14-01-10

Strijd tegen de klimaatverandering in Tibet en op het hoogplateau

Hogere temperatuur

De gemiddelde temperatuur in Tibet is de laatste vijftig jaar met 0,3°C per decennium gestegen, wat neerkomt op 1,6°C hoger nu dan in 1959.[1] De vier warmste winters van de laatste 35 jaar in Tibet zijn allen na het jaar 2000. De vooruitzichten van de Wereldorganisatie van Meteorologen zijn dat de temperatuur op het hoogplateau nog met 1,6°C bijkomend zal stijgen tegen 2039 en met nog eens 2,4°C tegen het einde van de eeuw, in het beste geval, rekening houdend met een drastische vermindering van de CO2 uitstoot wereldwijd, anders wordt het dubbel zoveel. Verschillende studies wereldwijd hebben ook aangetoond dat zones boven de 4000m sneller opwarmen dan de rest van de wereld. De gletsjers in Tibet krimpen jaarlijks met 10 tot 15m. Bij het brongebeid van de Yangzi, in Qinghai, is op veertig jaar tijd ongeveer 200km2 gletsjeroppervlakte verdwenen. Sommige meren worden daardoor tijdelijk groter, ondanks de lage neerslag in Tibet. Zo is het Serling Tso meer, het tweede grootste van Tibet, 800 vierkante km groter geworden gedurende de laatste tien jaar, waardoor evenveel grasland voor de veestapel verloren ging. Voor Tibet zelf zal de opwarming een gunstige invloed hebben op de landbouw op die barre hoogte, maar de waterhuishouding dreigt wel voor problemen te zorgen. Zowel overstromingen als tijdelijk gebrek aan irrigatie- en drinkwater kunnen gevolgen zijn. Van algemener belang is het afkoelend effect van het Aziatische hoogplateau op het wereldklimaat. Indien het afkoelingseffect vermindert, dan versnelt de opwarming van de aarde en dat is geen rechtstreeks effect meer van de broeikasgassen.

 

Woestijnvorming

In het noorden en het westen van het hoogplateau, in de provincie Qinghai en in West-Tibet komt naast die hogere temperatuur een tendens tot minder neerslag, gemiddeld 20% minder dan 50 jaar geleden. Dat is wel meer nefast voor die op zich al zeer droge gebieden. Rechtstreeks gevolg is onmiddellijke woestijnuitbreiding. Het weinige gras dat er al stond verdwijnt, berghellingen verzanden. Op twintig jaar tijd is dit voor mij zichtbaar. De veeteelt accentueert dat nog. Er zijn nu driemaal zoveel jaks en schapen als vijftig jaar geleden, want er zijn ook driemaal zoveel Tibetanen[2]. De jacht[3] in het verleden - nu verboden – benadeelde eveneens het gras, want de ‘pika’s’ – een soort grasetende hooglandratten – vermenigvuldigden zich tot een epidemie, omdat de kleinere roofdieren geschoten waren voor hun pels of pluimen. Die ‘pika’s’ zag ik ook krioelen.

 woestijn qinghai

Een deel van het hoogplateau is woestijn. Hier in de provincie Qinghai, op 5000m.

Te veel regen in het oosten van het plateau

In oostelijk Tibet en in de provincie Sichuan is de tendens er de voorbije decennia een van meer neerslag. Dit was al een vochtige streek. Daar neemt het overstromingsgevaar en het gevaar op aardeverschuivingen toe.

 derong (27)

Dat is nog maar een kleintje

trekking3 (37)

Het kan er vochtig zijn op de grens tussen Tibet en Sichuan

Hoe reageert de overheid?

Door grootscheepse bebossingprojecten in gang te zetten, door de veestapel te verminderen, door enorme oppervlaktes van graslanden te beschermen, door industrie te beperken.

Dat is nogal evident, kan men zeggen. Maar de schaal, de middelen en de snelheid van uitvoeren zijn minder evidenties. China is nog grotendeels een ontwikkelingsland, met een BNP per inwoner, dat nog lager is dan dat van Turkije. Het hoogplateau is zo groot als vijf maal Frankrijk en neemt een vierde van het Chinese grondgebied in beslag, dat is dus zeer groot. Budgetten van miljarden[4] euro worden door de centrale overheid de laatste jaren vrijgemaakt. De Chinese staat heeft veel centen omdat zij het grootste deel van de economie controleren en er dus veel belastingen uithalen. Die kunnen ze dan besteden aan prioriteiten naar keuze. Indien zij de bescherming van het leefmilieu op het hoogplateau hoog op de budgettenagenda plaatsen, dan mag ons dat wereldwijd verheugen. Welke liberale vrijemarkteconomie zou een dergelijk programma willen en kunnen snel op gang trekken?

