddhistische Vereniging. Hij stierf in 2000. De zoektocht naar de reïncarnatie startte pas in 2005. Vijf jaar later werd een reïncarnatiejongentje gevonden. Twee zoekteams van het Drago klooster gingen onafhankelijk van elkaar op pad. Een twintigtal kinderen werden als ‘goed voor nader onderzoek’ bevonden. Het traditionele procedé werd nauwkeurig gevolgd om zoveel mogelijk bovennatuurlijke voortekenen te vinden. Uiteindelijk werden twee kinderen weerhouden. Op 4 juli 2010 kwam dan de ‘lottrekking uit de gouden urne voor het beeld van Sakyamuni in de Jokhang tempel’ (de oudste en de heiligste in Lhasa). Daarbij waren 150 genodigden aanwezig. Voornamelijk hoge geestelijken van de Tibetaanse Boeddhistische Vereniging. De ceremonie was voorgezeten door Losang Gyurme, verantwoordelijke voor religieuze zaken in de regionale regering. De ‘hand’ die in de urne ging om de ‘uiteindelijke’ aan te duiden was die van de 11e panchen lama. Het werd de knaap, genaamd Losang Dorje, afkomstig uit Lhoka, die er uitkwam. Hij was aanwezig en werd door de panchen lama kaalgeschoren ter bevestiging van de keuze. Daarna ging het richting Drago klooster.

Het verhaal van de zoektocht en de ceremonie is iets verkort weergegeven, waarvoor mijn excuses. In elk geval, China is van plan om dit ook op die manier te laten verlopen, volgens de traditie en ook rekening houdend met de wetgeving van 1791, voor het zoeken en kiezen van een volgende dalai lama. Dit was voor hen een vingeroefening.

CT 6/2010

 

21:41 Gepost door infortibet in religie | Permalink | Commentaren (0) | Tags: tibet, reincarnaties, monniken, kloosters

31-05-10

Tempels in de vernieling, monniken aan de collectieve landarbeid

Tussen 1966 en 1969 werd Tibet, net als de rest van China, overspoeld door de massabeweging van de Rode Gardes van de Culturele Revolutie. Het overdreven, gauchistische activisme dat die periode kenmerkte was des te onvermijdelijker in Tibet, waar het religieus obscurantisme zwaar woog. Het kon niet uitblijven dat de jonge rebellen de religie, de kloosters en de tempels zouden aanvallen. Zhou Enlai, die perfect begreep hoe gevoelig het godsdienstleven in Tibet lag, kwam tussenbeide om ondoordachte aanvallen te voorkomen. Reeds in augustus 1966 beval hij aan de Rode Gardes om uit Tibet weg te blijven. Hij herhaalde zijn oproep in oktober, tevergeefs. Hij kon enkel een aantal zéér belangrijke kloosters en gebouwen doen sparen door er het leger bij te plaatsen, zoals het Potala paleis, het zomerpaleis, de Jokhang tempel. Ook enkele Tibetaanse kloosters buiten Tibet, in streken bewoond door Tibetanen kregen hoge bescherming, zoals het Serxu klooster in Sichuan.

 

Verwoeste kloosters

Alle vernielingen zijn niet enkel aan de Chinese Culturele Revolutie toe te schrijven, wel een belangrijk deel.

Het ging evenmin om een etnisch conflict tussen Han Chinezen en Tibetanen; de rode gardisten waren zowel Han als Tibetaan. Wel werden de Tibetaanse gewoontes bijzonder hard aangepakt; de lange haartooi werd verboden, vest en broek kwamen verplicht in de plaats van de traditionele kledij, gebedskapelletjes werden niet meer geduld in de huizen, de monniksmantel werd verbeurd verklaard en alle rituelen waren uit den boze. De Tibetaanse geschreven taal verdween naar de achtergrond, want ze werd bestempeld als een erfenis van de geestelijke adel. Aangezien er in Tibet en aangrenzende gebieden veel tempels en kloosters stonden, zijn er meer verwoest dan in de rest van China. Men komt in Tibet bijna geen tempel of klooster tegen waar geen vernielingen zijn aangericht. Toch werden ze slechts uitzonderlijk met de grond gelijk gemaakt. De kringen rond de 14de dalai lama stellen nochtans: “Tibets cultuur en godsdienst werden vanaf 1955 vernietigd, en dat niet enkel gedurende de Culturele Revolutie. Van de 6.259 kloosters bleven er slechts 6 over in 1976. Van de 592.538 monniken en nonnen werden er 110.000 dood gemarteld.” Hier past een woord over het aantal kloosters en monniken. Belangrijk is dat de tekst het heeft over ‘Groot Tibet’, niet enkel over Tibet zelf. Het cijfer 592.538 geestelijken is hoogst onwaarschijnlijk, want dat zou betekenen dat de helft van de mannelijke bevolking in die tijd onder de pij zat als we het minieme aantal nonnen van toen in mindering brengen. Bijna alle bronnen, zelfs sommige van de regering in ballingschap, spreken dat tegen. Het ging over maximum 25 procent van de mannelijke bevolking. Bovendien werd het aantal monniken nooit tot op de persoon na geteld voor ‘Groot-Tibet’. De 6259 kloosters zijn dan weer nodig om dat overdreven aantal monniken te staven. Ook hier kan vermeld worden dat het  aantal kloosters en kloostertjes (soms met slechts enkele monniken) nooit precies geteld werd. Dit cijfer wordt nochtans in het Westen zonder kritiek overgenomen; zo staat het letterlijk (6259) in het aanklachtdossier ‘Tibet’ van de Franse senaat.

 

De rode gardisten in Tibet waren verdeeld in twee kampen: de ‘rebellen’ en de ‘alliantie’. Er volgde een woelige fractiestrijd. Zo nam de ene groep de krantenredactie van Lhasa in, de andere het radiostation. De confrontaties werden steeds bitsiger en er vielen doden. In september 1969 maakte het leger een einde aan de excessen en in 1971 werd de godsdienstvrijheid heringevoerd. Toch duurde het tot het einde van de jaren zeventig vooraleer de kloosters weer opengingen.

Officieel duurde de Culturele Revolutie tien jaar, tot aan de veroordeling van de ‘Bende van Vier’ in 1976. In Tibet zijn de tempelvernielingen te situeren in de periode van 1966 tot 1969 en bleven ze grotendeels beperkt tot de steden. Meestal betrof het geen wilde raids. Omdat er politieke consensus was dat de tempels de bakens waren van het feodale gedachtengoed, ging men georganiseerd te werk. Inspectieteams bepaalden welke kostbare voorwerpen moesten bewaard en dus opgeborgen worden en welke voorwerpen mochten vernield worden. Sutra’s, teksten van of over de Boeddha, werden als het verspreidingsinstrument bij uitstek gezien van de feodale ideologie en gingen dikwijls in vlammen op, tenzij het om zeer oude kopijen ging. Ook sommige beelden van grote materiële waarde mochten de schatkamer in.

De meeste kloosters die werden aangevallen, werden zoals gezegd niet helemaal vernield. Een klooster is immers een soort kleine stad met talrijke constructies. Vaak bleven heel wat gebouwen gespaard en mochten een deel van de monniken er ook blijven wonen, terwijl zij verplicht werden ingeschakeld in de landbouwproductiebrigades. Van sommige kloostergebouwen gebruikte men de pilaren en het hout voor de constructie van nieuwe woningen. Het waren vooral de tempels die het moesten ontgelden. Ze werden ontruimd en soms zelfs ontmanteld.

