11-03-12

Tibetaanse gebieden in Sichuan, China: de lokale overheid spreekt klare taal

Een partijcommissie, met aan het hoofd Liu Qibao, politiek secretaris voor de provincie Sichuan, bezochten de woelige Tibetaanse departementen Aba en Garze, waar de voorbije maanden demonstraties en zelfverbrandingen plaatsvonden. Het bezoek vond plaats tijdens de periode van het Tibetaanse Nieuwjaar (22 februari). De partijsecretaris voor de provincie mag dan al een Han Chinees zijn, toch zijn ongeveer 70% van de overige partijkaders in die departementen Tibetanen. De boodschap van de partij aan de lokale bevolking leed niet aan onduidelijkheid.

De kern van het beleid is ‘nultolerantie wat openbare orde betreft’. Daarmee doelt de overheid op betogingen en op elke vorm van geweld, zoals het vernielen van winkels en openbare gebouwen. Het proberen te verhinderen van zelfverbrandingen valt daar ook onder.

De Chinese communistische partij wil het separatisme niet het minste forum geven en het geen actievrijheid toelaten. Maar er zal nog meer aandacht gaan naar de economische ontwikkeling van de gebieden waar Tibetanen leven, met de klemtoon op meer sociale voordelen (inkomens, onderwijs, geneeskundige zorgen).

De partij garandeert de vrijheid van godsdienstbeleving, privé thuis én in de tempels en kloosters. De kloosters staan echter niet boven de wet. De besturen van de kloosters worden aangemaand om hun wettelijke verplichtingen na te komen (officiële registratie van de monniken, geen separatistische activiteiten onder de mantel van de godsdienst, juridische opvoeding voor de jonge monniken, loyauteit tegenover het socialistisch systeem en de etnische harmonie).

“Gelovigen, of het nu leken zijn of monniken, hebben de volledige vrijheid voor hun godsdienstbeleving. Maar de overheid zal hard optreden daar waar de wetgeving of de etnische eenheid niet nageleefd wordt,” zo klinkt het. “Hard”, dat betekent gevangenisstraffen.

Liu Qibao ontmoette en sprak met de huidige abt en de hoge lama’s van het Kirti klooster in het departement Aba, waar een groot deel van de zelfverbrandingen plaatsvonden.

18:05 Gepost door infortibet in rellen | Permalink | Commentaren (0) | Tags: tibet, monniken, separatisme

17-02-12

Een mediabombardement op Tibet

 

De zelfverbrandingen in enkele Tibetaanse gebieden in China leiden tot een ongeziene mediacampagne vanwege de VS en de Tibetaanse gemeenschap in het buitenland.

Daarin prijzen invloedrijke Tibetanen in het buitenland de ‘moed van de zelfverbranders’. De dalai lama zien we op de VOA (‘Voice of America’) of op ’Radio Free Asia’ actief in gebedsstonden voor de zelfverbranders. Intussen zijn er dat al een twintigtal.

Sommige Tibetaanse leiders in ballingschap gaan zeer ver en garanderen ongeveer het ‘nirwana’ voor de zelfopoffering. Dit doet bv Jamyang Norbu vanuit de VS op de website van ‘Tibetan Youth Congress’, de grootste organisatie van Tibetanen in het buitenland in “een editoriaal met de titel: “self-immolation and Buddhism”.

Dit worden hysterisch-religieuze toestanden, die theologisch niet afgekeurd worden door de hogere boeddhistische leiding van de Tibetanen in het buitenland, ten dienst van de politieke actie voor onafhankelijkheid van Tibet. De ex-abt van het Kirti klooster in Sichuan, waar de meerderheid van de zelfverbrandingen plaatsvonden, was zelf op ‘toelichtingsrondreis’ in de VS in november 2011, als ‘ambassadeur van het protest’, op het moment zelf dat er nog enkele jongeren in de vlammen opgingen.

Het mediabombardement is op Tibet gericht, het zijn televisie-uitzendingen van de VOA of van RFA, in de Tibetaanse taal, die via schotelantennes in Tibet en aanpalende streken kunnen ontvangen worden. De zelfverbrandingen tonen als ‘moedige offers’, de dalai lama laten zien, die voor hen bidt, interviews met andere Tibetaanse bannelingen die hun ‘respect voor de moed’ komen betuigen, het maakt die daad meer en meer sacraal.

Twintig jongeren, nauwelijks twintig jaar oud, zijn er de dupe van.

Het is zeker dat de autoriteiten in Sichuan de scheiding van politiek en religie niet op de zachtste manier aangepakt hebben anders zouden er geen zelfverbrandingen geweest zijn. We kunnen enkel hopen dat ze samen met de lokale bevolking een weg zullen vinden. Er een internationaal ‘spektakel’ van maken of het gebruiken om China uit evenwicht te brengen zal letterlijk ‘olie op het vuur’ zijn.  

 

18:15 Gepost door infortibet in rellen | Permalink | Commentaren (0) | Tags: tibet, sichuan, monniken

01-02-12

De zelfverbrandingen van Tibetaanse monniken

 

De eerste die door zelfverbranding om het leven kwam was een monnik – een twintiger - van het Sirti klooster in de prefectuur Aba (Ngaba) in Noordwest-Sichuan. Dit gebeurde einde februari 2009. Tussen maart 2011 en nu januari 2012 kwamen er nog zestien zelfverbrandingen, waarvan de Tibetaanse oppositie in het buitenland denkt dat er minstens 10 zijn, die het niet overleefden, een triest en verschrikkelijk palmares. Schrijnend is ook de jeugdige leeftijd van de meeste ‘zelfverbranders’: tien van de zeventien waren jonger dan twintig of net twintig.

De pers in China maakt gewag van de gebeurtenissen, keurt ze scherp af en geeft geen details. Detailinformatie over de namen van de monniken, de plaats en de datum waar het gebeurde en de omstandigheden wordt voornamelijk verspreid door ICT [1].

De gebieden waar de zelfverbrandingen plaatsvonden zijn sinds april 2011 overigens afgegrendeld voor de Westerse pers.

ICT schrijft dat elke monnik of non, die zich opofferde, slagzinnen riep voor een “vrij Tibet”en voor de terugkeer van de dalai lama.

"Radio Free Asia reported that before he set himself ablaze, he climbed a local hill to burn incense and pray before distributing leaflets saying he would act "not for his personal glory but for Tibet and the happiness of Tibetans."

“According to Tibetan exiles who spoke to a witness of the protest, before he was stopped by police Phuntsog shouted slogans including ‘May His Holiness the Dalai Lama live for 10,000 years!’"

ICT meldt ook vergezellend volksprotest, maar slechts bij enkele gevallen. Daarbij zouden  enkele doden gevallen zijn door het politieoptreden. Het Chinese persagentschap vermeldt er één.

Opvallend is dat van de zeventien zelfverbrandingen er twaalf gebeurden in dezelfde regio: in de autonome gemengde prefectuur Aba van Tibetanen en Qiang[2]. Van die twaalf zijn er tien afkomstig van één bepaald klooster: Kirti. Daarnaast zijn er drie zelfverbrandingen gemeld in de prefectuur Garze, ook in West-Sichuan, één in het zuiden van de provincie Qinghai en één in Tibet zelf, in de oostelijke stad Chamdo. Deze vier streken zijn min of meer aanpalend aan elkaar, het gaat globaal om een gebied grenzend aan het noordoosten van het huidige Tibet en het is een deel van de historische gebieden ‘Amdo’ en ‘Kham’.[3]  

De regio Aba is driemaal groter dan België en er leven 1 miljoen mensen, voor 72% Tibetanen en Qiang. Er zijn 42 kloosters, samen goed voor een paar tienduizenden religieuzen[4]. Aba is een regio buiten het huidige Tibet en bevindt zich, in de provincie Sichuan, die al tijdens de Manchu dynastie in China als afzonderlijke provincie bestond (18e eeuw). Gedurende de laatste twee eeuwen was er een zekere migratie van Han Chinezen naar West-Sichuan, maar de Han bleven duidelijk in de minderheid.[5]

ICT geeft een eventueel etnisch-numeriek bevolkingsprobleem niet aan als mogelijke oorzaak voor de wanhopige daden in Aba, wel een bestuursprobleem: de “afwezigheid van religieuze en politieke vrijheid”.