China heeft er natuurlijk zelf belang bij, anders zouden ze het niet doen. Hun onafhankelijke voedsel- en waterbevoorrading hangt er van af. Indien zij het hoogland niet redden krijgen ze vrij binnenkort grote problemen in de rest van Noord-China. Maar wie snelt hen ter hulp voor de wereldimpact van dat hoogplateau, de ‘derde pool’ van de aarde? Niemand. Integendeel, er is gekanker over ‘onafhankelijkheid’ van dat gebied, met een religieuze leider als pion, om China te verzwakken in het wereldmachtspel. Welke Westerse mogendheid zal meer miljarden inzetten om het hoogplateau te redden? Wanneer we naar de woestijnvorming in Afrika kijken zal het niet direct uit de Westerse mouw vallen.

 

Tibet plant bomen waar er nooit stonden.

In 2010 wordt langs de weg van Xigaze tot in Sakya (afstand 150 km, in West-Tibet) een strook bomen aangeplant, die gemiddeld 800 m breed zal zijn. Die weg ligt grotendeels net boven de 4000m. Daar groeide vroeger niet veel meer dan hard hooglandgras.

Eén derde van het Tibetaanse grondgebied is sinds 2006 als beschermde zone bestempeld, waar geen menselijke exploitatie meer mag plaatsvinden.

bomen Xigaze


Een zijdelings beschermen van de bomen op het plateau is de bevordering van biogasputten bij de landbouwersfamilies, om hout als brandstof voor de kachel te vervangen door biogas op basis van dierlijke uitwerpselen. De installatie wordt de laatste jaren op grote schaal gratis ter beschikking gesteld van de Tibetaanse landelijke gemeenschappen.     

 

Gelijkaardige bebossingprojecten zijn op grote schaal aan de gang in de provincie Qinghai, die het noorden van het hoogplateau vormt, ook in een deel van de provincie Gansu, in het noordoosten. Honderden vierkante kilometers krijgen boompjes in de grond, dank zij ongeveer 140 miljoen euro subsidie van de centrale Chinese overheid.

In elk geval, ter plaatse heb ik kunnen vaststellen over de jaren heen dat de bevolking, via haar lokale structuren, er ten volle aan mee werkt. Het zijn groepen van gewone dorpelingen, die bomen planten. De grenstroepen van het leger worden ook ingeschakeld, zij graven de putjes. De dorpelingen krijgen een kleine vergoeding per dag.

 

Op de markt in Lhasa kun je een poster kopen met een oude foto van het Potala paleis, ergens begin 20e eeuw. De wijde omgeving van het paleis is er ook op te zien. Wat is niet te zien? Bomen. Het is een fictie dat het nieuwe Chinese regime alles zou weggekapt hebben sinds 1951. Nu zijn er wel bomen in Lhasa. De bebossinggraad van het arrondissement Lhasa is nu 10,5%, dat is vrij hoog voor een stedelijke agglomeratie, vooral ook gezien de geografische en klimatologische omstandigheden. Het stadsbestuur plant voor 2010 nog eens 13 vierkante km bos bij te planten, als beschermgordel tegen zandstormen. In geheel Tibet is in 2009 iets meer dan 100 miljoen euro besteed aan bebossing. Wanneer je Tibet bezoekt, van jaar tot jaar, dan zijn die inspanningen ook zeer zichtbaar. Op het oude stadscentrum na, is Lhasa is een zeer groene stad geworden. In geheel China is de bebossinggraad nu 21%, dat is ook niet mis, gezien het dorre noorden en het uitgestrekte hoogplateau, waarvan grote delen boven de 5000m liggen. Het is bijna evenveel als in het tropische Papua New Guinea met zijn 24%. In de komende vijf jaar wil China daar 2% bijdoen. Gezien de grote oppervlakte van het land en de weinige beschikbare gronden (7% van de bebouwbare oppervlakte ter wereld voor 20% van de wereldbevolking) is dit een exploot op zich. Die inspanningen zijn ook merkbaar rond vele steden in het land.

 

Slecht bosbeheer rechttrekken in de provincie Sichuan

In de jaren 1960 en ’70 werden te veel bomen gekapt in West-Sichuan, op de oostelijke flank van het hoogplateau. De kale gevolgen daarvan zijn nu nog steeds zichtbaar op de hellingen van de diepe valleien van alle bijrivieren van de Yangzi. Vanaf de jaren 1980 kwam er meer en meer verbod op houtkappen in die streken. De toepassing liet soms te wensen over en het lokale economische winstbejag, door de pas meer vrijgelaten ‘markt’ in China, bracht nog niet onmiddellijk een streng bosbeleid mee, zo getuigt J.Studley (zie bronnen). Ook de Chinese overheid moest bijna jaar na jaar de wettelijke en de praktische bescherming van de bossen verstrengen. Definitief gebeurde dit in 1998, met een compleet kapverbod en een degelijk controlesysteem in een gebied van 45.000 km2. Daarnaast kreeg nog eens het dubbele van die oppervlakte herbebossing als bestemming, samen dus goed voor vier maal de oppervlakte van België. Maar het blijft waar dat China nog kampt met inventarisering  en met managementproblemen wat bosbeheer betreft.  