Nu zijn er opnieuw 2.500 actief (waarvan 1.700 in Tibet zelf). Dat is nog driemaal meer dan het aantal kerken in Vlaanderen, dat ongeveer dezelfde bevolking telt als het totaal aantal Tibetanen. Voor 1959 waren er 110.000 monniken in Tibet zelf, wat 20 % van de mannelijke bevolking betekende. Dit is teruggevallen op 46.000. Een eerste belangrijke reden vinden we in 1959 zelf, toen het lijfeigenschap afgeschaft werd samen met de verplichting om per grote familie één monnik te leveren. De mensen hadden uitzicht op betaald werk en op rendabel boeren. Minder jongens uit de lagere klassen werden als mogelijke ontsnappingsroute uit de armoede naar het klooster gestuurd.

 

Monniken de boer op

Tijdens de Culturele Revolutie (1966-1976) werden alle monniken het veld op gestuurd. Sommigen kwamen nadien terug en nieuwe jongeren boden zich aan vanaf het einde van de jaren zeventig. Het aantal monniken ligt nu op 4 % van de mannelijke bevolking. “Een redelijker aantal,” zeggen de overheden, “ruimschoots genoeg om alle religieuze activiteiten te verzorgen”.

 

Enkele voorbeelden van kloosters.

 

Het belangrijke Ganden klooster bij Lhasa werd volledig vernield. Niet tijdens de Culturele Revolutie maar in 1959, toen 63 van de 80 hoge lama’s en ongeveer drie vierde van de 4000 monniken van dat klooster zich aansloten bij de gewapende opstand en een aanval organiseerden op het gemeentehuis en de legerkazerne van Shannan.

 

Derge ligt op 3.000m en op de grens tussen Sichuan en Tibet, langs de oever van de bovenloop van de Yangzi. Tibetaanse goudzoekers ziften het modderige water op beide oevers. Maar de stad is vooral bekend om zijn drukkerij. Geen reclamefolders, maar boeddhistische sutra’s, artisanaal vermenigvuldigd. De drukkerij dateert van de Qing-periode (1729) en bevoorraadt alle grote verkooppunten in Tibet en zelfs een aantal in het buitenland. Tibetaanse ballingen vertellen graag dat de Chinezen alles en overal verwoest hebben tijdens de Culturele Revolutie. Voor Derge hebben de Rode Gardes dan toch een ommetje gemaakt of de boeken gespaard, want een soort museum aldaar bevat ongeveer honderdduizend oude en soms unieke kopieën van Tibetaanse klassiekers en boeddhistische sutra’s. De staat heeft in 1989 een speciaal budget uitgetrokken om de drukkerij te vergroten en de oude te renoveren en te onderhouden. Het basiswerk van de traditionele Tibetaanse geneeskunde, de “Vier Medische Tantra’s”, is ook in het Derge klooster te vinden. Achter het klooster kan je op bezoek bij een oude klassieke dokter, Lore Phuntsog, in een klein Tibetaans huisje. Een kommetje tsampa deeg vermengd met wat water naast een draagbare computer toont het samengaan van nieuw en oud op zijn werktafeltje. Vragen beantwoorden, urineonderzoek, het voelen van de pols en het bekijken van de tong leidden tot zijn diagnose, waarbij de twee laatste methodes gelijkaardig zijn aan de Chinese traditionele geneeskunde, die samen met een prinses haar intrede deed in Tibet in de 7e eeuw. Lore Phuntsog is geen monnik maar omwille van zijn kennis toch gekozen als administratief directeur van het nabije Dzongsar klooster en voorzitter van de lokale boeddhistische universiteit. In het klooster heeft hij zijn eigen kruidenfabriekje ondergebracht. De streek ten zuiden van Derge, langs de Jinshajiang (bovenloop van de Yangzi), is bekend omwille van zijn overvloedig en verscheiden aanbod van geneeskrachtige kruiden.

 

In Xinglong (provincie Qinghai) werd in 1981 in een klein klooster een zeer waardevol boekenset “ontdekt”: “Tripitaka van de bon religie”, 185 volumes met een uitgebreide beschrijving van de oude bon religie, de enige encyclopedie in zijn genre.

 

Het Sakya klooster, centrum van de sakya school, in West-Tibet, lijkt grotendeels gespaard gebleven. Het tempelcomplex werd hersteld in 1945 en is onveranderd gebleven. Fresco’s, Mandala’s, beelden en stupa’s zijn nog in originele staat. Ook een collectie boeken, een vijfduizendtal in het Tibetaans, over politiek, samenleving, geschiedenis, wetgeving, religie, astrologie en geneeskunde.

 

Het Samye klooster, het eerste grote klooster in Tibet (1200 jaar oud), werd grotendeels verwoest. De grote centrale tempel bleef overeind.

 

Naar het einde toe van de Manchu (Qing) periode, in het begin van de 20e eeuw, werden de meeste belangrijkste lamaïstische kloosters in Sichuan en Oost-Tibet vernield. De “Tibet support” groepen noemen de Manchu’s steevast de niet-Chinese dynastie, die samen met de Mongoolse dynastie veel respect opbrachten voor het lamaïsme en als het ware hun spirituele ondergeschikten waren. Dit doen ze met de bedoeling om de indruk te versterken dat Tibet pas in 1951 bij China ingelijfd werd door de goddeloze communisten. Toch zijn het de Manchu’s die de politieke macht van het lamaïsme zijn beginnen inperken. Zij voelden zelf de frisse adem van de republikeinse gedachte op zich afkomen. In een poging om geheel China iets te moderniseren botsten zij ook op de feodale Tibetaanse lokale heersers, vooral de kloosterelite. Generaal Zhao Erfang ging er flink tegenaan in Sichuan. Hij verplichtte de kloosters een deel van hun monniken “te laten gaan”, legde een laag maximum quorum op, stelde een stop in op novicen, schafte de taksen af die de boeren aan de kloosters moesten betalen en verving die door een kleine dotatie. Opstandige kloosters – en die waren er uiteraard – werden gewapenderhand ingenomen en grondig vernield. Zo verging het de grote kloosters in de steden Batang, Qamdo, Litang, Deqen en Drayab in de periode vanaf 1905 tot 1912. De decennia erna werden geen periode van bloei, de streek bleef geteisterd door rivaliserende krijgsheren. Veel werd er niet heropgebouwd. Nu zeggen dat die kloosters met de grond gelijk gemaakt werden tijdens de Culturele Revolutie is de slachtoffers van de eerste wereldoorlog bij de tweede tellen. 

 

Het Orgyen Mindroling klooster is het grootste nog bestaande nyingmapa klooster (oudste boeddhismeschool in Tibet). Het bevindt zich op 100 km ten oosten van Lhasa, in de vallei van de Yarlung Tsangpo. Dit klooster werd grondig verwoest tijdens de inval van Dzoungaren (uit Centraal–Azië), in de 18e eeuw. Wat herrezen was kreeg het opnieuw te verduren tijdens de Culturele Revolutie. Toch zijn er heel wat antieke beelden, stupa’s, fresco’s, geschriften en schrijnen overgebleven. Die zijn nu opnieuw te zien in het grotendeels gerestaureerde klooster. Van bij zijn stichting in 1670 tot in de 20e eeuw was Mindroling de eigendom van slechts twee familieclans. De oversten waren de zonen of de neven van de vorige. De huidige 12e Minling Trichen, geboren in 1931 en die zijn vader abt opvolgde, vluchtte naar India in de jaren vijftig. Buiten het feit van zowat de hoofdzetel van de nyingmapa te zijn, is Mindroling van oudsher een befaamd centrum van wierookproductie en was het exclusieve hofleverancier voor het Potala paleis. Ingrediënten voor Tibetaanse wierook zijn een soort “kamfergras”, diverse hooglandkruiden, olmschors, cipres- en sandelhout. Dat laatste werd ingevoerd vanuit India. Van het “kamfergras” zegt de legende dat Tsongkapa, de grondlegger van het Tibetaans boeddhisme, zijn haren rond het Ganden klooster in Lhasa uitstrooide, wat er een speciaal geurig gras deed groeien.