De overheid in de regio Aba is Tibetaans, de politie evenzeer[6]. Van een directe etnische tegenstelling tussen de bevolking en het lokale bestuurs- of repressieapparaat kan men dan moeilijk spreken. Natuurlijk is er een nationale politiek in China tegenover de Tibetaanse bevolking. Een kort historisch overzicht kan enig licht werpen op het feit waarom dit tragisch protest geconcentreerd is in de regio Aba.

Toen China na de revolutie van 1949 zijn territoriale aanspraken op Tibet herbevestigde[7] door het Rode Leger in 1951 naar Lhasa te sturen beloofde de Chinese nationale regering om de landadel in Tibet ongemoeid te laten en geen landhervorming door te voeren zonder hun instemming. De belofte gold voor het Tibet van toen[8], wat overeenkomt met het huidige Tibet, maar niet voor de gebieden in Sichuan waar ook Tibetanen wonen, bv in de regio Aba. Daar werd de landhervorming wel doorgevoerd. Daartegen is lokaal verzet gekomen, dat zich vanaf 1956 via de VS kon bewapenen en een guerrilla starten. West-Sichuan werd de thuisbasis van het gewapend verzet tegen het Chinese bewind, waarbij de kloosters een eminente rol vervulden.[9] In 1959 bereikte de opstand Lhasa, maar werd er neergeslagen. Dit leidde tot de vlucht van de dalai lama naar Indië, met in zijn spoor heel wat Tibetanen van West-Sichuan. De toenmalige abt van het hierboven vermelde Kirti klooster in Aba was één van de uitwijkelingen en bevindt zich nog steeds in het Indische Dharamsala, de huidige thuisbasis van de dalai lama. Net zoals de dalai lama zegt de ex-abt van Kirti dat zelfverbranding eigenlijk niet strookt met de boeddhistische leer, maar dat hij begrijpt dat de extreme repressie een aantal monniken tot die daad drijft.

De ‘eerste minister’ van de dalai lama, Lobsang Sangey, heeft ongeveer dezelfde bewoordingen in een interview met ‘Libération’ (29/11/2011):

“Ik roep niet op tot gewelddadig verzet of zelfverbranding want elk protest leidt tot arrestatie en foltering door de Chinese overheid. Ik begrijp hun motivatie ter verdediging van het Tibetaanse volk. Ik groet de moed van diegenen die bereid zijn hun leven te offeren voor deze strijd, maar hun daad is pijnlijk en triestig.”

“Het theologisch debat over zelfdoding bestaat, maar moet niet interfereren met wat nu gebeurt. Het is de Chinese overheid die door haar repressie mensen dwingt om zich op te offeren.”

De omgeving van de dalai lama ‘begrijpt de moed’ van de monniken die zich opofferen en keurt theologisch niet scherp af, terwijl tal van abten van andere kloosters in Aba dat wel deden in de pers in China. Dit terwijl ICT recent meldde dat er in Aba pamfletten circuleren, die oproepen tot zelfverbranding tijdens het komende Tibetaans Nieuwjaarsfeest op 22 februari.

Terug naar de geschiedenis.

Gedurende de jaren 1980, na de Culturele Revolutie, kwam er een periode van openheid en tolerantie vanwege de overheid in Tibet en aangrenzende gebieden. In Tibet zelf bleef de controle op de kloosters enigszins gehandhaafd, vanwege het strategisch belang van Tibet voor China en vanwege het feit dat de problematiek geïnternationaliseerd was. Maar in de randgebieden werd de betutteling vrij los, tot onbestaande. Er was weinig regelgeving voor de Tibetaanse kloosters in Sichuan, Qinghai of Gansu. Neem bv het fenomeen ‘kindmonniken’, dat vond je niet meer in Tibet zelf, wel volop in de randgebieden. Buitenlands bezoek was open zonder beperkingen, daar waar voor Tibet zelf een speciale permit en een bekende reisroute nodig bleef. Dit bracht ook een toename van de contacten mee tussen de Tibetaanse gemeenschap in Indië en die van hun thuisland: vooral West-Sichuan. Dat is nu nog min of meer zo. Ook in de richting van Tibet naar Indië. Volgens ICT reisden (legaal) 8000 Tibetanen in januari 2012 naar Indië om er Kalachakra-initiaties van de dalai lama bij te wonen. Men kan niet zeggen dat de Tibetaanse gebieden ‘hermetisch’ afgesloten zijn. ICT zelf, dikwijls via de Tibetaanse gemeenschap in Indië, beroept zich op plaatselijke informanten. En dat zal ook wel zo zijn. China schippert tussen openheid, controle en repressie.

Wat de repressie betreft, essentieel is die gericht tegen het ‘separatisme’. Politieke uitingen van nationalisme en steun aan de dalai lama worden onderdrukt, of die nu van kloosters of van leken komen. Twee ‘medeplichtigen’(“aanmoedigen, assisteren”) van de eerste zelfverbranding in 2009 werden tot zware gevangenisstraffen veroordeeld. Tijdens betogingen in de marge van de zelfverbrandingen worden ook mensen voorgeleid. Het spanningsveld is er.

Sinds 1994, na de zitting van de vierde conferentie over Tibet in Beijing, zijn er opnieuw beperkende maatregelen voor de kloosters. De monniken moeten geregistreerd zijn, er is een onderhandelde norm voor het aantal monniken per klooster, geen kinderen meer, in de kloosters moet er onderwijs zijn over de wetgeving. Het is waar dat sommige kloosters in Sichuan explosief groeiden tijdens de jaren 1980. De lokale Tibetaanse overheid zei dan: “wie zal dat betalen qua sociale zekerheid?”.

Een studie van twee Amerikaanse vorsers (Enze Han & Christopher Paik) onderzocht de relatie tussen het aantal religieuzen en het aantal incidenten per streek. Hun studie ging over de lente van 2008, toen in Lhasa zich het gekende oproer voordeed. Dit sloeg over naar de periferie, onder meer naar Aba. District per district vergelijken zij het aantal protestacties met het aantal monniken dat er woont. Hun conclusie is radicaal: de kloosters zijn “kernen van politieke onenigheid en nationalisme”.  

daoch74.JPG

 In verband met het theologisch boeddhistisch debat over zelfverbranding is er nog een element het vermelden waard. In het Tibetaanse pantheon zijn er godheden, die het ‘kwade met vuur bekampen’. De godheid Mahakala (Gonpo Maning in het Tibetaans) trekt, omgeven door een vlammenzee, ten strijde tegen het kwade.  (eigen foto, Daocheng of Dabba in West-Sichuan, 2007). In zijn memoires schrijft de dalai lama dat het zijn favoriete meditatie-godheid is. In alle tempels in de Tibetaanse gebieden in China zijn er afbeeldingen van Mahakala te zien. De monniken zijn ermee vertrouwd. Het ‘kwade’ wordt gemakkelijk de communistische partij in Tibet en aanpalende gebieden. Daar kan China door verplichte ‘patriottische opvoeding’ in de kloosters proberen een dam tegen op te bouwen, maar een zeker religieus fanatisme gekoppeld aan nationalistische eisen is een moeilijk te counteren fenomeen. De verplichte leergang over ‘wettelijkheid’ wordt als beperking van de religieuze vrijheid ervaren en/of als dusdanig aangeklaagd door de nationalisten in het buitenland.

