29-11-09

Te weinig elektriciteit in Tibet

Gedurende de komende zes maanden, zeg maar de winter van 2009 en 2010, is er ongeveer 30% elektriciteit tekort in Tibet. Het net van Tibet is ‘onafhankelijk’ en niet aangesloten op het elektriciteitsnet van het binnenland van China. Door de verhoogde welstand van de bevolking is de elektriciteitsconsumptie sterk toegenomen, sneller dan de capaciteit, die ter beschikking gesteld wordt. Veel mensen hebben koelkasten en verwarmingstoestellen gekocht de laatste jaren. Brengen we in herinnering dat de elektriciteit in Tibet duurzaam opgewekt wordt, hoofdzakelijk door waterkrachtcentrales. Die zijn nu voorbijgelopen door de consumptie. Bovendien was het afgelopen jaar een extra droog jaar, waardoor de waterreservoirs gedaald zijn. Wat doet de lokale overheid? De mensen niet zonder stroom zetten, neen. De overheid legt voor zes maanden alle cementfabrieken en alle mijnen in Tibet stil om de elektriciteitsvoorziening aan de bevolking te vrijwaren. De honderden technisch werklozen worden verder loon uitbetaald. Er is nog geen onmiddellijk uitzicht op beter voor de eerstkomende winters.

 

In het geheel van China is einde november de elektriciteitsprijs voor niet-residentieel gebruik met 0,2 eurocent per Kwh verhoogd, maar met uitzondering van Tibet, daar verandert de prijs niet en blijft ongewijzigd op 5 eurocent per Kwh. (bij ons is die bijna 20 maal hoger, maar dat is natuurlijk een halfmanke vergelijking).

 

Nota achteraf:

in 2010 werd beslist om Tibet aan te sluiten op het nationale net. Daarvoor moet een hoogspanningslijn gebouwd worden over het hoogplateau, vanaf Golmud tot Lhasa, net iets meer dan 1000 km lang en op een hoogte van 4000 to 5000m, langs de spoorlijn. Kost: 2 miljard euro. klaar tegen einde 2012.

(Xinhua, 25,29/11/09)

 

Trekking_0109

20:53 Gepost door infortibet in ecologie | Permalink | Commentaren (0) | Tags: energie, tibet, ontwikkeling, mijnen

28-02-09

Het dorp Narthang in Tibet

In het dorp Narthang, ten westen van Xigaze wonen een honderdtal families op een vrij zanderige glooiing. De rivier is ver weg en de berghelling verderop is vrijwel kaal. Boer Tashi heeft net 15 ton gerst binnengehaald. Dat is veel, maar hij heeft ook 4 ha. Toch kan hij elk jaar slechts de helft uitbaten omdat er geen water genoeg is voor alle velden van het dorp. “Tijdens de Culturele Revolutie bouwden wij een dam om regenwater op te slaan in de nabije bergen, maar de capaciteit van het kleine stuwmeer bleef te laag om genoeg water naar de velden te brengen,” aldus Tashi, “gedurende vele perioden van het jaar moest drinkwater nog per ezel aangevoerd worden. Vijftien jaar geleden liet de overheid hier een waterput boren, sindsdien hebben we direct drinkwater en nog genoeg voor gedeeltelijke irrigatie.” Het is koud bij hen binnen in huis, net zoals bij de andere boeren. Tashi draagt een door de familie gemaakte vest in schapenvacht. Ik zit er 100% polyester naast. Al hun kledij en de tapijten zijn ter plaatse gefabriceerd. Een foto van de familie: zij wonen er met z’n elven. Er zijn drie broers die één vrouw delen. Samen hebben zij 4 grote kinderen, van wie er twee zonen inwonen met één gezamenlijke vrouw en vier kinderen. Een familiefoto is altijd een beetje ingewikkeld in Tibet, vooral als er dan nog omen bij komen kijken. Een andere zoon werkt in het bosbeheer in Zedang ten oosten van Lhasa en één dochter studeert aan een universiteit in binnenland China. Het is dikwijls zo dat landelijke families één van hun kinderen laten verder studeren, een soort voorzichtige levensverzekering voor de toekomst.