 

Oude dorpstempels

Niet ver van Dengqen in het noordoosten van Tibet stoppen we in een dorp. De kleine oude tempel staat er nog steeds en is niet vernietigd tijdens de Culturele Revolutie. Het is een bedrieglijke overdrijving dat “minder dan tien tempels of kloosters overbleven” na de Culturele Revolutie, zoals de onafhankelijkheidstrijders nu zeggen. De tempel behoort tot de nyingma school. Voor hen was het celibaat niet van toepassing. De man – monnik – die ons ontving was getrouwd en landbouwer zoals de rest van het dorp. In de tempel is er een goed gevulde oude bibliotheek en een reeks beelden met goden gekoppeld aan een godin.

tibet 05 (258)

 de oude dorpstempel in Dengqen

Cultuurschat

In het kanton Comai (Tamzhol of Tsome), in het departement Lhoka, werden bij herstelwerken aan de oude tempel Khatang bonmoche, oude waardevolle documenten gevonden. Een boek over de bon religie, daterend uit de Tubo periode (7e-9e eeuw), en boeddhistische geschriften uit de 11e en de 12e eeuw. Ook zeven beschreven “bladen” van berkenschors. De vondst werd overhandigd aan het museum in Lhasa.

 

Labrang en Amtcho

Tempels werden geplunderd door de troepen van Ma Pufang in 1919, die tussenkwam in een machtsconflict in het klooster. Het paleis van een hoge lama werd in de as gelegd. Iets verderop werd het Amtcho klooster volledig platgebrand en alle monniken gedood. Zij hadden het aangedurfd om weerstand te bieden tegen Ma Pufang (een lokale veldheer in de huidige provincie Qinghai).

 

Gyirong, een verdwenen klein koninkrijkje

Gyirong is nu nog een kanton, iets ten oosten van de bekende berg Xixiabangma (8012), bij de Tibetaanse grensovergang richting Kathmandu. Toen het Tibetaanse Tuborijk uiteenviel in de 9e eeuw, vluchtte een deel van de elite naar het westen. Er ontstond een koninkrijk: ‘Guge’, beter bekend en gelegen in de buurt van de Kailash berg. Maar een deel van de vluchtelingen bleef onderweg haperen in Gyirong. Zoals Guge is Gyirong nu ongeveer een ruïne geworden. Maar er staat nog een tempel, Zhoma Lhakhang! Met zeer mooie houtsculpturen, mogelijks daterend van de 10e  à 11e eeuw. Hij was in verval - het dak was ingevallen – maar het Tibetaans instituut van Chengdu ontfermde zich over de restauratie (voornamelijk het dak momenteel) en wil studies publiceren over de oude houtsculpturen.

 

 

Springlevend kloosterleven

Niet alleen de gebouwen zijn er terug beter aan toe. Ook de Tibetaanse devotie is verre van dood. Elk klooster houdt één of tweemaal per jaar feest. Soms levert dat enorme bijeenkomsten op van gelovigen. De vijfjaarlijkse ceremonie in Serxu, in het uiterste noordwesten van Sichuan is daar een treffend voorbeeld van. Er wonen maar 60.000 mensen in het district Serxu, van wie 90 procent Tibetanen, en toch komen zo’n 200.000 mensen gedurende de feestweek in april bijeen. Daarmee moet deze plek aan het eind van de wereld niet onderdoen voor andere, meer toegankelijke religieuze oorden op aarde. Langs de oever van de Yalong rivier, tegen de kale helling aanleunend, staan enkele tientallen tempels van oost naar west gelijnd. De vijfendertigjarige gereïncarneerde lama Shiba Rinpoche zit de ceremonie voor. Hij is open van geest en staat vorming in het lamaïsme toe voor buitenstaanders. Het tempelcomplex werd in 1760 gebouwd tijdens het bewind van de grote 5de dalai lama. De oudste gebouwen staan er nog, maar het complex is inmiddels uitgebreid met een nieuw hoger lamaïstisch instituut, met bijbehorende slaapzalen voor tijdelijke studenten en met twee hotels en een restaurant voor gegoede bezoekers zoals wij.

Gewoonlijk voorziet de familie in het onderhoud van de monniken. Zij betaalt ook voor erediensten. Maar sommige rijkere monniken, die uit werken gaan gedurende bepaalde periodes, sponsoren zelf hun familie. Zo ging een aantal monniken van Serxu werken bij de aanleg van de spoorlijn van Golmud naar Lhasa

 q260b

 Een deel van het Serxu klooster

 

Mensen tijdens de Culturele Revolutie

Het communesysteem in de landbouw bestond uit drie niveaus: de commune ( ongeveer de grootte van een kanton), de “ploeg” als een verzameling van enkele dorpen en de “brigade”, die eigenlijk samenviel met een bestaand dorp. De mensen werkten per brigade gemeenschappelijk op hun velden en kregen daarvoor een salaris, wat rond de 5 euro per maand bedroeg. Hoewel dit beduidend méér was dan in het oude regime voor 1959, bleef het nauwelijks rondkomen voor de basisbehoeften. Toen in 1982 weer privé-initiatief toegelaten werd, verliep dit niet overal met enthousiasme. Een partijsecretaris van een ontbonden commune begon een privé transportbedrijfje met een microkrediet van de staat. Het comité van de commune zette hem af, met als argument dat hij als partijsecretaris eerst aan de gemeenschap moest denken en niet aan zichzelf. De man zette door, kon werk geven aan broers en aan enkele andere mensen van het dorp. Hij kreeg lof vanuit de overheid van Lhasa, als “modelwerker” en bemiddelde bij het verkrijgen van nog meer microkredieten voor andere dorpelingen, om hen toe te laten de lokale bezigheid te diversifiëren. De kritiek van bij het begin was vrij vlug vergeten.

 

Tseten Namgyal, een thangkaschilder

In een interview vertelt de beroemde thangkaschilder over zijn jonge jaren. Hij werd geboren in 1960 als vierde kind in een familie van negen. Na drie oudere zusters is hij de oudste zoon van een gewoon landbouwersgezin in het district Lhundrup, ongeveer 60 km ten noorden van Lhasa. Hij was een overtijdbevalling, vandaar de naam die zijn ouders hem gaven: Tseten staat voor “veilig” en Namgyal voor “overwinning”. Als kind moest hij zorg dragen voor zijn vier jongere broertjes. Toen hij 10 jaar was (1970), kreeg hij de kans om Tibetaans te leren in een kleine staatsbasisschool. Maar al vlug haakte hij af om het lage inkomen van zijn gezin bij te springen door kuddes van andere boeren te grazen te leiden. De negen kinderen sliepen samen in één kleine kamer en deelden per twee een schapenvacht als deken. Maaltijden waren zelden meer dan tsampa (gerstemeel). Een gebakken aardappel was een festijn. Op zijn vijftiende, in 1975, werd hij chauffeur van een tractor en werkte voor de commune. Zijn maandsalaris bedroeg 2,3 euro, plus 15 kilogram tsampa en een halve kilogram yakboter. Kort daarop werd het communesysteem afgeschaft en verviel ook het vaste salaris. Zijn familie ging er op achteruit en zijn vier broers werden naar het klooster gestuurd om in hun onderhoud te voorzien. Tseten Namgyal leerde het vak van meubelmaker en beschilderde die ook. Hij werd bij mensen uitgenodigd om hun meubels te komen versieren. Stilaan kwam het geld binnen. Op een dag kon hij zijn vader 60 euro ineens geven. Zijn vader bleef de honderden bankbriefjes (equivalent voor doe 60 euro) de hele avond natellen. Van armsten in het district klom het gezin op tot de meest welvarende in enkele jaren tijd. Vanaf de jaren tachtig werd Tseten Namgyal leerling van een grootmeester in thangka-schilderen en is nu zelf de bekendste artiest in dat genre in Tibet, met een zijn eigen school in Lhasa. De leerlingen betalen geen schoolgeld. Naast de schildertechnieken leren zij er ook Chinees en Engels.