De kloosters waren centra van Tibetaans nationalisme en zijn dat nog. Bovendien hebben zij een groot religieus aanzien bij de bevolking. De invloed vanuit het buitenland, vanuit de Tibetaanse uitwijkelingen in Indië en vanwege de wereldwijde steungroepen voor een quasi onafhankelijkheid van ‘Groot Tibet’, verhoogt de spanning ter plaatse.

De Tibetaanse gebieden in China waren gedurende de volledige 20e eeuw een internationaal strijdperk[10] en lijken dat nog een tijd te blijven. De Westerse mogendheden en media zijn daarbij betrokken. De Tibetaanse diaspora evengoed, met op kop de omgeving van de dalai lama. China wil hoofdzakelijk zijn territoriale integriteit bewaren, alles vertrekt daarvan. De middelen, die China inzet om multicultureel te blijven, zijn wellicht niet altijd de beste en irriteren een deel van de bevolking.  

 

 


 

[1] International Campaign for Tibet, een wereldwijde ONG met basis in Washington en gul gesubsidieerd door de VS-overheid en door enkele invloedrijke “Foundations” in de VS. ‘Radio Free Asia’ en een groot deel van de Europese pers neemt die informatie over.

[2]een volk uit het noorden van het hoogplateau dat door het Tibetaanse rijk van de 8e eeuw verdreven werd naar lagere gebieden in Sichuan)

[3]Behoorden tot het ‘Groot Tibetaanse Rijk’ van de 8e-9e eeuw, maar werden nadien niet meer door Lhasa bestuurd.

[4] Mathew Kapstein, een befaamde tibetoloog, schat het aantal Tibetaanse religieuzen op meer dan 100.000 (2004, p230). 

[5]Zowel reizende antropologen in het begin van de 20e eeuw als sociologen in het begin van de 21e eeuw stelden dit vast.

[6] Zelfs merkbaar op de foto’s van de zelfverbrandingen die op het net gepost werden.

[7] Dat Tibet een deel van China was werd door alle grote mogendheden van toen (inclusief het pas onafhankelijke Indië) onderschreven.

[8] Waar de dalai lama over heerste.

[9] Zie « Buddha’s Warriors », Mikel Dunham, Tarcher-Penguin Books, 2004.

[10] Zie de gedetailleerde werken van Melvyn Goldstein, op basis van de geschriften van het Engelse en het Amerikaanse ministerie van buitenlandse zaken en op basis van de correspondentie van Lhasa in die tijd, voor de periode 1913-1956.

 

12:47 Gepost door infortibet in rellen | Permalink | Commentaren (0) | Tags: tibet, monniken, kloosters, onafhankelijkheid, dalai lama, china

16-05-11

De vissen van Tibet

De Tibetanen eten weinig of geen vis, vooral de oudere mensen niet. Er is iets sacraals aan vissen.

 

De lichamen van overleden personen worden nog dikwijls aan de rivieren toevertrouwd, dus aan de vissen. Die worden aanzien – zoals de gieren trouwens – als de ‘bevrijders’ van de geest, die het lichaam bezielde.

Toen het Rode Leger in 1951 Tibet binnentrok, hadden de soldaten het strikt bevel gekregen om geen vis te vangen en er ook geen te verkopen, uit respect voor de lokale traditie. Toch bestonden en bestaan er traditionele Tibetaanse vissers, vooral op de rivieren. Hun bolle bootjes waren vervaardigd uit aaneengenaaide yakhuiden. Sommige dorpen langs de Yarlung Tsangpo rivier gebruiken die nog steeds. In het oude Tibet was de consumptie van vis voorbehouden aan de rijkelui, waaronder ook de hoge lama’s.[1] 

Ondertussen is de jonge Tibetaanse generatie nu wel aan vis toe, dat ze een lekker luxeproduct vinden.

 

Veel vis wordt uitgevoerd naar de nabijgelegen Chinese provincies. De vissers op de grote meren van het hoogplateau (niet enkel Tibet) zijn meestal Han Chinezen afkomstig uit die buurprovincies. Dat maakt dat het visbestand flink teruggelopen is. Door de kou, vanwege de grote hoogte, groeien de vissen minder snel dan in lagere gebieden. Visvangst zoals elders in China zou op de duur nefast zijn op het hoogplateau. Momenteel is er nog geen regelgeving voor de visvangst daar. De enige rem is de hoge prijs. Er gaan wel stemmen op om een beperking in te stellen.

(Bronnen: China’s Tibet 6-2005 + HKCTP nr 55).



[1] Daarvan getuigt ondermeer Alexandra David-Neel, toen ze ontvangen werd door de monnik-intendant van de abt van het grote Labrang klooster. Er was vis op het gezamenlijk menu. Wel pittig om die enkele pagina’s te herlezen. Ze getuigen van de grote weelde waarin sommige monniken leefden: het servies bevatte goud, massief zilver, jade en edelstenen. De zetels waren bekleed met echte luipaardvellen, de grond was vol tapijt, een verzameling kunstwerken versierde het huis en de rijke Tibetaanse lama had … een Chinese kok!

“Au pays des brigands gentilshommes”, pag 65-79, Editions Plon, pocket, Paris, 1980.

16:09 Gepost door infortibet in ecologie | Permalink | Commentaren (0) | Tags: tibet, dieren, monniken

15-12-10

Een reïncarnatie zoals het hoort, een oefening voor het zoeken van de volgende dalai lama

Zoals je wellicht weet worden vele hoge geestelijken in Tibet beschouwd als de ‘reïncarnatie’ van hun voorganger en zijn meestal verbonden aan een belangrijk klooster. Zij vormen de ‘reïncarnatielijnen’. Vroeger ging dit gepaard met wereldlijk gezag over het klooster en zijn ‘bezittingen’: landerijen, vee en boeren. Nu is dit beperkt tot het kloosterleven en het algemeen beheer van de godsdienstzaken in Tibet. Veel van die hoge geestelijken zijn in de woelige periode van 1951-1959, na de communistische machtsovername in China, naar het buitenland gevlucht. Maar ook honderden bleven in China. Er zijn belangrijke reïncarnaties en minder belangrijke. Het hangt ondermeer af van de omvang en het prestige van het klooster. Ik zag kleine kloosters, waar ongeveer niemand van buitenaf zich om de gereïncarneerde opvolging bekommert, maar waar wel de trilogie (van de laatste drie in de reïncarnatielijn) op verzamelde foto’s centraal in de hoofdtempel prijkt. De ‘laatste drie’, dat is ongeveer de twintigste eeuw. Voordien bestonden er natuurlijk geen foto’s en deed men het meer met sculpturen.

q225.JPGde huidige met zijn twee voorgangers

Het zoeken van een ‘reïncarnatie’ is sinds het ontstaan van de praktijk (12e eeuw) een welomschreven traditioneel ritueel geworden. Enkele monniken van het klooster vormen een zoekcommissie, gaan in het geheim ‘op pad’, bezoeken families, aanschouwen goddelijke tekens op het oppervlak van een heilig meer, raadplegen de acht trigrammen, laten kinderen voorwerpen herkennen van de overleden lama, enz. Voor belangrijke reïncarnaties zijn er bestuursvoorschriften bijgekomen sinds 1791. Het belangrijkste daarvan is de ‘lottrekking onder de beste kandidaatjes, uit de gouden urne,  voor het beeld van Sakyamuni in de Jokhang tempel in Lhasa’, in aanwezigheid van politieke machthebbers. Het belangrijkste doel van die regelgeving in de 18e eeuw was het verminderen van de rivaliteit, van mogelijke omkoperij en van vooral burgeroorlogjes in Tibet rond de opvolging van politiek belangrijke hoge lama’s van toen. Samen met de tradities wil China deze regelgeving nu nog in stand houden.

