24-02-12

Geboortepolitiek China

In de provincie Qinghai besliste de lokale overheid om voortaan niet-stedelijke gezinnen, die verzaken aan een derde kind, te belonen. Een premie van 150 tot 700 euro, naargelang het inkomen van het gezin. Tot nu was er geen geboortebeperking voor de landelijke bevolking in Qinghai, gezien die voor het overgrote deel uit ‘etnische minderheden’ bestaat (Tibetanen, Hui, Mongolen en nog enkele anderen). Er was wel een promotiecampagne om het aantal kinderen te beperken tot drie. Nu komt er een kleine financiële stimulans om ook het ‘derde kind’ te vergeten.

Voor de Han Chinezen in de provincie Qinghai geldt de nationale regel van ‘één kind per gezin’. Daarbij zijn er financiële boetes voor de gezinnen, die dit niet volgen.

 

Naast de nieuwe premie voor ‘onthouders’ trekt de lokale overheid ongeveer 30 miljoen euro uit in 2012 om de ziekteverzekering en het pensioen te subsidiëren van gezinnen, die deelnemen aan de vrijwillige geboortebeperking.

18:25 Gepost door infortibet in demografie | Permalink | Commentaren (0) | Tags: china, qinghai, han, tibetanen

07-01-11

Tu en Tibetanen vieren samen een heidens feest

De Tu zijn een oude bevolkingsgroep, die ooit de provincie Qinghai bevolkten voor de Tibetanen er aankwamen in de 8e eeuw.

Er zijn nog Tu-gebieden overgebleven in het noordoosten van de provincie. Door de geschiedenis heen hebben die twee volkeren zich in dat gebied min of meer aan elkaar geassimileerd. Een jaarlijks religieus festival is echter zeer ‘Tu’-gekleurd. En niet boeddhistisch, dus heidens. Dit grijpt plaats in de streek van Regong, Tongren, Repgong, Tunrin (dezelfde plaats in diverse dialecten of transcripties). Wij waren er in 2009, samen met enkele professionele Japanse en Hongkongse fotografen.

 

Op een pleintje voor de dorpstempel zijn er een dag lang dansen door verschillende groepen, onder zeer eenvoudige tamboerbegeleiding. Dit gaat in een cirkel rond een brandstapel, waar kostbaar voedsel en alcohol op verbrand worden. Heel veel vroeger waren dat echte schapen. Nu wordt er nog veel vlees aangebracht, maar exotisch duur fruit lijkt de bovenhand te halen en vooral liters sterke drank. Het is geen feest van de monniken van het naburig boeddhistisch klooster. Terloops gezegd, het oudste boeddhistisch klooster van Qinghai bevindt zich in Tongren, het dateert uit de 13e eeuw, van de Sakya school, nog voor sprake was van dalai lama’s. Maar het feest is heidens of vriendelijker gezegd: pre-boeddhistisch, volgens het volksgeloof van de Tu bevolking indertijd. Elk dorp heeft zijn eigen godheid. En zoals overal ter wereld moet die gunstig gestemd worden, zeker bij het naderen van de oogst. Het feest is net voor de oogst, in onze juli maand. De god van het dorp is een gruwelgod, die alle gevaren die het leven bedreigen verzinnebeeldt.

 

Uit een aantal mannelijke kandidaten van het dorp wordt een ‘mogelijke bezetene’ gekozen door de overste van het boeddhistisch klooster. Ja, de tradities vermengden zich in de loop der eeuwen. Die man werkt zich dan in trance op het binnenpleintje van de dorpstempel onder begeleiding van zijn eregarde. De techniek lijkt er een te zijn van te hyperventileren en op 2000 m leidt dit wel tot enige opwinding. Het bezeten zijn door de lokale god dient om de offerandes kracht bij te zetten. Vrij spectaculair is het wel.