 

graslanden

De centrale Chinese regering heeft in 2009 besloten om voortaan jaarlijks 80 miljoen euro aan subsidies te voorzien voor de bescherming van de graslanden in Tibet en de woestijnvorming tegen te gaan, dat maakte de Tibetaanse gouverneur Qianba Puncog bekend in december van dat jaar.

Ongeveer 20% van Tibet is woestijn, dat is 200.000 km2 of zes maal België. De budgetten van de laatste jaren waren er op gericht om uitbreiding te voorkomen. Voor de komende twintig jaar lanceert de regionale overheid het project om 30% van de woestijn terug te winnen door grasbeplanting, dat is gras planten en onderhouden op een oppervlakte gelijk aan tweemaal België. Zien of ze daarin slagen, wie zou het niet hopen?

Het brongebied van de Gele Rivier, de Blauwe Rivier en de Salween wordt ontvolkt

De Chinese overheid heeft een enorm gebied, iets groter dan Frankrijk, tot hoogst belangrijke ecologische zone gedecreteerd. Het gaat om het brongebied van drie grote stromen: de Gele en de Blauwe Rivier en de Salween. Menselijke activiteit wordt daaruit gebannen. Het is een streek met weinig neerslag en liggend op grote hoogte: gemiddeld 5000m. De talrijker wordende veestapel bracht het gebied wel op kritiek grastekort. Via satellietfoto’s wordt vastgesteld dat er al enig effect is gedurende de laatste drie jaar: het grasland herstelde zich op een klein tiende van die oppervlakte.

 

Een eerste thermische centrale in Tibet

Tot in 2009 was de totale opgewekte elektriciteit in Tibet duurzame elektriciteit op waterkracht. Daar is nu verandering in gekomen. Een grote thermische centrale op basis van stookolie trad in werking einde december 2009. De centrale werd gratis geleverd en geïnstalleerd door de China Huaneng Group[5], een staatsbedrijf, als noodcentrale om het tijdelijk tekort aan elektriciteit, vooral in Lhasa, op te vullen. De capaciteit van de stuwmeren kan de groeiende consumptie van elektriciteit niet meer aan. Door de gestegen welvaart in Tibet kochten de mensen veel elektrische apparaten, waaronder warmtestralers. Daarbij kwam nog dat 2009 een extra droog jaar was voor Tibet. De elektriciteitsproductie kon niet volgen – wel 25% capaciteit te kort, volgens de elektriciteitsmaatschappij - vandaar dat deze winter de cementfabrieken en de mijnen stilgelegd werden voor zes maanden, om de elektriciteitsvoorziening aan de bevolking te blijven garanderen. Toch blijkt deze maatregel niet voldoende, want Lhasa kent nu al sinds oktober geregeld stroomonderbrekingen. De totale geïnstalleerde capaciteit in Tibet was 720 Megawatt in 2009, dat is nog 20 maal minder dan in ons kleine België. De nieuwe thermische centrale doet hier in één klap 100 Megawatt bij, dat is dus 14% niet duurzame elektriciteitsopwekking, daar waar het vroeger nul was. Een tekort aan energie is nog een algemeen probleem voor China, het gaat niet enkel om Tibet. In verschillende grote agglomeraties in het land treden in de winter ook nog stroomonderbrekingen op. Zo moest de grote moderne industriestad Wuhan midden december 2009 een tweeduizendtal bedrijven stilleggen om algemene onderbrekingen te voorkomen.

 

 

 

Bronnen: Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC), opgericht door de World Meteorological Organisation (WMO) en het United Nations Environment Programme (UNEP), persagentschap Xinhua, John Studley in ‘International forestry review’ 1(4) 1999, eigen bezoeken.

 



[1] “Journal of Geographic Sciences”, Volume 16, 2006,3

[2] De stelling van de groepen rond de dalai lama die zegt dat er 1,2 miljoen Tibetanen omkwamen door het Chinese bestuur is gewoon onmogelijk bij een verdrievoudiging van de bevolking tot 6 miljoen mensen nu, dat tonen verschillende demografen aan. Maar het verzinsel blijft circuleren.  

[3] De jagers waren Tibetanen, geen Han Chinezen, zoals de groepen rond de dalai lama nu nog rondvertellen. De huidige jachtopzichters en de eventuele stropers zijn ook nog Tibetanen.

[4] De optelsom is moeilijk te maken, want er komen bijna elke maand nieuwe budgetten bij. Bovendien zijn er ook regionale budgetten en gesubsidieerde projecten vanuit andere provincies en zelfs enkele vanuit het buitenland. Voor 2010 maakt de centrale regering 2,5 miljard euro vrij voor het gehele hoogplateau (Xinhua, 2/3/09). In Tibet zelf werd voor het totaal van de laatste zes jaar 1,7 miljard euro besteed aan het onderhoud en het aanvullen van ongeveer 100.000 km2 (driemaal België) beboste oppervlakte.

[5] 425e op de wereldranglijst der grootste bedrijven.

 

21:20 Gepost door infortibet in ecologie | Permalink | Commentaren (1) | Tags: tibet, woestijnvorming, klimaat, bebossing, natuurgebieden