De familie Tashi heeft ongeveer 100 schapen en 12 koeien. Zeven melkkoeien, één stier en vier kalveren. Die staan binnen op het gelijkvloers. De dieren dienen praktisch uitsluitend voor de eigen voeding. Van de graanoogst gebruiken zij 20% om gerstebier mee te maken, wat ze dagelijks drinken. Een ander klein derde is voor de dieren, 15 % is voor de eigen voeding en een laatste derde wordt verkocht. De familie Tashi is momenteel aan de afwerking van hun nieuw huis bezig. Zoals bij andere families gaat de grootste kost naar de houten pilaren en balken. Eén zo’n balk, 2,5m  lang en 20cm op 20cm, kost hen ongeveer 20 euro. In 4/5e van Tibet staat er geen enkele boom die zo’n balk kan voortbrengen. Zij worden aangevoerd vanuit Sichuan. De enorme huizen, die de Tibetanen bouwen, vereisen een flinke collectie van die balken, zij vormen het volledige geraamte. De bouwstenen maken ze zelf, maar de tegelafwerking van de gevels kopen zij. Alle materialen samen kosten hen ongeveer 5.000 euro. Hun interieur is nog arm: oude vetbruine kastjes, geen ‘geïnstalleerde keuken’ uiteraard, weinig potten en serviezen, enkel een kleine TV getuigt van de eerste luxe. Twee van de broers proberen in de winter wat bij te klussen in Xigaze, voor wat extra inkomen. Eén van de kleinkinderen, een jongen van 13 schat ik, is thuis. Ik vraag hen waarom hij niet op school is. “Hij is de herder,” was het antwoord van Tashi. “En wat is je vurigste wens voor de toekomst?” vaag ik hem nog. Na kort nadenken zegt Tashi stralend: “dat de kleinkinderen lang naar school kunnen gaan en dat de familie kan samenblijven.”

 narthang

het huis van Tashi in aanbouw

19:21 Gepost door infortibet in dorpen | Permalink | Commentaren (0) | Tags: ontwikkeling, landbouw, tibet

15-02-09

Op bezoek bij boer Dorje

De vrouw van boer Dorje steekt haar tong ver uit telkens ik naar haar kijk, als traditioneel teken voor “welkom”. Zij vormen een arm gezin, dat het nu stilaan beter krijgt. Eén dochter woont officieel nog thuis, maar zij werkt in een hospitaal in Lhasa en logeert er doorgaans bij een oom die in een bankkantoor werkt. Een andere oom is militair in Lhasa. Beide omen, de broers van Dorje, geven jaarlijks wat financiële steun aan het gezin van Dorje. Samen met het inkomen van de dochter tilt dit hun inkomen boven het precaire.

Dorje woont hier in het dorp - niet ver van Gyangze - sinds 2000. Toen moest hij verhuizen omdat zijn huis, vroeger lager gelegen, weggespoeld was door de rivier. Hij kreeg hier 1/4e hectare toegewezen, waaruit hij toch 4 ton gerst haalt omdat het goede grond is. Daarnaast heeft hij slechts acht dieren. Dorje en zijn vrouw zijn 26 jaar samen en nu pas beginnen zij, wat ze noemen, “een goed leven te leiden”. Zij konden een kleine tractor kopen en doen vervoerwerk voor andere boeren of voor bouwprojecten van de overheid. Hun “luxe” is een kleine draagbare TV. In de keuken hebben ze nog hun allesbrander en een gat in het plafond voor de rook. De keuken is hun winterkwartier, want in de andere kamers hebben zij geen verwarming. Op de koer is er een waterkraan. Nog een recent overheidsproject: alle dorpen voorzien van stromend drinkwater. Een oudere dochter is al getrouwd en het huis uit, zij werkt in het treinstation van Lhasa. Haar zoontje, dat in het ouderlijk huis van Dorje geboren is, verblijft nog steeds bij de grootouders. Volgend jaar verhuist het kind naar Lhasa, omdat de schoolleeftijd eraan komt. Onderwijs voor de kleinkinderen vinden de landbouwers in Tibet meer en meer belangrijk, een algemene vaststelling bij alle families die ik de laatste jaren bezocht. Ook bij Dorje is er een religieuze kamer, hoewel zijn huis niet zo groot en niet recent vernieuwd is. In de huiskamer hangt er een affiche met de gezichten van vroegere leiders van China: Mao, Deng en Jiang Zemin. In het dorp wonen 45 gezinnen.

bij boer Dorje

14:14 Gepost door infortibet in landbouw | Permalink | Commentaren (0) | Tags: tibet, ontwikkeling, dorpen