Enkele foto's:

chine 2009a 622.jpg

chine 2009a 670.jpg

chine 2009a 734.jpg

ja, dat is echt fruit, geen plastieken 

 

chine 2009a 660.jpg

chine 2009a 666.jpg

22:01 Gepost door infortibet in traditionele feesten | Permalink | Commentaren (0) | Tags: qinghai, titanen, tu

Soros in Tibet

Neen, niet Georges Soros, de Hongaars-Amerikaanse multimiljardair, maar zijn dochter, Andrea Soros. Zij heeft mooie projecten voor ontwikkelingshulp lopen in gebieden in China waar Tibetanen leven. Met een ‘laag profiel’, er komt geen politieke inmenging aan te pas. Dit strekt haar tot eer. Sinds 1993 sponsort haar ‘Trace Foundation’ voornamelijk onderwijsprojecten voor Tibetanen in de provincie Qinghai. Samen met de lokale overheid bevordert haar stichting het publiceren van boeken in het Tibetaans, voor de jeugd en voor de scholen. Ook handboeken in het Tibetaans van moderne wetenschappen: fysica, wiskunde, computertechnologie e.a.

Dit terwijl ons Europees parlement nog op 25 november 2010 een resolutie[1] stemde tegen China, waarin staat dat de Tibetaanse taal gemarginaliseerd wordt en dat dit niet mag, want “De inheemse volkeren hebben het recht hun onderwijssysteem in hun eigen taal te organiseren”, zo staat in de resolutie. Ja, natuurlijk, maar Europa is geen goede leermeester, indien je dit bv aan de Bretoenen vraagt. De provincie Qinghai is een provincie met ‘faciliteiten’. De meerderheid van de bevolking is er niet-Tibetaans. Toch zijn er streken waar de Tibetanen in de meerderheid zijn. Daar wordt de Tibetaanse taal dan wel gebruikt in het onderwijs, enfin, min of meer. Andrea Soros helpt om dat wat meer te doen worden. Lovenswaardig. Maar hoever moet of mag men daarin gaan? In de provincie Qinghai leven bv evenveel mensen van Arabische afkomst als dat er Tibetanen zijn. Zij wonen daar al 500 à 700 jaar. Zijn zij een ‘inheems’ volk of immigranten die zich maar moeten aanpassen? Trouwens, de Tibetaanse bevolking in Qinghai was daar niet veel eerder: ten dele in de 9e eeuw, zelfs grotendeels later, tijdens en na de Mongoolse dynastie in China (vanaf de 13e eeuw). Tevoren waren de ‘Tu’, de ‘Xixia’ en de ‘Qiang’ de ‘inheemse volkeren. Daar bestaan nu nog enclaves van. Wat met hun taal? China heeft 54 ‘inheemse’ volkeren. Sommigen zeggen dat er zelfs meer zijn. Ja, een Limburger is eigenlijk ook geen Vlaming en in de Nederlanden is het ABN nog niet zo oud (de reactie van mijn ouders bij het begin van het ABN: ‘op wat trekt dat nu, dat is géén taal’!). Het is een immense taak, voor een ontwikkelingsland dat China nog grotendeels is, om al die culturen en talen flink te ondersteunen. Er wordt wel in die richting gewerkt. ‘Bijna vergeten’ talen van grote bevolkingsgroepen worden opnieuw onderwezen, zoals de Yi-taal en het Mandchu.

 

Terug naar de Tibetanen in de provincie Qinghai, waar een tiental ‘inheemse’ volkeren leven. Voor de Tibetanen is er nog een bijkomend  probleem. Te weinig Tibetanen van die provincie zijn de Chinese taal machtig en zijn daardoor benadeeld in de hogere jobs. Het zijn herdersjongens op overschot, zonder veel schoollopen. Een partijsecretaris van de provincie onderkende onlangs dit probleem en zei: “tweetaligheid is een uitstekend middel om hier te moderniseren” (dat klinkt ons zelf in België bekend in de oren). Hij bedoelde: vlugger Chinees onderwijzen aan de Tibetaanse kinderen. Dat namen die laatsten niet en betoogden voor het behoud van het Tibetaans als eerste taal in hun scholen. De lokale partijinstanties schrokken en zeiden: “akkoord, geen hervormingen zonder het akkoord van de ouders en de leerlingen.” Tot daar het verhaal, dat het Europees Parlement een volledige dag bezig hield en leidde tot een resolutie tegen het beknotten van de Tibetaanse taal (“repressie en marginalisatie van de Tibetaanse taal”, zo staat het er). Zwakke grond voor twee pagina’s resolutietekst na een tiental interventies in voltallige zitting. Het Chinese parlement verliest geen tijd aan het probleem van de Basken.