En zo verliep het bij het zoeken van de reïncarnatie voor de 5e Detrul lama van het Drago klooster in het arrondissement Lhoka, ten zuiden van Lhasa. Die reïncarnatielijn is niet van de minste, één van de reïncarnaties was de leraar van de 12e dalai lama en het klooster leverde ook soms de regent van Tibet tussen twee volwassen dalai lama’s in. De 5e Detrul lama was in de ‘woelige jaren’ in Tibet gebleven en werd bestuurslid van de Tibetaanse Boeddhistische Vereniging. Hij stierf in 2000. De zoektocht naar de reïncarnatie startte pas in 2005. Vijf jaar later werd een reïncarnatiejongentje gevonden. Twee zoekteams van het Drago klooster gingen onafhankelijk van elkaar op pad. Een twintigtal kinderen werden als ‘goed voor nader onderzoek’ bevonden. Het traditionele procedé werd nauwkeurig gevolgd om zoveel mogelijk bovennatuurlijke voortekenen te vinden. Uiteindelijk werden twee kinderen weerhouden. Op 4 juli 2010 kwam dan de ‘lottrekking uit de gouden urne voor het beeld van Sakyamuni in de Jokhang tempel’ (de oudste en de heiligste in Lhasa). Daarbij waren 150 genodigden aanwezig. Voornamelijk hoge geestelijken van de Tibetaanse Boeddhistische Vereniging. De ceremonie was voorgezeten door Losang Gyurme, verantwoordelijke voor religieuze zaken in de regionale regering. De ‘hand’ die in de urne ging om de ‘uiteindelijke’ aan te duiden was die van de 11e panchen lama. Het werd de knaap, genaamd Losang Dorje, afkomstig uit Lhoka, die er uitkwam. Hij was aanwezig en werd door de panchen lama kaalgeschoren ter bevestiging van de keuze. Daarna ging het richting Drago klooster.

Het verhaal van de zoektocht en de ceremonie is iets verkort weergegeven, waarvoor mijn excuses. In elk geval, China is van plan om dit ook op die manier te laten verlopen, volgens de traditie en ook rekening houdend met de wetgeving van 1791, voor het zoeken en kiezen van een volgende dalai lama. Dit was voor hen een vingeroefening.

CT 6/2010

 

21:41 Gepost door infortibet in religie | Permalink | Commentaren (0) | Tags: tibet, reincarnaties, monniken, kloosters

31-05-10

Tempels in de vernieling, monniken aan de collectieve landarbeid

Tussen 1966 en 1969 werd Tibet, net als de rest van China, overspoeld door de massabeweging van de Rode Gardes van de Culturele Revolutie. Het overdreven, gauchistische activisme dat die periode kenmerkte was des te onvermijdelijker in Tibet, waar het religieus obscurantisme zwaar woog. Het kon niet uitblijven dat de jonge rebellen de religie, de kloosters en de tempels zouden aanvallen. Zhou Enlai, die perfect begreep hoe gevoelig het godsdienstleven in Tibet lag, kwam tussenbeide om ondoordachte aanvallen te voorkomen. Reeds in augustus 1966 beval hij aan de Rode Gardes om uit Tibet weg te blijven. Hij herhaalde zijn oproep in oktober, tevergeefs. Hij kon enkel een aantal zéér belangrijke kloosters en gebouwen doen sparen door er het leger bij te plaatsen, zoals het Potala paleis, het zomerpaleis, de Jokhang tempel. Ook enkele Tibetaanse kloosters buiten Tibet, in streken bewoond door Tibetanen kregen hoge bescherming, zoals het Serxu klooster in Sichuan.

 

Verwoeste kloosters

Alle vernielingen zijn niet enkel aan de Chinese Culturele Revolutie toe te schrijven, wel een belangrijk deel.

Het ging evenmin om een etnisch conflict tussen Han Chinezen en Tibetanen; de rode gardisten waren zowel Han als Tibetaan. Wel werden de Tibetaanse gewoontes bijzonder hard aangepakt; de lange haartooi werd verboden, vest en broek kwamen verplicht in de plaats van de traditionele kledij, gebedskapelletjes werden niet meer geduld in de huizen, de monniksmantel werd verbeurd verklaard en alle rituelen waren uit den boze. De Tibetaanse geschreven taal verdween naar de achtergrond, want ze werd bestempeld als een erfenis van de geestelijke adel. Aangezien er in Tibet en aangrenzende gebieden veel tempels en kloosters stonden, zijn er meer verwoest dan in de rest van China. Men komt in Tibet bijna geen tempel of klooster tegen waar geen vernielingen zijn aangericht. Toch werden ze slechts uitzonderlijk met de grond gelijk gemaakt. De kringen rond de 14de dalai lama stellen nochtans: “Tibets cultuur en godsdienst werden vanaf 1955 vernietigd, en dat niet enkel gedurende de Culturele Revolutie. Van de 6.259 kloosters bleven er slechts 6 over in 1976. Van de 592.538 monniken en nonnen werden er 110.000 dood gemarteld.” Hier past een woord over het aantal kloosters en monniken. Belangrijk is dat de tekst het heeft over ‘Groot Tibet’, niet enkel over Tibet zelf. Het cijfer 592.538 geestelijken is hoogst onwaarschijnlijk, want dat zou betekenen dat de helft van de mannelijke bevolking in die tijd onder de pij zat als we het minieme aantal nonnen van toen in mindering brengen. Bijna alle bronnen, zelfs sommige van de regering in ballingschap, spreken dat tegen. Het ging over maximum 25 procent van de mannelijke bevolking. Bovendien werd het aantal monniken nooit tot op de persoon na geteld voor ‘Groot-Tibet’. De 6259 kloosters zijn dan weer nodig om dat overdreven aantal monniken te staven. Ook hier kan vermeld worden dat het  aantal kloosters en kloostertjes (soms met slechts enkele monniken) nooit precies geteld werd. Dit cijfer wordt nochtans in het Westen zonder kritiek overgenomen; zo staat het letterlijk (6259) in het aanklachtdossier ‘Tibet’ van de Franse senaat.

 

De rode gardisten in Tibet waren verdeeld in twee kampen: de ‘rebellen’ en de ‘alliantie’. Er volgde een woelige fractiestrijd. Zo nam de ene groep de krantenredactie van Lhasa in, de andere het radiostation. De confrontaties werden steeds bitsiger en er vielen doden. In september 1969 maakte het leger een einde aan de excessen en in 1971 werd de godsdienstvrijheid heringevoerd. Toch duurde het tot het einde van de jaren zeventig vooraleer de kloosters weer opengingen.

Officieel duurde de Culturele Revolutie tien jaar, tot aan de veroordeling van de ‘Bende van Vier’ in 1976. In Tibet zijn de tempelvernielingen te situeren in de periode van 1966 tot 1969 en bleven ze grotendeels beperkt tot de steden. Meestal betrof het geen wilde raids. Omdat er politieke consensus was dat de tempels de bakens waren van het feodale gedachtengoed, ging men georganiseerd te werk. Inspectieteams bepaalden welke kostbare voorwerpen moesten bewaard en dus opgeborgen worden en welke voorwerpen mochten vernield worden. Sutra’s, teksten van of over de Boeddha, werden als het verspreidingsinstrument bij uitstek gezien van de feodale ideologie en gingen dikwijls in vlammen op, tenzij het om zeer oude kopijen ging. Ook sommige beelden van grote materiële waarde mochten de schatkamer in.

