28-02-08

David-Neel en het "harmonieuze Tibet" van weleer

 

Alexandra David-Neel wordt zowel door voor- als tegenstanders van de onafhankelijkheid van Tibet geciteerd als referentie, vanwege haar vroege en lange reizen in Tibetaanse gebieden. Haar geschriften droegen in een hoge mate bij tot een betere kennis in het Westen van het boeddhisme in het algemeen en het Tibetaanse boeddhisme in het bijzonder. Tegelijk is David-Neel niet de aanbidster van de « harmonieuze Tibetaanse samenleving », zoals menig actuele bewonderaar - in onze westerse wereld - van het Tibetaanse boeddhisme nu wel is. Het is de huidige dalai lama die de notie van "harmonie van weleer" mee helpt verspreiden in het Westen, tal van zijn interviews getuigen daarvan. David-Neel geeft in haar werken een briljante nuchtere kijk op het dagelijkse leven in het oude Tibet, een nauwkeurige momentopname begin 20e eeuw.

Enkele passages uit  "Au pays des brigands gentilshommes"[1]

Bij het binnenkomen van de gebieden in de provincie Gansu, bewoond door Tibetanen, noteert D.N.: "De vage veiligheid in de onmiddellijke omgeving van de Chinese autoriteiten houdt hier op. Men heeft ons herhaaldelijk gewaarschuwd dat bvb in nauwe kloven voorbijgangers geregeld beroofd worden tot zelfs in stukjes gehakt worden." (p.30).

"Wanneer iemand ongemerkt de muilezels steelt van slapende reizigers, mogen die reizigers achteraf het recht niet zelf in handen nemen, anders volgen er ongecontroleerde schermutselingen, waar geweren spreken. Betrappen op heterdaad is anders." (p.38).

 "De dorpelingen die ons herbergen hebben de neiging ons iets te ontfutselen. Omgekeerd is dit evengoed het geval. Bepaalde reizigers vertonen geen scrupules om hun arme gastheren te beroven van wat gesponnen wol of van een stuk gedroogd vlees, wat boter of tsampa en soms van schoeisel." (p.39).

Bij het opslaan van haar tent wordt DN op een bepaald moment geconfronteerd met een weigering vanwege lokale Tibetanen. Zij beveelt haar escorte om één ervan een klap te geven. "Er zijn slechts minuten nodig om de lokale mensen tot geweld te bewegen. Sla eerst, anders krijgen wij de klappen."  "De Tibetanen houden van krachtsvertoon. Zonet toonden wij ons mannetje te kunnen staan." (pag 105).

"Je moet altijd op je hoede zijn in dit land." (p.109), bij het naderen van een dorp.

yushu 05 (180)

op traditionele feesten is geweerschieten vanop het paard nu nog een geliefd vaardigheidsvertoon.

Daarentegen, te gast bij een rijke familie, schrijft D.N het volgende (ibidem, pag 70 e.v.):

(Het gaat om de ouders van de jonge abt van het Lhabrang klooster in de provincie Gansu. Zij wonen in een soort paleis vlakbij het klooster. Dit laatste was een tijd tevoren quasi volledig vernield door de lokale krijgsheer van die tijd, wat niet belette dat de familie van de abt nog in weelde leefde). "Wij moesten ons niet schamen van slokoppen te zijn tijdens het avondmaal, want de hoeveelheid bereide schotels oversteeg meer dan tweemaal ons eetvermogen. De maaltijd was klaargestoomd door een Chinese kok, wat garant stond voor ‘haute cuisine' bij de Tibetanen, net zoals een Franse kok bij ons. Een belletje deed hem de gerechten aanbrengen. De schotels waren van zilver. Er was vlees, vis (weg met de mythe dat de Tibetanen geen vis aten, nota), groenten allerlei, stoofpotjes en dumplings. De rijst was geparfumeerd met rozijnen uit Corinthië en de soep kwam laatst, op zijn Chinees. Als toemaatje kregen wij Chinese en Westerse  koekjes. De maaltijd duurde van ‘s middags tot zes uur ‘s avonds." Noteer wel dat het om de familie ging van de abt van het klooster, die trouwens ook deelnam aan het festijn.


[1] Pocket uitgave, Editions Plon, rééd 1980.