Nog dit: Op de website van DeWereldMorgen.be las ik onlangs nog dat “de Tibetanen geen recht hebben op onderwijs in hun eigen taal.” Wanneer leerlingen betogen voor ‘het behoud’ van Tibetaans als eerste taal op school, dan kunnen ze dat enkel doen wanneer er wel degelijk onderwijs is in het Tibetaans, me dunkt.

 

Terug naar Andrea Soros. Zij doet daar goed werk en zoals gezegd: samen met de lokale overheid. Haar NGO, ‘Trace Foundation’, heeft bureaus in Xining (Qinghai), Lhasa (Tibet) en Chengdu (Sichuan). Sinds 1993 sponsort de Trace Foundation projecten in deze drie provincies plus Yunnan en Gansu. De eerste tien jaar was dit onder de vorm van subsidies verlenen aan lokale projecten, maar sinds 2004 zette de Trace Foundation ook eigen projecten ter plaatse in gang, voornamelijk in het secundaire en hoger niet-universitair onderwijs. Het gaat bv over het verlenen van beurzen aan jonge afgestudeerden of onderwijzend personeel om handboeken en ander onderwijsmateriaal in het Tibetaans te produceren in de modernere domeinen zoals wetenschappen en techniek. Daarbij moeten zelfs nog woorden uitgevonden worden (het is nog niet lang geleden dat het Chinees vocabularium de wereld bijbeende). De Trace Foundation doet rechtstreeks aan begeleiding van het project. Eén project bv, liep van 2005 tot 2010 en verleende een drieduizendtal beurzen. Totale som: 10 miljoen US dollar, waarvan Trace er 5,3 miljoen op zich nam. De rest kwam van de lokale overheid. Bij het project zijn 27 Tibetaanse instituten betrokken, verspreid over de genoemde provincies. Andere projecten zijn bv het mee subsidiëren van de vorming van Tibetaanse leraars voor het secundaire en hoger onderwijs.

 

De totale jaarlijkse ontwikkelingshulp van Andrea Soros aan de Tibetanen bedraagt 6 miljoen US dollar (laatst gepubliceerd cijfer, 2007). Daarnaast zijn er nog de werkingskosten, de hoofdzetel in New York, permanenties in China, enz. Ongetwijfeld komt er wel wat zakgeld van vadertje Soros, voor hem zijn dat kruimels. Georges Soros verstopte het indertijd niet dat hij heel wat geld doorschoof naar bewegingen in Oost-Europa, die Oost-Europa naar het Westen zouden doen vallen. Zijn dochter, Andrea Soros, heeft het dus in de VS niet gemakkelijk, links nam haar onder vuur als ‘running-dog CIA front’. Maar haar website, haar publieke verklaringen, haar projecten vermijden met opmerkelijke nauwkeurigheid elke politieke inmenging in China. So what? Zij steunt in de feiten de Tibetaanse cultuur, in samenwerking met de lokale overheid. Indien ik papa Soros was, zou ik daar niets tegen hebben. Misschien denkt hij: ‘mijn dochter heeft daar een ferme voet aan de grond, al 20 jaar, dat kan niet slecht zijn’.

 

Andrea Soros is wel niet enkel actief in haar ‘Trace Foundation’ voor ondersteuning van de Tibetaanse cultuur. Er is nog de ‘Tsadra Foundation’, bedoeld om Amerikanen en Europeanen beurzen te verschaffen om zich te vervolmaken in het Tibetaans boeddhisme. Daar is de kans zeer groot dat de begunstigden wel tegelijk politieke activisten zijn voor de onafhankelijkheid van Tibet. Verder is Andrea een welbekende bij de ‘Rockefeller Foundation’, via nog een ander fonds dat ze beheert, het ‘Acumen Fund’. Dit laatste ‘investeert’ (ja, ontwikkeling via rentabiliteit) in mini-projecten in de Derde Wereld. Wat de Rockefellers betreft in de VS: die zitten in de hoogste politiek-financiële sferen, soms zeer controversieel ondemocratisch.



[1] In die resolutie vernemen we dat de Europese Unie in haar budget van 2009 1 miljoen euro voorzien heeft voor “het behoud van de Tibetaanse cultuur, meer specifiek onder de Tibetanen buiten China”. Het is niet enkel het Amerikaans Congres dat de kringen rond de dalai lama geld toestopt. De VS geven echter veel méér.

tibet 05 (51).JPG

Een klasje, per toeval bezocht, in de omgeving van Qamdo, Oost-Tibet, gesponsord qua uitrusting. Neen, niet door Andrea Soros, maar door het stadsbestuur van Chengdu (Sichuan).