10-11-08

onevenwichten in de economische ontwikkeling

Andrew Fisher is een Engelse economist, heeft indertijd in London gewerkt voor het TIN (TibetInfoNet, wat pro dalai lama is) en is momenteel gastprofessor in Nederland.  Zijn specialiteit: de mechanismen aan het licht brengen die minderheidsgroepen in een sociale gemeenschap structureel benadelen en kunnen leiden tot sociaaleconomische uitsluiting. Tijdens het internationaal seminarie voor tibetologen in Beijing in oktober 2008 bracht hij aan de hand van sommige economische indicatoren een stevig discussieonderwerp naar voor: "de massale Chinese staatsteun voor Tibet is niet productief, de Tibetaanse rurale bevolking heeft weinig uitzicht op de vruchten van de modernisering. Infrastructuur, administratie en stedelijke beroepen slorpen alles op." Zijn betoog was sterk, zeker nuttig voor een interessant debat in China over Tibet. Maar ongelukkig genoeg deed Andrew Fisher ook enkele politieke uitspraken, die de seminarieleden op een kwaad been zetten, zie verder. Eerst de gegevens.

"80% van het BNP van Tibet is investering, dat is het hoogste cijfer ter wereld. Dat komt door de grote infrastructuurprojecten en de uitgebreide administratie. Die beiden nemen te veel plaats in, investeringen in reële productieve sectoren zijn miniem. In de aanpalende provincie Qinghai creëert 1 yuan investering een BNP-resultaat van 1,5 yuan. In Tibet brengt 1 yuan investering ondermaats 0,8 yuan BNP voort. Dit is een zeer onefficiënte manier om Tibet economisch op een goed ontwikkelingspoor te plaatsen. En dit duurt al een hele tijd. Waarom? Het 'administratief' hoofd in Tibet weegt te zwaar. Neem de centrale subsidies weg en de Tibetaanse economie valt in elkaar. De mooie spoorweg zal natuurlijk blijven.

Tibet vertoont de grootste ongelijkheid in China tussen stad en platteland: 1 tot 5, en de laatste tien jaar is die kloof vergroot. Ook zelfs binnen de stedelijke bevolking is er voor de werkende bevolking een salarisverschil van 1 tot 4.

Het hoofdprobleem is echter dat de stedelijke centra weinig 'productieve activiteit' hebben, zij genereren zelf geen echte meerwaarde."

Tot daar de analyse.

De 'ongelukkige' of halfintentionele politieke uitspraken van Fisher: "De vroegere adellijke elite in Tibet is nu vervangen door het partijapparaat, dat evengoed als toen slechts 5% van de bevolking vertegenwoordigt en een groot deel van de centrale subsidies opslorpt " en "De sociaaleconomische discriminatie treft de Tibetanen en niet de Han inwijkelingen."  Dat zorgde voor heibel in het debat. De situatie met de vroegere grootgrondbezitters is niet vergelijkbaar. Het gaat hier niet meer om uitbuitingsverhoudingen, zelfs al is het waar dat het flink uitgebouwd overheidsapparaat in Tibet leeft op de kosten van de centrale staat. De reacties van de andere deelnemers aan het seminarie, Tibetanen en Han, was duidelijk: "De Westerse modellen van economische ontwikkeling zijn niet klakkeloos toepasbaar op Tibet. De Tibetaanse economie wordt beschouwd als een 'politieke' economie, een publieke aangelegenheid. De Chinese staat wil eerst en vooral de leefcondities van de Tibetaanse bevolking verbeteren, via de uitbouw van een netwerk van diensten, via de gezondheidszorg, de hygiëne, de cultuur, de sport, de veiligheid en de zorg voor de ecologie. Dat is meer dan de louter economische indicatoren. Bovendien is er het militaire aspect met Tibet als internationaal begeerde zone. Het geheel moet bekeken worden en op lange termijn. De staat probeert in Tibet de nodige infrastructuur uit te bouwen om het moderniseringsinitiatief kans te bieden, zonder de traditionele waarden van de Tibetaanse cultuur over boord te gooien. Daarbij wordt de bevolking betrokken, er zijn lokale volkscomités per stadsdeel in Lhasa, per werkeenheid of per handelscentrum."

Naar mijn kennis had Fisher gelijk in zijn uiteenzetting, waar hij het had over het "te weinig productieve investeringen" in Tibet. Om werkelijk op eigen kracht verder te ontwikkelen en minder afhankelijk te worden van de nationale subsidies zal een eigen lichte industrie een noodzaak worden.

Bijna alle consumptieartikelen komen van het binnenland in China. De vraag is: welke producten worden in voldoende aantallen door de Tibetanen gekocht, want eigenlijk zijn zij slechts een 'kleine' markt van 3 miljoen mensen. Het kunnen mixers zijn om boterthee te bereiden. Alle boeren die ik ontmoette hebben er al een. De vraag is dus: wat is nuttig voor de lokale consumptie, in voldoende aantal om er een productielijn voor te starten.