 

Traditionele opera

Een nu beroemde Tibetaanse operagroep, de Jomulung groep uit Nechung, vertelt hoe ze zeer moeizaam de periode van de communestructuur doorgeraakten. Alle leden van de operagroep moesten op het land werken, opera was voor de vrije tijd en dus niet betaald. Het was een karwei om de mensen bij elkaar te brengen om niets te verdienen. Repeteren en voorstellingen geven kostte inspanning en er kwam nauwelijks een halve yuan per persoon en per dag in de kas. Twee leden van de groep konden in 1964 nog deelnemen aan een festival van diverse traditionele kunsten in Beijing, voorgezeten door Mao. Maar daarna viel de activiteit stilaan stil. Pas in 2001 werd de 19 leden tellende groep, met jong talent en in vol ornaat, opnieuw op het toneel geplaatst. Met een startsubsidie van 2000 yuan (200 euro), verleend door het Bureau voor Culturele Zaken van Lhasa, en twee private sponsors die samen 10.000 yuan schonken. Van dan af liep het weer goed voor de groep, die nu een vast contract hebben met een lokale Tv-zender.

 

Herstel

In 1980 werd beslist om geen belastingen meer te heffen op de activiteiten van de boeren, veehouders en handwerklieden. Voordien bedroeg die belasting 8 %.

De Chinese regering trok 4 miljoen euro uit voor het herstellen van tempels en kloosters die vernield of beschadigd waren tijdens de Culturele Revolutie.

De Tibetaanse taal werd hersteld in het basisonderwijs. Tijdens de Culturele Revolutie was er alleen onderwijs in het Chinees.

 

Bronnen:

Tibet Handbook (Gyurme Dorje)

Magazine ‘China’s Tibet’, jaargangen 1990-2009

 ‘On the Cultural Revolution in Tibet’ (Goldstein)

‘Shelton pioneer in Tibet’ (Wissing)

David-Neel, au pays des brigands gentilhommes, Plon pocket.

Eigen bezoeken

 

17:51 Gepost door infortibet in culturele revolutie | Permalink | Commentaren (2) | Tags: tibet, kloosters, monniken, vernielingen

27-05-10

Drolma Lhakhang : een klein maar zeer oud klooster in Lhasa

Vijftien kilometer ten zuidwesten van Lhasa, dicht bij de oude weg naar het vliegveld van Lhasa bevindt zich een kleinood van het Tibetaanse boeddhisme, het Drolma Lhakhang klooster. Het is niet ver van het grote en gekleurde Boeddhasculptuur, waar toeristenbussen dikwijls een stop maken onderweg van het vliegveld naar de stad.

Wat is er speciaal aan dat klooster?

Het was het eerste klooster van de kadam school, de voorloper in zekere zin van de huidige dominerende gelug school, het werd gebouwd in de 11e eeuw en het is intact gebleven tijdens de Chinese Culturele Revolutie. Een omweg waard.

 

Atisha, de grote leermeester

Na het uiteenvallen van het Tibetaanse rijk in de 9e eeuw, was het wachten op enkele Indische guru’s, die het boeddhisme in Tibet een tweede adem zouden geven. Atisha was er een van, een belangrijke. Via het koninkrijk Guge in het westen van Tibet, dicht bij de gekende Kailash berg, kreeg Atisha gehoor bij de clanleiders van die periode. Hij kwam ook in Central-Tibet prediken en één van zijn eerste leerlingen, Dromtompa, stichtte in de 11e eeuw het Drolma Lhakhang klooster, in de nabijheid van Lhasa. Atisha zou daar overlijden in 1054 en vele van zijn persoonlijke objecten zouden tot op heden daar bewaard zijn. Er zijn ook nog verschillende Indische Boeddhabeelden van die periode te zien in de tempel. Een realistische beeltenis van Atisha, nog voor zijn dood gemaakt, prijkt er tegenover de centrale troon. Men zegt dat de assen van Atisha’s lichaam met klei op zijn beeld aangebracht werden.

Dromtompa gaf de aanzet tot de kadam school van het Tibetaanse boeddhisme, die vier eeuwen later zou opgeslorpt worden door de ‘gele mutsen’ van de dalai lama’s.

Nog dit: ‘drolma’ staat voor de godin ‘tara’, boddhisatva van het mededogen. De ‘witte’ tara, in beeld of schilderij, zou af en toe ‘spreken’ tegen mensen met een goed hart, die voor haar komen buigen.  

21:27 Gepost door infortibet in toerisme | Permalink | Commentaren (0) | Tags: tibet, kloosters, boeddhisme

28-02-09

Het Narthang klooster in Tibet

Dit kleine klooster bevindt zich in de nabijheid van het gelijknamige dorp ten westen van Xigaze. Het werd in 1153 gesticht door een lama van de kadampa school.[1] Het klooster werd in de 18e eeuw een belangrijk centrum voor het drukken – met ingekerfde houten blokken - van sutra’s. Enkele duizenden van die blokken liggen er nog opgestapeld, een ander deel ging verloren tijdens de Culturele Revolutie. Zo ook een groot deel van de gebouwen, slechts enkele hoofdgebouwen blijven over, veel werd gesloopt. Van de 18 stupa’s verspreid over het terrein kan je nog scherven bij hopen oprapen. Door toedoen van de 10e panchen lama werd het klooster in een minivorm opnieuw tot leven gewekt. Een vijftigtal monniken houdt de kadampa traditie nu nog in eer. De foto van de vorige abt, begin 20e eeuw en in Westerse kledij, prijkt er in één van de zaaltjes. Zijn slaapkamer staat open voor bezoek en centen. Dawa zegt me dat vrijwel alle kloosters en tempels in Tibet opnieuw functioneren, zij het dikwijls in gereduceerde vorm. Hier werd in 2000 één stupa nieuw heropgericht. Wij waren de enige bezoekers op dat moment. Toch lagen de gebedszalen vol met bankbriefjes, soms grote. In twee zaaltjes waren twee monniken bezig met het verzamelen en tellen van de talrijke geldelijke giften. De kloosters zijn geen machtscentrum meer zoals vroeger, maar toch een soort schaduwministerie van financiën.

