04-02-08

ontbossing op de randen van het hoogplateau

«In een nog niet zo ver verleden moet de streek hier flink bebost geweest zijn. Maar de inboorlingen hakken er lustig op los. Vele berghellingen zijn totaal kaalgekapt en eroderen. Valleien worden bedreigd door grote aardverschuivingen. De naar beneden donderende bergrivieren hollen de nu onbegroeide bergflanken verder uit en verhogen nog de ravage.»

valleien

Deze enkele zinnen komen als het ware recht uit een pamflet dat de door de Chinezen aangerichte ecologische ramp in Tibet aanklaagt. Eén woord is anders: "inboorlingen". Vervang het door "Chinezen".

Maar het citaat dateert van 1921 en het komt uit een boek van de befaamde etnologe A. David-Neel. Zij heeft het hier over een gebied in de provincie Gansu (noordoosten van het hoogplateau), waar Tibetanen wonen. En de "inboorlingen" zijn Tibetanen. Waarom vellen zij de bomen? Voor eigen gebruik en om er houtskool van te maken, dat ze als brandstof verkopen aan de Hui-moslims en aan de Han-Chinezen, in de lagere landbouwgebieden. Waarom houtskool? Omdat het vervoer van boomstammen via de onstuimige bergrivieren niet mogelijk is. David-Neel: "Van de enorme sparren die worden omgehakt om er houtskool van te maken wordt de helft ter plaatse verspild door onhandige methodes".

Het noorden en het noordoosten van het hoogplateau noemen de Tibetanen "Amdo". Daarover zegt David-Neel: "Amdo wordt beschouwd als een Tibetaanse provincie hoewel het niet onder de regering van de dalai lama valt. De Chinese overheid heeft er een vage controle over, int enkele belastingen, maar komt enkel uitzonderlijk tussen in de lokale zaken. In normale omstandigheden is dit gebied bestuurd door lokale leiders, zonder onderlinge band." In het begin van de 20e eeuw waren deze lokale leiders Hui of Han. Verder doet David-Neel niet aan historische analyse, zij beschrijft in haar werken grandioos een momentopname van enkele tientallen jaren.

Hieronder nog een uittreksel dat de situatie van toen goed weergeeft:

 

"In Lanzhou was er een provinciegouverneur. Theoretisch had hij gezag over de gehele provincie Gansu. Maar in het zuiden van de provincie regeerde een andere generaal, die zelfs een eigen munt geslagen had. In theorie was ook generaal Ma van Xining ondergeschikt aan de gouverneur van Lanzhou. Maar Ma voelde dit zo niet aan. Generaals hadden elk een klein leger, en een eigen belastingkas, en hielden regelmatig razzia's buiten hun eigen domein. Zo was het toen in geheel China."

Generaal Ma kwam tussenbeide in een machtsstrubbeling in het beroemde Labrang klooster in Gansu. Tseundup, de intendant van de oude abt van het klooster, had ongeveer alle macht naar zich toegetrokken en was er ook flink rijk door geworden, "iets wat dikwijls gebeurt in Tibet," voegt DN eraan toe. Bovendien onderhield Tseundup een amoureuze relatie met de jongere zuster van de abt, voor wie hij een huis liet bouwen dat tegen het klooster aanleunde. De abt liet oogluikend toe. Maar toen deze stierf brak een opstand uit onder de monniken. Zij ontheven Tseundup uit zijn functie, onteigenden hem en waren van plan om hem te vermoorden. Tseundup kon op het laatste nippertje ontsnappen, met paarden die zijn Chinese handelspartners te zijner beschikking stelden. Hij vluchtte naar Xining en zocht de hulp van generaal Ma op. Die moet de kans schoon gezien hebben om zijn gebied wat uit te breiden. Hij liet eerst zowat alle inwoners van het dorp Labrang ombrengen en viel daarna het klooster aan. Als straf werd het paleis van een hoge lama in brand gestoken en de tempels geplunderd. Tseundup herwon zijn sociale rang en zijn rijkdom, wat hem het meest bekommerde. Hij verzaakte zelf aan zijn vroegere positie als intendant.

 

Het China van begin 20e eeuw was enorm verscheurd. De laatste keizerlijke dynastie was gevallen, de nieuwe republiek versplinterde in lokale potentaten van krijgsheren. Dat is de situatie die David-Neel meemaakt en beschrijft. Een lezer die dit extrapoleert naar alle vroegere Chinese bestuursmethodes heeft het verkeerd voor.

 

David-Neel, « Au pays des brigands gentilhommes », reisverhaal van 1921, Ed. Plon pocket, pag 27, 37, 65 e.v.