De meeste kloosters die werden aangevallen, werden zoals gezegd niet helemaal vernield. Een klooster is immers een soort kleine stad met talrijke constructies. Vaak bleven heel wat gebouwen gespaard en mochten een deel van de monniken er ook blijven wonen, terwijl zij verplicht werden ingeschakeld in de landbouwproductiebrigades. Van sommige kloostergebouwen gebruikte men de pilaren en het hout voor de constructie van nieuwe woningen. Het waren vooral de tempels die het moesten ontgelden. Ze werden ontruimd en soms zelfs ontmanteld.

Nu zijn er opnieuw 2.500 actief (waarvan 1.700 in Tibet zelf). Dat is nog driemaal meer dan het aantal kerken in Vlaanderen, dat ongeveer dezelfde bevolking telt als het totaal aantal Tibetanen. Voor 1959 waren er 110.000 monniken in Tibet zelf, wat 20 % van de mannelijke bevolking betekende. Dit is teruggevallen op 46.000. Een eerste belangrijke reden vinden we in 1959 zelf, toen het lijfeigenschap afgeschaft werd samen met de verplichting om per grote familie één monnik te leveren. De mensen hadden uitzicht op betaald werk en op rendabel boeren. Minder jongens uit de lagere klassen werden als mogelijke ontsnappingsroute uit de armoede naar het klooster gestuurd.

 

Monniken de boer op

Tijdens de Culturele Revolutie (1966-1976) werden alle monniken het veld op gestuurd. Sommigen kwamen nadien terug en nieuwe jongeren boden zich aan vanaf het einde van de jaren zeventig. Het aantal monniken ligt nu op 4 % van de mannelijke bevolking. “Een redelijker aantal,” zeggen de overheden, “ruimschoots genoeg om alle religieuze activiteiten te verzorgen”.

 

Enkele voorbeelden van kloosters.

 

Het belangrijke Ganden klooster bij Lhasa werd volledig vernield. Niet tijdens de Culturele Revolutie maar in 1959, toen 63 van de 80 hoge lama’s en ongeveer drie vierde van de 4000 monniken van dat klooster zich aansloten bij de gewapende opstand en een aanval organiseerden op het gemeentehuis en de legerkazerne van Shannan.

 

Derge ligt op 3.000m en op de grens tussen Sichuan en Tibet, langs de oever van de bovenloop van de Yangzi. Tibetaanse goudzoekers ziften het modderige water op beide oevers. Maar de stad is vooral bekend om zijn drukkerij. Geen reclamefolders, maar boeddhistische sutra’s, artisanaal vermenigvuldigd. De drukkerij dateert van de Qing-periode (1729) en bevoorraadt alle grote verkooppunten in Tibet en zelfs een aantal in het buitenland. Tibetaanse ballingen vertellen graag dat de Chinezen alles en overal verwoest hebben tijdens de Culturele Revolutie. Voor Derge hebben de Rode Gardes dan toch een ommetje gemaakt of de boeken gespaard, want een soort museum aldaar bevat ongeveer honderdduizend oude en soms unieke kopieën van Tibetaanse klassiekers en boeddhistische sutra’s. De staat heeft in 1989 een speciaal budget uitgetrokken om de drukkerij te vergroten en de oude te renoveren en te onderhouden. Het basiswerk van de traditionele Tibetaanse geneeskunde, de “Vier Medische Tantra’s”, is ook in het Derge klooster te vinden. Achter het klooster kan je op bezoek bij een oude klassieke dokter, Lore Phuntsog, in een klein Tibetaans huisje. Een kommetje tsampa deeg vermengd met wat water naast een draagbare computer toont het samengaan van nieuw en oud op zijn werktafeltje. Vragen beantwoorden, urineonderzoek, het voelen van de pols en het bekijken van de tong leidden tot zijn diagnose, waarbij de twee laatste methodes gelijkaardig zijn aan de Chinese traditionele geneeskunde, die samen met een prinses haar intrede deed in Tibet in de 7e eeuw. Lore Phuntsog is geen monnik maar omwille van zijn kennis toch gekozen als administratief directeur van het nabije Dzongsar klooster en voorzitter van de lokale boeddhistische universiteit. In het klooster heeft hij zijn eigen kruidenfabriekje ondergebracht. De streek ten zuiden van Derge, langs de Jinshajiang (bovenloop van de Yangzi), is bekend omwille van zijn overvloedig en verscheiden aanbod van geneeskrachtige kruiden.

 

In Xinglong (provincie Qinghai) werd in 1981 in een klein klooster een zeer waardevol boekenset “ontdekt”: “Tripitaka van de bon religie”, 185 volumes met een uitgebreide beschrijving van de oude bon religie, de enige encyclopedie in zijn genre.

 

Het Sakya klooster, centrum van de sakya school, in West-Tibet, lijkt grotendeels gespaard gebleven. Het tempelcomplex werd hersteld in 1945 en is onveranderd gebleven. Fresco’s, Mandala’s, beelden en stupa’s zijn nog in originele staat. Ook een collectie boeken, een vijfduizendtal in het Tibetaans, over politiek, samenleving, geschiedenis, wetgeving, religie, astrologie en geneeskunde.

 

Het Samye klooster, het eerste grote klooster in Tibet (1200 jaar oud), werd grotendeels verwoest. De grote centrale tempel bleef overeind.

 

Naar het einde toe van de Manchu (Qing) periode, in het begin van de 20e eeuw, werden de meeste belangrijkste lamaïstische kloosters in Sichuan en Oost-Tibet vernield. De “Tibet support” groepen noemen de Manchu’s steevast de niet-Chinese dynastie, die samen met de Mongoolse dynastie veel respect opbrachten voor het lamaïsme en als het ware hun spirituele ondergeschikten waren. Dit doen ze met de bedoeling om de indruk te versterken dat Tibet pas in 1951 bij China ingelijfd werd door de goddeloze communisten. Toch zijn het de Manchu’s die de politieke macht van het lamaïsme zijn beginnen inperken. Zij voelden zelf de frisse adem van de republikeinse gedachte op zich afkomen. In een poging om geheel China iets te moderniseren botsten zij ook op de feodale Tibetaanse lokale heersers, vooral de kloosterelite. Generaal Zhao Erfang ging er flink tegenaan in Sichuan. Hij verplichtte de kloosters een deel van hun monniken “te laten gaan”, legde een laag maximum quorum op, stelde een stop in op novicen, schafte de taksen af die de boeren aan de kloosters moesten betalen en verving die door een kleine dotatie. Opstandige kloosters – en die waren er uiteraard – werden gewapenderhand ingenomen en grondig vernield. Zo verging het de grote kloosters in de steden Batang, Qamdo, Litang, Deqen en Drayab in de periode vanaf 1905 tot 1912. De decennia erna werden geen periode van bloei, de streek bleef geteisterd door rivaliserende krijgsheren. Veel werd er niet heropgebouwd. Nu zeggen dat die kloosters met de grond gelijk gemaakt werden tijdens de Culturele Revolutie is de slachtoffers van de eerste wereldoorlog bij de tweede tellen. 