Per zaal gaf één monnik – het waren jonge dertigers – ons uitleg, sereen en uitgebreid. Het was geen toeristische taal, zij communiceerden hun geloof. Dit deed me denken aan een Frans-Chinese dame, die een boek schreef over het leven van de dalai lama’s en in een interview in Parijs ooit zei dat de “echte geest van het boeddhisme dood is in Tibet”. Geen sprake van, volgens mij. Vraag het maar aan de mensen ginder. Natuurlijk is er veel bijgeloof in Tibet, toch wat wij als bijgeloof bestempelen. Maar dat is er ginds sinds het ontstaan van het boeddhisme daar, het is enkel recent in Europa dat sommigen het Tibetaanse boeddhisme wat willen “afstoffen”. In verband met het Narthang klooster kan ik de ontstaanslegende meegeven. Alles begon met Atisha. Op zijn doortocht vanuit het kleine koninkrijk Guge (nabij de Kailash berg in West-Tibet) naar Lhasa, houdt hij halt in Narthang, niet bepaald aantrekkelijk als plaats, maar er wonen een aantal mensen. Achter het dorp ziet hij een groot stuk braakland, richting berghellingen, en zendt er een knecht naar toe. Die komt terug met de melding dat hij er niets zag buiten 16 bijen in lage struikjes. Atisha zegt: “Dat moeten de 16 arrhats[2] zijn!” en beslist om er een tempel te laten bouwen. Veel later is het de 1e dalai lama, die er zijn intrek neemt terwijl hij het hoofdkloosters van Xigaze laat bouwen. Er ligt nog een plankje met de mantra “um mani padme hum” van zijn handschrift.

In een van de tempelzaaltjes hangt een afgedekte kruik met water. Een bijzonder verhaal. Jaarlijks wordt die met vers water gevuld in april. Als het volgende jaar in april het water lager staat, dan voorspelt dit droogte en dus slechte oogst. Staat het iets hoger, dan zijn de vooruitzichten prima. Stinkt het, dan is er onheil op komst. De mensen van het dorp komen in april van het oude water drinken, als zegen voor het komende graanseizoen. Dawa, reisgezel en tolk en diepgelovig, neemt dit zeer ernstig.

Achter neerhangende doekjes zijn er schilderijen met macabere en tantristische afbeeldingen. Enkele ervan tonen het onthoofden en verpletteren van de vijanden van het boeddhisme.

narthang bib


[1] Volgelingen van de Indiase guru Atisha. De kadampa school ging later over in de gelugpa (gele mutsen) school, waartoe de dalai lama’s behoren.

[2] Arrhats : grands sages, dignitaires bouddhistes

19:37 Gepost door infortibet in religie | Permalink | Commentaren (0) | Tags: tibet, kloosters, culturele revolutie

24-01-08

Het Sertar klooster, een vreemde controverse

Eerst situeren: het Tibetaanse Sertar klooster (of Larung Gar) bevindt zich in het noordwesten van de provincie Sichuan. Het is geen oud klooster en werd pas gesticht in het begin van de jaren tachtig, iets meer dan twintig jaar geleden, door de lama Khenpo Jigme Phuntsok van de nyingmapa school. Meer bedoeld als boeddhistisch vormingscentrum bevat het geheel bijna geen tempels. Het kende een spontane toevloed van leerlingen, vaste en tijdelijke, zowel Tibetanen als Chinezen. In 1995 verbleven er ongeveer 3.000 monniken en nonnen[1]. De Tibetaanse regering in ballingschap schrijft in 2002 dat de site uitgegroeid is tot 8.000 personen[2]. Een kennis van ons, die er in 2007 langskwam, schatte het aantal mensen in Sertar op 20.000, monniken, nonnen en tijdelijke retraitegangers, vooral vanuit Canton en Hongkong.

Wel, er is iets met die nederzetting. De Tibetaanse ballingen zeggen dat de Chinese overheid van de provincie Sichuan het min of meer afgebroken heeft in 2001[3]. Zij stellen: "Eerst werden 1.000 Chinese boeddhisten verdreven, daarna 4.000 nonnen. Beijing wou het aantal mensen in Sertar beperken tot 400. De huizen werden systematisch afgebroken om te verhinderen dat ze er zouden blijven." TCHRD, de mensenrechtenorganisatie van de Tibetanen in het buitenland, hebben foto's op hun website staan van wat evengoed huizen in afbraak of in opbouw kunnen zijn. De inlichtingendienst van de Amerikaanse ambassade in Beijing, in hun rapport over godsdienstvrijheid in China (2006, website USA-ambassade) spreekt van "de afbraak van 74 illegale woningen". De leider van de gemeenschap in Sertar, Khenpo Jigme, werd overgebracht naar Chengdu voor medische verzorging van een hartkwaal en TCHRD suggereert dat hij "gevangen gezet werd en in duistere omstandigheden stierf".

Blijft natuurlijk dat in 2007 er geen 400 verblijvende leerlingen waren, maar 20.000. Van vernielingen was er geen spoor of geen spoor meer. De lokale overheid had er zelfs telefoon geïnstalleerd.



[1] Gyurme Dorje, « Tibet Handbook », Footprint, London, 1996.

[2] Tibetan Center for Human Rights, website.

[3] ibidem

sertar

dat is een klooster, geen stad. Of een kloosterstad. Sertar nu. 

18-01-08

Wie wordt de volgende dalai lama?

 

De kwestie van zijn opvolging is door de huidige 14e dalai lama recent al enkele malen in de aandacht gebracht tijdens interviews. Daar zijn redenen voor. De 14e dalai lama wil dat zijn opvolger de strijd voor een verregaande autonomie of onafhankelijkheid van Tibet verderzet. Indien het zoeken naar een nieuwe reïncarnatie gebeurt door de hoge lama's die in Tibet gebleven zijn, dreigt dit niet het geval te worden. Er zijn ongeveer 1700 gereïncarneerde lama's in het totaal van de lamakloosters in de Tibetaanse gebieden in China[1]. In ballingschap verblijven er een honderdtal[2]. De 14e dalai lama liet uitschijnen dat hij zijn opvolging wel eens zou kunnen regelen nog voor zijn dood. Waarop de Chinese overheid prompt reageerde dat hij daardoor de boeddhistische tradities overboord zou gooien en dat bovendien alle gevonden reïncarnaties van hoge lama's bevestigd moeten worden door de legale overheid. De polemiek is gelanceerd.

Reïncarnatielijnen doorheen de geschiedenis

Hoge lama's[3] in het Tibetaanse boeddhisme reïncarneren in een volgende hoge lama. De opvolgingslijnen zijn aan een klooster verbonden en hebben onder elkaar geen hiërarchische band. Elk klooster is eigenlijk onafhankelijk. Het klooster van de stichter van een belangrijke school wordt wel als toonaangevend beschouwd. Dat is bvb het Samye klooster voor de oudste school, de nyingmapa. Het Sakya klooster voor de sakyapa, het Tsurpu klooster voor de karma-kagyu school en het Ganden klooster voor de laatst gekomen gelugpa school in de 14e eeuw. Enkel het Sakya klooster ligt ver verwijderd van Lhasa, in het westen, de drie andere scholen hebben hun stichtingsbasis in de omgeving van de hoofdstad. In het begin waren de dalai lama's kloosteroversten van het Drepung klooster, behorende tot de gelugpa school. Net zoals de panchen lama's kloosteroversten waren van het Tashilumpo klooster, of nog andere gereïncarneerde lama's in andere gelugpa kloosters. De abt van het Ganden klooster gold zowat als centrum voor de gelugpa, omdat de stichter van de school dit klooster liet bouwen. Maar de 5e dalai lama verliet in 1642 zijn Drepung klooster om de politieke leider van Tibet te worden. Dit bleef zo voor alle volgende dalai lama's.

tibet 05 (430)

Het Ganden klooster, bakermat van de gelugpa school 

Hoe wordt de reïncarnatie, ook tulku genoemd, van een hoge lama gevonden?