Jp desimpelaere

DSCN4028

technieken in de landbouw zijn nog zeer archaïsch

28-12-06

Een dorp langs de spoorlijn op 100 km van Lhasa

In het dorp wonen 64 families, samen 286 Tibetanen. Zij bewerken een zestigtal hectaren, dat is nauwelijks 1 hectare per familie. Dertig jaar geleden hadden ze nog 2 hectare per familie want toen waren ze met de helft minder mensen. Hogere opbrengsten per hectare hebben de bevolkingsgroei net kunnen volgen. Gerst en wintertarwe krijgen elk 25 hectare en daarnaast nog 7 hectare voor koolzaad en 2 voor aardappelen. Rond de huizen telen ze groenten voor eigen gebruik. Het dorp beheert een kudde van 320 beesten, yaks en schapen samen. Enkele mensen van het dorp leidden die in de zomer de bergen in om te grazen. De arbeid op de velden wordt in samenwerkingsverband georganiseerd. Na afname van een deel voor eigen gebruik wordt de rest van de oogst verzameld voor een centrale verkoop. Na aftrek van de gemeenschappelijke aankopen, wordt de winst verdeeld volgens de opbrengst van elk veld en omdat de oppervlakte van de velden nagenoeg dezelfde is voor elke familie, is dat ook het geval met de centenverdeling. Wat zijn de gemeenschappelijke aankopen? Zaaigoed is het niet, want dit produceren ze zelf en verbeterde zaadsoorten krijgen ze gratis van de overheid. Mest hebben ze van de dieren, maar die zijn dikwijls het huis uit. Soms kopen zij chemische supplementen. Vroeger werd mest van de dieren verbrand om de huizen te verwarmen. Nu zijn ze overgeschakeld op steenkool. Gemeenschappelijk zijn ook de kleine infrastructuurwerken in het dorp. Er is een klein lokaaltje voor eerste medische hulp. Of het bouwen van een nieuwe stupa met een tempeltje, wat zij enkele jaren geleden deden. Of enkele te vernieuwen irrigatiebuizen. Het is niet ingewikkeld om te begrijpen dat die hectare per jaar en per familie weinig winst opbrengt: 200 euro, dat is het dan. Hoe wordt dit allemaal geregeld? Door de “harmonieuze ecologische samenleving” van weleer, zoals de 14e dalai lama ze beschrijft? Een “klein” verschil is dat zij toen tweederden moesten afgeven aan de heer of het klooster, zonder er 200 euro voor te krijgen en bovendien nog gratis corveewerk moesten verrichten. Nu krijgen die dorpsbewoners 170 euro per maand als zij bijvoorbeeld mee aan de spoorweglijn werken of aan een bebossingproject op een berghelling vlakbij. De bedoeling van de overheid is bebossen en de helling aan iemand geven voor latere bosbouw. Wie regelt? De dorpschef, de burgemeester van onze vroegere landelijke kleine gemeentes. Bij algemeen stemrecht verkozen voor een periode van vier jaar, is hij de “manager”, zoals hij het graag modernistisch uitdrukt. Manager van economische zaken voor het dorp, contact met de hogere instanties en bemiddelaar bij ruzie’s in het dorp. Er zijn bijeenkomsten voor dorpschefs op districtsniveau om ervaring uit te wisselen en overheidsinitiatieven te leren kennen, zoals opleidingsmogelijkheden voor landbouwers. Nog dit: 2 op 3 families hebben een kleine tractor en vier families hebben een vrachtwagen kunnen kopen. Paarden en moto’s zijn er niet. Een lagere school is op wandelafstand in een nabijgelegen dorp. En de jongeren op de middelbare school in het districtscentrum Tulun blijven er de gehele week. Op de vraag wat de dorpsmanager van plan was in de komende jaren kreeg ik als prompt antwoord: betere huizen bouwen met de opbrengst van een nieuw fabriekje. Een fabriekje? Ja, een Chinees uit Hongkong heeft in de omgeving een bedrijfje laten bouwen dat hooglandgierst in koekjes zal verwerken. Enkele mensen kunnen er gaan werken en het dorp kan de gerst aan een hogere prijs kwijt.

Eigen “spontaan” en “ongecontroleerd” bezoek, augustus 2005.

IMG_2000

de dorpschef

IMG_2001

in het dorpscafé, tevens winkeltje en vergaderzaal voor de dorpsraad

IMG_2002de vrouw van de dorpschef