 

Het Orgyen Mindroling klooster is het grootste nog bestaande nyingmapa klooster (oudste boeddhismeschool in Tibet). Het bevindt zich op 100 km ten oosten van Lhasa, in de vallei van de Yarlung Tsangpo. Dit klooster werd grondig verwoest tijdens de inval van Dzoungaren (uit Centraal–Azië), in de 18e eeuw. Wat herrezen was kreeg het opnieuw te verduren tijdens de Culturele Revolutie. Toch zijn er heel wat antieke beelden, stupa’s, fresco’s, geschriften en schrijnen overgebleven. Die zijn nu opnieuw te zien in het grotendeels gerestaureerde klooster. Van bij zijn stichting in 1670 tot in de 20e eeuw was Mindroling de eigendom van slechts twee familieclans. De oversten waren de zonen of de neven van de vorige. De huidige 12e Minling Trichen, geboren in 1931 en die zijn vader abt opvolgde, vluchtte naar India in de jaren vijftig. Buiten het feit van zowat de hoofdzetel van de nyingmapa te zijn, is Mindroling van oudsher een befaamd centrum van wierookproductie en was het exclusieve hofleverancier voor het Potala paleis. Ingrediënten voor Tibetaanse wierook zijn een soort “kamfergras”, diverse hooglandkruiden, olmschors, cipres- en sandelhout. Dat laatste werd ingevoerd vanuit India. Van het “kamfergras” zegt de legende dat Tsongkapa, de grondlegger van het Tibetaans boeddhisme, zijn haren rond het Ganden klooster in Lhasa uitstrooide, wat er een speciaal geurig gras deed groeien.

 

Oude dorpstempels

Niet ver van Dengqen in het noordoosten van Tibet stoppen we in een dorp. De kleine oude tempel staat er nog steeds en is niet vernietigd tijdens de Culturele Revolutie. Het is een bedrieglijke overdrijving dat “minder dan tien tempels of kloosters overbleven” na de Culturele Revolutie, zoals de onafhankelijkheidstrijders nu zeggen. De tempel behoort tot de nyingma school. Voor hen was het celibaat niet van toepassing. De man – monnik – die ons ontving was getrouwd en landbouwer zoals de rest van het dorp. In de tempel is er een goed gevulde oude bibliotheek en een reeks beelden met goden gekoppeld aan een godin.

tibet 05 (258)

 de oude dorpstempel in Dengqen

Cultuurschat

In het kanton Comai (Tamzhol of Tsome), in het departement Lhoka, werden bij herstelwerken aan de oude tempel Khatang bonmoche, oude waardevolle documenten gevonden. Een boek over de bon religie, daterend uit de Tubo periode (7e-9e eeuw), en boeddhistische geschriften uit de 11e en de 12e eeuw. Ook zeven beschreven “bladen” van berkenschors. De vondst werd overhandigd aan het museum in Lhasa.

 

Labrang en Amtcho

Tempels werden geplunderd door de troepen van Ma Pufang in 1919, die tussenkwam in een machtsconflict in het klooster. Het paleis van een hoge lama werd in de as gelegd. Iets verderop werd het Amtcho klooster volledig platgebrand en alle monniken gedood. Zij hadden het aangedurfd om weerstand te bieden tegen Ma Pufang (een lokale veldheer in de huidige provincie Qinghai).

 

Gyirong, een verdwenen klein koninkrijkje

Gyirong is nu nog een kanton, iets ten oosten van de bekende berg Xixiabangma (8012), bij de Tibetaanse grensovergang richting Kathmandu. Toen het Tibetaanse Tuborijk uiteenviel in de 9e eeuw, vluchtte een deel van de elite naar het westen. Er ontstond een koninkrijk: ‘Guge’, beter bekend en gelegen in de buurt van de Kailash berg. Maar een deel van de vluchtelingen bleef onderweg haperen in Gyirong. Zoals Guge is Gyirong nu ongeveer een ruïne geworden. Maar er staat nog een tempel, Zhoma Lhakhang! Met zeer mooie houtsculpturen, mogelijks daterend van de 10e  à 11e eeuw. Hij was in verval - het dak was ingevallen – maar het Tibetaans instituut van Chengdu ontfermde zich over de restauratie (voornamelijk het dak momenteel) en wil studies publiceren over de oude houtsculpturen.

 

 

Springlevend kloosterleven

Niet alleen de gebouwen zijn er terug beter aan toe. Ook de Tibetaanse devotie is verre van dood. Elk klooster houdt één of tweemaal per jaar feest. Soms levert dat enorme bijeenkomsten op van gelovigen. De vijfjaarlijkse ceremonie in Serxu, in het uiterste noordwesten van Sichuan is daar een treffend voorbeeld van. Er wonen maar 60.000 mensen in het district Serxu, van wie 90 procent Tibetanen, en toch komen zo’n 200.000 mensen gedurende de feestweek in april bijeen. Daarmee moet deze plek aan het eind van de wereld niet onderdoen voor andere, meer toegankelijke religieuze oorden op aarde. Langs de oever van de Yalong rivier, tegen de kale helling aanleunend, staan enkele tientallen tempels van oost naar west gelijnd. De vijfendertigjarige gereïncarneerde lama Shiba Rinpoche zit de ceremonie voor. Hij is open van geest en staat vorming in het lamaïsme toe voor buitenstaanders. Het tempelcomplex werd in 1760 gebouwd tijdens het bewind van de grote 5de dalai lama. De oudste gebouwen staan er nog, maar het complex is inmiddels uitgebreid met een nieuw hoger lamaïstisch instituut, met bijbehorende slaapzalen voor tijdelijke studenten en met twee hotels en een restaurant voor gegoede bezoekers zoals wij.

Gewoonlijk voorziet de familie in het onderhoud van de monniken. Zij betaalt ook voor erediensten. Maar sommige rijkere monniken, die uit werken gaan gedurende bepaalde periodes, sponsoren zelf hun familie. Zo ging een aantal monniken van Serxu werken bij de aanleg van de spoorlijn van Golmud naar Lhasa

 q260b

 Een deel van het Serxu klooster

 

Mensen tijdens de Culturele Revolutie

Het communesysteem in de landbouw bestond uit drie niveaus: de commune ( ongeveer de grootte van een kanton), de “ploeg” als een verzameling van enkele dorpen en de “brigade”, die eigenlijk samenviel met een bestaand dorp. De mensen werkten per brigade gemeenschappelijk op hun velden en kregen daarvoor een salaris, wat rond de 5 euro per maand bedroeg. Hoewel dit beduidend méér was dan in het oude regime voor 1959, bleef het nauwelijks rondkomen voor de basisbehoeften. Toen in 1982 weer privé-initiatief toegelaten werd, verliep dit niet overal met enthousiasme. Een partijsecretaris van een ontbonden commune begon een privé transportbedrijfje met een microkrediet van de staat. Het comité van de commune zette hem af, met als argument dat hij als partijsecretaris eerst aan de gemeenschap moest denken en niet aan zichzelf. De man zette door, kon werk geven aan broers en aan enkele andere mensen van het dorp. Hij kreeg lof vanuit de overheid van Lhasa, als “modelwerker” en bemiddelde bij het verkrijgen van nog meer microkredieten voor andere dorpelingen, om hen toe te laten de lokale bezigheid te diversifiëren. De kritiek van bij het begin was vrij vlug vergeten.

 

Tseten Namgyal, een thangkaschilder

In een interview vertelt de beroemde thangkaschilder over zijn jonge jaren. Hij werd geboren in 1960 als vierde kind in een familie van negen. Na drie oudere zusters is hij de oudste zoon van een gewoon landbouwersgezin in het district Lhundrup, ongeveer 60 km ten noorden van Lhasa. Hij was een overtijdbevalling, vandaar de naam die zijn ouders hem gaven: Tseten staat voor “veilig” en Namgyal voor “overwinning”. Als kind moest hij zorg dragen voor zijn vier jongere broertjes. Toen hij 10 jaar was (1970), kreeg hij de kans om Tibetaans te leren in een kleine staatsbasisschool. Maar al vlug haakte hij af om het lage inkomen van zijn gezin bij te springen door kuddes van andere boeren te grazen te leiden. De negen kinderen sliepen samen in één kleine kamer en deelden per twee een schapenvacht als deken. Maaltijden waren zelden meer dan tsampa (gerstemeel). Een gebakken aardappel was een festijn. Op zijn vijftiende, in 1975, werd hij chauffeur van een tractor en werkte voor de commune. Zijn maandsalaris bedroeg 2,3 euro, plus 15 kilogram tsampa en een halve kilogram yakboter. Kort daarop werd het communesysteem afgeschaft en verviel ook het vaste salaris. Zijn familie ging er op achteruit en zijn vier broers werden naar het klooster gestuurd om in hun onderhoud te voorzien. Tseten Namgyal leerde het vak van meubelmaker en beschilderde die ook. Hij werd bij mensen uitgenodigd om hun meubels te komen versieren. Stilaan kwam het geld binnen. Op een dag kon hij zijn vader 60 euro ineens geven. Zijn vader bleef de honderden bankbriefjes (equivalent voor doe 60 euro) de hele avond natellen. Van armsten in het district klom het gezin op tot de meest welvarende in enkele jaren tijd. Vanaf de jaren tachtig werd Tseten Namgyal leerling van een grootmeester in thangka-schilderen en is nu zelf de bekendste artiest in dat genre in Tibet, met een zijn eigen school in Lhasa. De leerlingen betalen geen schoolgeld. Naast de schildertechnieken leren zij er ook Chinees en Engels.