Het klooster waartoe de overleden lama behoorde stelt een zoekgroep samen, meestal onder leiding van de "dharma lama", die binnen het klooster verantwoordelijk is voor het naleven van de wetten van Boeddha. De reïncarnatie wordt bepaald door het klooster zelf. Er is één uitzondering: de dalai lama, aangezien hij niet meer tot een klooster behoorde sinds de 5e. In dit geval is het de regent van Tibet, aangesteld door de Kashag, de feitelijke lokale regering in het oude Tibet, die een zoekcommissie kiest en volgt, meestal bestaande uit hoge lama's van de belangrijke kloosters van Lhasa. Zo werd de huidige 14e dalai lama gevonden onder toezicht van de overste van het Reting klooster, de Reting rinpoche, die regent werd na de dood van de 13e dalai lama in 1934. Door zijn losbandig leven moest de Reting rinpoche aftreden en de plaats laten aan regent Taktra rinpoche. Dit ging niet zonder intriges en een kleine paleisrevolutie. De Reting rinpoche werd in 1947 vermoord. Eén van de andere slachtoffers werd de vader van de huidige dalai lama, die Reting trouw gebleven was[4]. Even werd door de nieuwe regent gedacht aan het onecht verklaren van de huidige 14e dalai lama en aan het zoeken van een andere echte, maar zonder gevolg[5]. Het zoeken van reïncarnaties was doorweven met rivaliteit tussen clans van de elite, gedurende de gehele geschiedenis van Tibet. De 8e dalai lama (1758-1804) kan als kampioen gelden. De 7e panchen lama was zijn jongere broer. De hotogtu[6] lama, die het Tashilumpo klooster bestuurde en de zoektocht naar de 7e panchen lama leidde, was zijn oom aan vaders zijde. De 10e nyingmapa lama was een andere oom van de 8e dalai lama. Dorje Pagmu, belangrijke figuur van de kagyupa school, was zijn zuster. De kalon tripa, de "eerste minister", Dorin, was de echtgenoot van de nicht van de 8e dalai lama. Zo was de periode van de 8e dalai lama redelijk uniek in de lamageschiedenis van Tibet: de macht van bijna alle boeddhismescholen was gegroepeerd in één enkele familie, met erbovenop nog de leider van de lokale Tibetaanse regering[7].

drepung

Het Drepung klooster, waar de eerste dalai lama's oversten van waren

In normale omstandigheden worden reïncarnaties van hoge lama's gezocht via een welbepaald systeem: spiegelingen in heilige meren, raadplegen van het orakel, fysionomie en alertheid van de kandidaat kinderen, herkennen van voorwerpen die tot de overleden lama behoorden, enz. De zoekcommissie van het klooster bepaalt uiteindelijk wie de reïncarnatie is en dit werd geregistreerd of bekrachtigd door de sitsab, de overheidscommissie voor godsdienstzaken van de lokale Tibetaanse regering, sinds de dalai lama's aan de macht waren vanaf de 17e eeuw. In het huidige Tibet is er een commissie voor godsdienstzaken verbonden aan het lokale parlement. Zij doen hetzelfde: registreren en bekrachtigen. In het oude Tibet gaf de sitsab de namen van de belangrijkste reïncarnaties door aan de commissie voor boeddhismezaken van de Chinese keizer. Zij kregen een keizerlijke stempel. Dit werd in 1793 tijdens de laatste dynastie, de Qing (1644-1911), precies ook de periode van de dalai lama's, in een wet gegoten. De Chinese actuele regering beroept zich daarop om te zeggen dat zij uiteindelijk het laatste woord hebben wat betreft de erkenning van een gereïncarneerde hoge lama, van welke school of van welke rang die ook moge zijn.

Wat met de panchen lama?

De panchen lama is de lijn van de eerste leerling van Tsongkapa, de stichter van de gelugpa school. Zij werden en bleven oversten van het Tashilumpo klooster in Xigaze, in de regio Tsang ten westen van Lhasa. De streken U (Lhasa) en Tsang (Xigaze) lagen verscheidene malen overhoop wat betreft de politieke macht over Tibet. Toen een drietal dalai lama's jong stierven vroeg de Qing keizer aan de 7e panchen lama (1782-1853) om het lokale bewind tijdelijk over te nemen. De 7e panchen weigerde echter de wereldlijke macht,.maar zijn regio bleef min of meer onafhankelijk van Lhasa. Het zoeken van een nieuwe panchen lama gebeurde door het Tashilumpo klooster in Xigaze, niet door de dalai lama's van Lhasa. In bepaalde gevallen, zoals hoger vermeld bij de 8e dalai lama, kon Lhasa de keuze in hun voordeel beïnvloeden. Soms ging het er ook gewelddadig aan toe. In 1879 bvb, liet de 13e dalai lama de eerste minister van de toenmalige panchen lama executeren onder de beschuldiging een spion van Engeland te zijn[8]. De toenmalige panchen vluchtte eerst naar India en dan naar China. Toen na zijn dood, zijn opvolging moest gezocht worden probeerde de regent van Lhasa een eigen kandidaat naar voor te schuiven[9]. Maar de zoekcommissie van het Tashilumpo klooster haalde de bovenhand, wel met Chinese steun. Het werd in 1989 opnieuw bekvechten en touwtrekken toen de 10e panchen lama overleed. Een commissie van het Tashilumpo klooster leidde de zoektocht naar een reïncarnatie. Vanuit zijn ballingschap mengde de 14e dalai lama zich op het laatste moment in de keuze, schoof een eigen jongetje naar voor, dat het niet haalde, maar dat meteen van de internationale "Free Tibet" groepen het statuut van "jongste politieke gevangene ter wereld" kreeg.

En de 14e dalai lama zelf, wat gebeurt er na hem?

Toen de dalai lama's politieke macht hadden, moest er na hun dood eerst een regent  aangesteld worden door de vierkoppige ministerraad. Maar de 14e dalai lama heeft nu geen politieke macht meer in Tibet. Hij beschikt wel over een regering in ballingschap, met een eigen ministerraad. Die kunnen een regent in ballingschap aanduiden, belast met het leiden van een zoekcommissie om de reïncarnatie te vinden. De huidige dalai lama is ondertussen het zoeken aan het oriënteren. Dat is traditioneel zijn recht. Hijzelf werd gevonden op aanwijzen van zijn voorganger, die in zijn testament gezegd had in welke streek te zoeken. De nieuwe panchen lama, niet het jongetje van de dalai lama, is gevonden op aanwijzen van de vorige, die de manier van zoeken, lottrekking[10] onder de drie beste kandidaatjes, als sterfwens uitgesproken had. Maar de 14e dalai lama is stilaan het terrein aan het voorbereiden voor een hervorming van het tulku systeem, althans voor hem. Wat dikwijls voorkomt in interviews is het samenroepen van een conclaaf van hoge lama's, zoals voor de herverkiezing van een paus, dat dan een nieuwe en volwassen opvolger voor de dalai lama bij stemming aanduidt. In de loop van de geschiedenis was de minderjarige periode van de gereïncarneerde dalai lama vijf kansen op zes een onstabiele periode met teveel rivaliteit tussen de elitefamilies en onbeslistheid op politiek vlak. Dat wil de 14e dalai lama vermijden. Er zijn dus twee mogelijkheden: een conclaaf zoals de katholieken of een betrouwbare regent aanduiden. Hij sluit nog niets uit. Soms ziet hij de volgende dalai lama in de persoon van een westerling in plaats van een Tibetaan. Op een ander moment zegt hij dat er misschien geen volgende dalai lama moet komen. Maar bovenal mag de volgende geen Tibetaan zijn die nog in Tibet woont, want dan zitten de Chinezen ertussen. Waarbij hij voorbijgaat aan de wens van de Tibetaanse boeddhistische gemeenschap en hun lama's in Tibet zelf, toch vijf miljoen mensen tegenover 120.000 in ballingschap. Op zijn persoonlijke website zegt hij het duidelijk: "Als ik sterf voor we naar Tibet kunnen terugkeren, dan zal er een volgende dalai lama nodig zijn. Als er een vrij en democratisch Tibet komt voor ik sterf, dan is er geen dalai lama als Godkoning meer nodig." En in een interview: "Als het Tibetaanse volk een nieuwe reïncarnatie wil, dan moet die in staat zijn de taken af te werken die deze dalai lama niet heeft kunnen voleindigen. Dat betekent dat hij moet komen uit een vrij land. De Chinese regering zal ook een dalai lama aanduiden, hij zal een valse dalai lama zijn."[11]