 

Traditionele opera

Een nu beroemde Tibetaanse operagroep, de Jomulung groep uit Nechung, vertelt hoe ze zeer moeizaam de periode van de communestructuur doorgeraakten. Alle leden van de operagroep moesten op het land werken, opera was voor de vrije tijd en dus niet betaald. Het was een karwei om de mensen bij elkaar te brengen om niets te verdienen. Repeteren en voorstellingen geven kostte inspanning en er kwam nauwelijks een halve yuan per persoon en per dag in de kas. Twee leden van de groep konden in 1964 nog deelnemen aan een festival van diverse traditionele kunsten in Beijing, voorgezeten door Mao. Maar daarna viel de activiteit stilaan stil. Pas in 2001 werd de 19 leden tellende groep, met jong talent en in vol ornaat, opnieuw op het toneel geplaatst. Met een startsubsidie van 2000 yuan (200 euro), verleend door het Bureau voor Culturele Zaken van Lhasa, en twee private sponsors die samen 10.000 yuan schonken. Van dan af liep het weer goed voor de groep, die nu een vast contract hebben met een lokale Tv-zender.

 

Herstel

In 1980 werd beslist om geen belastingen meer te heffen op de activiteiten van de boeren, veehouders en handwerklieden. Voordien bedroeg die belasting 8 %.

De Chinese regering trok 4 miljoen euro uit voor het herstellen van tempels en kloosters die vernield of beschadigd waren tijdens de Culturele Revolutie.

De Tibetaanse taal werd hersteld in het basisonderwijs. Tijdens de Culturele Revolutie was er alleen onderwijs in het Chinees.

 

Bronnen:

Tibet Handbook (Gyurme Dorje)

Magazine ‘China’s Tibet’, jaargangen 1990-2009

 ‘On the Cultural Revolution in Tibet’ (Goldstein)

‘Shelton pioneer in Tibet’ (Wissing)

David-Neel, au pays des brigands gentilhommes, Plon pocket.

Eigen bezoeken

 

17:51 Gepost door infortibet in culturele revolutie | Permalink | Commentaren (2) | Tags: tibet, kloosters, monniken, vernielingen

05-04-10

Ralpachen (Tritsug Detsen) (806-836): de laatste koning van het Tibetaanse rijk.

Hij kwam op tienjarige leeftijd op de troon en leed aan een hartziekte. Tijdens zijn regeerperiode werd het vredesverdrag van 822 met de Chinese Tang dynastie gesloten. Niet door een overwinning van de Tubo op de Tang, maar eerder uit zwakheid van de Tibetaanse Tubo dynastie. De Tang wilden alleen maar rust in de grensgebieden en hadden ondertussen vriendschapsakkoorden met de Uyguren en met Nanzhao (Sichuan, Yunnan) gesloten.

 

Ralpachen stimuleerde fel, met dwang, de ontwikkeling van het boeddhisme, legde teveel taksen op om kloosters te bouwen en bereidde zo het verval van de Tibetaanse Tubo dynastie voor. De landaristocratie zou in opstand komen. Van zijn hand is ook de verplichting voor de Tibetanen om per zeven gezinnen één monnik te sponsoren. Onder zijn bewind breidde Tibet niet meer uit. Na hem viel het Tibetaanse rijk uiteen.

Hij had nog een opvolger (Langdarma), die in botsing kwam met de macht van de geestelijkheid en die in 846 op zijn beurt vermoord werd. 

15:19 Gepost door infortibet in geschiedenis algemeen | Permalink | Commentaren (0) | Tags: tibet, boeddhisme, monniken, tubo

10-09-09

Het Shoton festival in Lhasa

Het Shoton festival of het ‘yoghurt festival’ in Lhasa is een bijzondere gebeurtenis. Na het Tibetaanse Nieuwjaar is het de grootste verzameling van feestende mensen. Het festival begint op de eerste dag van de zevende maanmaand van de Tibetaanse kalender – dit jaar was dat op 20 augustus - en duurt een week. Het wordt ingeleid door het ophangen van een reuzethangka (schilderij op stof) met een beeltenis van Sakyamuni, de historische Boeddha, in het Drepung klooster.

shoton drepung 09

20 augustus 2009, eigen foto

Duizenden mensen komen daar samen, in drommen op de heuvelpaden beneden de rots waarop de thangka ontrold wordt. Op steilere plaatsen vormen Tibetaanse politiemensen een haag om het drummen op het pad te houden. Het is een colonne monniken van het Drepung klooster die de gigantische thangka – 30mX35m - op de schouder naar boven dragen en ze daar ontvouwen, begeleid door de traditionele blaasinstrumenten bediend door andere monniken. De sfeer is er een van ‘je moet er bij zijn’, geen groot lawaai, gewoon aanwezig zijn en kijken. Vele Tibetanen gaan onder de thangka door om het uiteinde ervan aan te raken, op hoop van zegen voor het komende jaar.   

 

De tweede attractie is het Norbulingka park, het vroegere zomerpaleis van de dalai lama’s. Gedurende één week komen daar hordes Tibetanen kamperen om te praten, te spelen, te wandelen. Lhasa is vol Tibetaanse bezoekers uit alle streken van Tibet. De toeristen uit het binnenland van China en de buitenlanders zijn haast onmerkbaar verdronken in die massa Tibetanen. De toegang tot het grote Norbulingka park is betalend, de Tibetanen betalen 10 yuan (+/- 1 euro), de toeristen (Han Chinezen en buitenlanders) betalen 60 yuan, maar kinderen en senioren zijn gratis. De Tibetanen zijn er met duizenden.

shoton1 09

Per grote familie installeren zij zich op de grasperken, eten er samen, spelen kaart of het traditionele dobbelsteenspel met de kralen. Tientallen flessen bier liggen in het gras naast elke familiegroep. Blikjes en plastiekflessen slingeren er bij hopen. Het geplaveid plein voor het vroegere audiëntievenster van de dalai lama is nu overkoepeld door een grote tent en is voorbehouden aan de derde leeftijd. Vlak daarnaast heeft het Amerikaanse Budweiser een grote bierverkooptent. Ik weet niet of Budweiser ook in Dharamsala, het ballingsoord van de 14e dalai lama, te koop is, maar in elk geval in zijn vroeger zomerpaleis stroomt het bier van zijn sponsors bij beken. De flessen hebben de jerrycans met het traditionele Tibetaanse ‘chang’ (gerstebier) verdrongen. Hoewel, er zijn nu ook blikjes met ‘chang’ te koop. De door de zon getaande gezichten slaan rood uit.

 

shoton 09

Eén pompierwagen en één politiewagen staan binnen de muren van het paleis gestationeerd. De animaties in het park tijdens die week gaan van traditionele opera tot karaoke en moderne muziekgroepjes.

16:33 Gepost door infortibet in traditionele feesten | Permalink | Commentaren (0) | Tags: feest, tibet, klooster, lhasa, monniken, shoton

04-03-09

Onafhankelijkheid?

Vooral bij de stedelijke bevolking voel ik geen roep naar onafhankelijkheid en bij de boerenbevolking staat dat ver van hun zorg. Monniken zijn daar gevoeliger voor, zij zijn ook op de hoogte van de steun die ze daarbij genieten in het Westen. De stedelingen zijn zich duidelijk bewust dat het overgrote deel van hun economische ontwikkeling berust op subsidies van de centrale staat, momenteel 4 miljard dollar per jaar. “Indien die centrale staat wegvalt: wie zal die vervangen?” is de vraag. Want dat is een groot bedrag, bijna de helft van wat Europa aan geheel Afrika geeft als ontwikkelingshulp. “Die hulp moet snel afgebouwd worden, Tibet moet zelfbedruipend worden” schrijft de 14e dalai lama in november 2008[1]. Dat klinkt mooi in onze oren, maar om slechts één ding te noemen: de kosten voor het bekampen van woestijnvorming, veroorzaakt door het opwarmende wereldklimaat overstijgen veruit de economische kracht van slechts 3 miljoen mensen op 2,5 maal Frankrijk als oppervlakte. “Tibet zelfbedruipend”, zoals het ‘vroeger’ was, voorspelt weinig goeds voor het basiscomfort van de mensen, zoiets als een ‘terug naar af’ in naam van het ‘behoud van de eeuwenoude ‘eigen spiritualiteit’. Daar zit toch een vleugje integrisme aan vast. Stedelingen en intellectuelen stellen er geen hoop op. Zij zijn ook kwaad op de relschoppers.

De boeren interesseren zich aan zeer concrete dingen: de verkoopprijs voor gerst en vlees, de premie voor nieuwbouw, subsidies voor serres of machines en vooral de onderwijskansen voor de kinderen. En dat zij voor de rest met rust gelaten worden in hun geloofsbelijdenis. Zij kunnen niet klagen over belastingen, want die zijn er niet. Zij beseffen ook dat die premies of subsidies van de overheid komen. Zij wensen geen ‘andere’ overheid, hun dorpscomité of hun districtleiding, dat zijn Tibetanen en die moeten de zaken maar voor het beste regelen. Hun mening is overduidelijk: “Wij gaan er op vooruit” en daar hebben zij niet veel aan toe te voegen. “Mijn volk lijdt al lang onder een meedogenloze onderdrukking vanwege de Chinezen” (regelmatige uitspraak van de 14e dalai lama) is een groteske marketingslagzin om iets verkocht te krijgen in het Westen.

Een Tibetaanse studente in antropologie, die nu doctoreert in Australië en op bezoek was bij haar familie in Lhassa, vroeg mij of wij in België “Belgisch” spreken? Mijn antwoord kennen jullie en verwonderde haar. Ook geen meerderheidstaal? Neen. “Hoe zijn jullie dan een land geworden?”,  een typisch antropologische vraag. “Een kwestie van geostrategie,” moest ik wel bekennen. Vanaf de 13e eeuw is Tibet wellicht nooit iets anders geweest.



[1] « memorandum aan de Chinese regering », november 2008, website CTA (Tibetaanse « regering in ballingschap »)

17:20 Gepost door infortibet in autonomie | Permalink | Commentaren (0) | Tags: tibet, onafhankelijkheid, monniken, boeren, intellectuelen

28-02-08

David-Neel en het "harmonieuze Tibet" van weleer

 

Alexandra David-Neel wordt zowel door voor- als tegenstanders van de onafhankelijkheid van Tibet geciteerd als referentie, vanwege haar vroege en lange reizen in Tibetaanse gebieden. Haar geschriften droegen in een hoge mate bij tot een betere kennis in het Westen van het boeddhisme in het algemeen en het Tibetaanse boeddhisme in het bijzonder. Tegelijk is David-Neel niet de aanbidster van de « harmonieuze Tibetaanse samenleving », zoals menig actuele bewonderaar - in onze westerse wereld - van het Tibetaanse boeddhisme nu wel is. Het is de huidige dalai lama die de notie van "harmonie van weleer" mee helpt verspreiden in het Westen, tal van zijn interviews getuigen daarvan. David-Neel geeft in haar werken een briljante nuchtere kijk op het dagelijkse leven in het oude Tibet, een nauwkeurige momentopname begin 20e eeuw.

Enkele passages uit  "Au pays des brigands gentilshommes"[1]

Bij het binnenkomen van de gebieden in de provincie Gansu, bewoond door Tibetanen, noteert D.N.: "De vage veiligheid in de onmiddellijke omgeving van de Chinese autoriteiten houdt hier op. Men heeft ons herhaaldelijk gewaarschuwd dat bvb in nauwe kloven voorbijgangers geregeld beroofd worden tot zelfs in stukjes gehakt worden." (p.30).

"Wanneer iemand ongemerkt de muilezels steelt van slapende reizigers, mogen die reizigers achteraf het recht niet zelf in handen nemen, anders volgen er ongecontroleerde schermutselingen, waar geweren spreken. Betrappen op heterdaad is anders." (p.38).

 "De dorpelingen die ons herbergen hebben de neiging ons iets te ontfutselen. Omgekeerd is dit evengoed het geval. Bepaalde reizigers vertonen geen scrupules om hun arme gastheren te beroven van wat gesponnen wol of van een stuk gedroogd vlees, wat boter of tsampa en soms van schoeisel." (p.39).

Bij het opslaan van haar tent wordt DN op een bepaald moment geconfronteerd met een weigering vanwege lokale Tibetanen. Zij beveelt haar escorte om één ervan een klap te geven. "Er zijn slechts minuten nodig om de lokale mensen tot geweld te bewegen. Sla eerst, anders krijgen wij de klappen."  "De Tibetanen houden van krachtsvertoon. Zonet toonden wij ons mannetje te kunnen staan." (pag 105).

"Je moet altijd op je hoede zijn in dit land." (p.109), bij het naderen van een dorp.

yushu 05 (180)

op traditionele feesten is geweerschieten vanop het paard nu nog een geliefd vaardigheidsvertoon.

Daarentegen, te gast bij een rijke familie, schrijft D.N het volgende (ibidem, pag 70 e.v.):

(Het gaat om de ouders van de jonge abt van het Lhabrang klooster in de provincie Gansu. Zij wonen in een soort paleis vlakbij het klooster. Dit laatste was een tijd tevoren quasi volledig vernield door de lokale krijgsheer van die tijd, wat niet belette dat de familie van de abt nog in weelde leefde). "Wij moesten ons niet schamen van slokoppen te zijn tijdens het avondmaal, want de hoeveelheid bereide schotels oversteeg meer dan tweemaal ons eetvermogen. De maaltijd was klaargestoomd door een Chinese kok, wat garant stond voor ‘haute cuisine' bij de Tibetanen, net zoals een Franse kok bij ons. Een belletje deed hem de gerechten aanbrengen. De schotels waren van zilver. Er was vlees, vis (weg met de mythe dat de Tibetanen geen vis aten, nota), groenten allerlei, stoofpotjes en dumplings. De rijst was geparfumeerd met rozijnen uit Corinthië en de soep kwam laatst, op zijn Chinees. Als toemaatje kregen wij Chinese en Westerse  koekjes. De maaltijd duurde van ‘s middags tot zes uur ‘s avonds." Noteer wel dat het om de familie ging van de abt van het klooster, die trouwens ook deelnam aan het festijn.


[1] Pocket uitgave, Editions Plon, rééd 1980.