Geruchten[12] lopen dat de 14e dalai lama de 17e karmapa lama[13] als zijn opvolger of als regent zal aanstellen. Dit is mogelijks één van zijn visjes gelost in de media[14]. Toch onwaarschijnlijk, gezien de karma-kagyu school de politieke macht had in Tibet, begin 17e eeuw, net voor de dalai lama's die veroverden en na een bloedige burgeroorlog. Die vete is nog niet uitgewist. De karma-kagyu school heeft veel aanhangers in Europa en de USA, meer dan de gelugpa school van de dalai lama zelf[15]. Dit kan een reden zijn waarom informeel aan de 17e karmapa "gedacht" wordt. Maar een rivaalorde de macht in ballingschap geven kan de eigen gelugpa bonzen van de 14e dalai lama moeilijk liggen. Een interreligieuze toenadering? Of de vrees dat de rivaliteit zal losbarsten na zijn dood?[16] Er bestaan ook twee "17e karmapa's", beiden in India en die elkaar het recht op de authentieke reïncarnatie betwisten. De huidige dalai lama heeft de uit Tibet ontsnapte onder zijn bescherming genomen, de andere is eerder een contestant. De karma-kagyu school in het westen is verdeeld over wie ze volgen. Kortom, het wordt geen gemakkelijke zaak, de 14e dalai lama moet aan politiek koorddansen doen binnen eigen rangen om een aanvaarde autoriteit als opvolger te vinden. Eén zaak staat vast: hij wil er een die buiten Tibet verblijft om de Tibetaanse onafhankelijkheidsgedachte verder uit te dragen. Hoe en wie is nog de vraag.

Wat is de Chinese regering van plan?

Zij kunnen perfect zeggen dat de huidige lokale overheid van Tibet hetzelfde is als de regenten van toen en dat die een commissie kan aanstellen om de reïncarnatie van de dalai lama te vinden, gezien er geen enkel klooster is waartoe de dalai lama behoort. Zullen zij het doen of schuiven zij de panchen lama, die wel nog tot een klooster behoort, als religieuze leider van de gelugpa school naar voor? Voor hen is er geen grote nood om een nieuwe dalai lama te zoeken, noch te vinden, gezien de dalai lama's meer een politieke functie hadden in het oude Tibet dan een religieuze.

Het is echter wel te verwachten dat de Tibetaanse en Mongoolse boeddhistische gemeenschap in China zelf er een wil. Die zullen zij dan zoeken volgens de traditionele methode en voorleggen ter bekrachtiging aan de regering. Waarmee er mogelijks twee zullen zijn, één in Tibet en één erbuiten.

China wil aantonen dat de huidige dalai lama de regels van het Tibetaanse boeddhisme overboord gooit, door een opvolger te kiezen in functie van zijn politieke actie voor onafhankelijkheid. Waarmee China een sterk punt heeft: kerk en staat gescheiden houden. De 14e dalai lama wil duidelijk een opvolger die het "land" wil heroveren. En dat zit China dwars. "Boeddhisme goed en wel," zeggen zij, "maar geen separatisme". In tal van geschriften hebben zij de 14e dalai lama als landverrader omschreven, waarbij zij ondermeer verwijzen naar de 15 jaar lange guerrilla-activiteiten[17] onder zijn leiding (1959-1974), naast beschuldigingen van "verlaten van traditionele boeddhistische rituelen". De kans is groot dat China vrij spel geeft aan de hoge lama's in Tibet om zelf een nieuwe reïncarnatie voor de huidige dalai lama te zoeken. Maar niet voor hij dood is. Terwijl de 14e dalai lama voorsprong neemt en het wil doen voor hij sterft. China zal in elk geval de door hem aangewezen opvolger niet "erkennen". Terwijl zij de huidige dalai lama nog als dalai lama bestempelen. Een opvolger, die naar hun mening niet volgens de traditionele regels gekozen wordt, zullen zij als fake bestempelen. Historisch is dat al voorgevallen toen Lajang Khan, een Mongoolse veldheer, begin 18e eeuw, een tweede 6e dalai lama zelf aanstelde, zonder regels te volgen. Het geheel van de Tibetaanse hoge lama's riepen de hulp in van een leger van de Chinese keizer om de nepdalai lama met zijn uitvinder te verdrijven en de door hen traditioneel gevonden reïncarnatie als 7e dalai lama naar de troon te escorteren, in 1720.

 



[1] "les religions en Chine", éd Nouvelle Etoile, Beijing, 1997.

[2] "Tibet Handbook", Gyurme Dorje, Footprint Handbooks, London, 1996.

[3] Soms wel "levende Boeddha's" genoemd, maar dat is een contradictie in terminis, een Boeddha is niet meer onder de levenden, hij trad het nirvana binnen.

[4] getuigenissen van moeder en broer van de 14e dalai lama in "A History of Modern Tibet", vol 2, Goldstein, pag 203, University of California Press, 2007.

[5] ibidem, pag 203, voetnoot 84.

[6] Een "hotogtu" hoge gereïncarneerde lama verschilt van een gewone hoge gereïncarneerde lama enkel door het feit dat hij "geregistreerd" werd door het centrale gezag in Beijing tijdens de Qing dynastie, die hem de titel "hotogtu" meegaven.

[7] "The 14th dalai lama", Siren and Gewang, pag 15, Intercontinental Press, Beijing, 1997.

[8] "Tibet, A Political History", Shakabpa, pag II,65, Yale University Press, 1967.

[9] "A History of Modern Tibet", Goldstein, vol 2, pag 268. University of California Press, 2007.

[10] "lottrekking in een gouden urne », voor het beeld van Sakyamuni in de Jokhang tempel van Lhasa is een traditie die rivaliteit moest beperken en zich in gang zette einde 18e eeuw, onder impuls van de Qing dynastie.

[11] MO magazine, nr 33, mei 2006.

[12] Association France-Tibet, interview Ursula Gauthier in le Nouvel Observateur, 29/11/2007.

[13] De jonge 17e karmapa vluchtte in 2000 - hij was toen vijftien jaar - weg uit Tibet, in een terreinwagen, vergezeld van een lama van het Tsurpu klooster, die in verbinding stond met de 14e dalai lama in Dharamsala in India. Aan de grens werd hij opgewacht door een Ambassador taxi van de Tibetaanse regering in ballingschap, die hem tot bij de 14e dalai lama bracht. ("The dance of 17 lives", Mick Brown, Bloomsbury Publishing, London, 2004).

[14] Ondermeer in een interview met Raimondo Bultrini, 15 juli 2007, JustOneTV.com.

[15] De 16e karmapa kwam veel eerder rondtoeren in Europa en in de USA dan de huidige dalai lama. Hij moeide zich weinig met politiek maar stichtte veel boeddhismescholen in het Westen. Vandaar de grotere karma-kagyu aanhang in onze landen.  

[16] In een interview met de Duitse ARD, 15/06/99, maakt hij daar allusie op: "Zolang de huidige dalai lama leeft, zal alles goed verlopen. Maar wanneer hij er niet meer zal zijn kan de situatie oncontroleerbaar worden." Het is bekend dat binnen zijn parlement in ballingschap een fractie bestaat die openlijk voorstander is van het hervatten van guerrilla-akties. 

[17] « Buddha's Warriors », Mikel Dunham, met voorwoord van de 14e dalai lama, Penguin Books, New York, 2004.

14-01-08

Tibetaanse en internationale reacties bij de communistische machtsovername in 1951

 

Geen enkel land ter wereld had in de laatste twee eeuwen Tibet als een onafhankelijk land erkend, Tibet bleef beschouwd als minstens een vazalstaat van China. De communistische machtsovername in 1951 zou daarin geen verandering brengen. De grote zuiderbuur India, zelf onafhankelijk geworden in 1947, gaf bij monde van eerste minister Nehru te kennen dat de Tibetaanse aristocratie maar beter het gezag van Beijing zou erkennen. India beschouwde de kwestie Tibet als een Chinese binnenlandse aangelegenheid en wou ze niet internationaliseren. Engeland, dat nochtans veertig jaar lang een bevoorrechte positie in Tibet had, volgde de Indiase stelling op de voet. Bleef nog één grote internationale speler, de USA. Voor de Tweede Wereldoorlog beschouwden zij Tibet als deel van China en remden toen zelfs Engeland in zijn avances in Tibet. Maar na het einde van de oorlog wensten de USA dat Tibet een religieus bolwerk zou worden tegen het voortschrijdende communisme in Azië (Siberië, Mongolië, China, Korea, Indochina). Zij stonden daarmee echter geïsoleerd, er was geen gemeenschappelijke internationale coalitie mogelijk zoals in Korea het geval was. Daardoor opteerden de USA voor een beperkte strategie: de 14e dalai lama overtuigen om in ballingschap te gaan en clandestien wapens bezorgen aan eventuele Tibetaanse opstandelingen.

De Tibetaanse geestelijke leiders en de aristocratie waren verdeeld over de kwestie. Een deel was voor onderhandelingen met het nieuwe Chinese bewind, een groot deel twijfelde en een minderheid ging in 1951 meteen in ballingschap. Onder deze laatste de familie van de 14e dalai lama en hun fortuin. Twee broers van de 14e dalai lama werden meteen belangrijke verbindingspersonen met de USA, hun enige hoop op steun. De meerderheid van de Tibetaanse elite, inclusief hun Uitgebreide Algemene Vergadering, aanvaardde in 1951 het met China onderhandelde akkoord over "vreedzame bevrijding". Waarmee hun twijfels nog niet weggenomen waren. "Vroeg of laat verliezen wij onze bevoorrechte positie," moeten zij gedacht hebben. Maar zij vonden dat de enigen die hun hulp beloofden er te weinig boden. De schatbewaarder van Tibet, tsipon Shakabpa, was, nog voor de aankomst van het Rode Leger, de belangrijkste gezant van de Tibetaanse overheid om met de USA te onderhandelen. Hij vroeg wat de Amerikanen zouden doen als het vredesoverleg met China mislukte, op welke steun Tibet bij de UNO kon rekenen, of de USA bereid waren om de 14e dalai lama met 100 personen van zijn entourage asiel te bieden en of zij dit wilden bekostigen, of de USA bereid waren wapens en geld ter beschikking te stellen voor een opstand, of de USA de oudere broer van de dalai lama, Taktser Rinpoche, onmiddellijk bij hen in ballingschap wilden toelaten.[1] De USA antwoordden dat zij in de UNO niet het initiatief zouden nemen, dat geld voor ballingschap maar moest komen van de familieschat van de 14e dalai lama, dat de plaats van ballingschap beter dichtbij Tibet zou zijn en niet in de USA, dat de USA bereid waren om lichte wapens te leveren op voorwaarde dat India ze via zijn grondgebied zou laten passeren en dat er Tibetanen werkelijk in het verzet zouden gaan. Taktser daarentegen mocht onmiddellijk naar de USA komen. Men kan begrijpen dat de Tibetaanse elite hier weinig perspectief in zag: geen steun voor onafhankelijkheid, geen grote militaire interventie zoals in Korea, enkel uitzicht op een levenslange ballingschap. Tot daar enkele omstandigheden waarin de "vreedzame bevrijding" tot stand kwam.

Een pikant detail uit het "17 punten programma voor vreedzame bevrijding van Tibet". In punt 7 had de Chinese overheid gesteld dat "er niet zou geraakt worden aan de wortels van de Tibetaanse godsdienst". De Tibetaanse delegatie wilde het woord "wortels" vervangen door "inkomen". In de uiteindelijke tekst werd één zin toegevoegd: "Er zal niet geraakt worden aan het inkomen van de kloosters en de tempels".[2]



[1] Zie correspondenties tussen Tibetaanse instanties, USA, Engeland, India en China, nauwkeurig van dag tot dag geciteerd in "A History of Modern Tibet", Volume 2, pag 104, 124,126, 145, MC Goldstein, University of California Press, 2007.

[2] Ibidem, pag 102.

litang10 (22)

hij overleefde het allemaal

28-11-07

een gevluchte lama op bezoek

litang (556)

Litang, augustus 2007.

Het Tibetaanse klooster van Litang is in de recente geschiedenis een onderwerp van kletterende disputen geweest. Litang bevindt zich in het westen van de Chinese provincie Sichuan. Het behoorde ooit tot het grote Tibetaanse rijk van de 8e eeuw. Nadien ontsnapte het aan de lokale Tibetaanse leiders, maar de religieuze band bleef. Toen de jonge Volksrepubliek China de grote landeigendom in Sichuan afschafte in het begin van de jaren vijftig, was het klooster van Litang een verzetshaard. Het werd door het Rode Leger gebombardeerd in 1956. Hoge lama's vluchtten naar India. De tolerantere houding van de Chinese overheid gedurende de laatste decennia leidde tot enige verzoening. Een hoge lama, gevlucht in 1956, kwam ceremonies voorzitten in het klooster gedurende de zomer van 2007. Wij waren getuige.

litang667

Een "dobdo", een gestoffeerde opzichter staat in voor de orde tijdens de ceremonie  

litang444
Veel te jonge monniken kregen bij deze gelegenheid hun zakgeld. Kinderen inlijven in kloosters is eigenlijk verboden, maar nog wijd verspreid en getolereerd.

19:13 Gepost door infortibet in religie | Permalink | Commentaren (0) | Tags: monniken, money, tolerantie, tibet, litang, lama, sichuan, ceremonie, kloosters

24-06-07

bomen in de kloosters

Bomen zijn schaars in Tibet, gezien de grote hoogte van het plateau. Vroege westerse ontdekkingsreizigers beschreven het als "het land zonder bomen". De mensen gebruikten eeuwenlang gedroogde yakdrollen als brandstof. Toch is er hout voorhanden. In de kloosters. Hout voor de grootkeuken en hout voor pilaren. Hout was een voorrecht in het oude Tibet, voorbehouden aan de elite. Die traditie blijft nog verderleven in de huidige kloosters. 

IMG_1865

houtvoorraad voor de keuken in het beroemde Ganden klooster, niet ver van Lhasa

kloosterkeuken
en dat is dan de keuken
IMG_1217

pilaren van god weet waar

ganden

dat is het ganden klooster, op méér dan 4.500 m. Zonder bos. 

 

21:24 Gepost door infortibet in ecologie | Permalink | Commentaren (0) | Tags: tibet, kloosters, houtkappen, monniken, bebossing