17:47 Gepost door infortibet in onderwijs | Permalink | Commentaren (0) | Tags: tibet, usa, china, qinghai, taal

27-12-10

Tibetanen in Noord-Qinghai

De Qilian bergketen bevindt zich in het noorden van de Chinese provincie Qinghai. De bergketen vormt de grens tussen het hoogplateau en de woestijnen van de Zijderoute, ten noorden ervan. Hij is uitgestrekter en bij momenten hoger dan onze Europese Alpen: 900 km van west naar oost en culminerend boven de 5000m. Er zijn veel minder gletsjers dan in onze Alpen, het klimaat ginder is er te droog voor, minder dan de helft neerslag van bij ons. Op de zuidelijke flanken van de Qilian Shan leven Tibetanen, sinds de 8e eeuw. Tevoren waren het andere volkeren, ondermeer de ‘Tu’. De Tibetanen veroverden die gebieden in de 8e eeuw en roeiden de Tu ongeveer uit. De Tibetanen werden er opnieuw een minderheid na het verval van hun rijk in de 9e eeuw. Toen ontstond een nieuw koninkrijk in die omgeving, het Xixia koninkrijk (10e-11e eeuw), dat op zijn beurt door de Mongolen onder de voet gelopen werd in de 13e eeuw. Die laatsten brachten een Arabische bevolking mee, die nu de Hui minderheid vormen. Tijdens de Qing dynastie in China (17e-20e eeuw) kwamen ook Han Chinezen naar die streek. Na de communistische machtsovername in China kwamen meer Han, vooral naar de provinciehoofdstad Xining. Kortom, de provincie Qinghai is nu grosso modo voor een derde Tibetaans, voor een derde Han en voor een derde Hui, met in de marge nog enkele kleinere nationaliteiten, op een bevolking van zes miljoen.

 

Maar de flanken van de Qilian bergen zijn door Tibetanen bevolkt. Hoewel, er zijn ook nog belangrijke Mongoolse enclaves en de Uyguren zijn ook niet veraf. Het volledige gebied rond de Qilian bergen is een mozaïek van kleine autonome departementen of districten: Mongolen, Kazakken, Tibetanen, Tu, Uyguren. De Qilian bergen liggen op een paar honderd km ten noorden van Xining.

 

Een groot deel van deze regio is door de overheid als ecologisch beschermd gebeid bestempeld. Noorse botanisten konden het in 2005-2006 vaststellen: een verrassende biodiversiteit qua begroeiing (universiteit van Bergen, ‘ecological and environmental change research group, eecrg.uib.no). Het gaat over een beboste oppervlakte, beneden de 4000m, van enkele duizenden km2. De bomen zijn er gemiddeld 150 jaar oud en er is kapverbod.

In de jaren 1980-1990 was er een ‘goudrush’ in het gebied: rivieroevers werden omgespit door duizenden goudzoekers. Dit is ongeveer sinds 2000 verboden.

     

Meer naar het zuiden toe, in het Tibetaans departement Hainan, is er jaarlijks in de herfst een belangrijk religieus festival in Tongde, op het Kala grasland. Tien tot twintigduizend Tibetanen wonen het bij, op een kampplaats voor vier dagen. Een enorm grote centrale tent dient als tempel. Een deel van de weide is voorzien als parking voor de duizenden moto’s en wagens. Het zijn de monniken van de omliggende kloosters die voor de organisatie instaan.

20:52 Gepost door infortibet in traditionele feesten | Permalink | Commentaren (0) | Tags: tibet, qinghai, bebossing

22-04-10

Etnisch gestook rond een Tibetaanse aardbeving

Het internationaal netwerk voor onafhankelijkheid van Tibet probeert de hulpverlening in de door de aardbeving getroffen gebieden in een etnisch keurslijf te steken. Getuige daarvan volgend artikel van ‘International Campaign for Tibet’:

http://www.savetibet.org/media-center/tibet-news/quake-sees-tibetan-buddhist-monks-assert-roles

De toon van het artikel is: “de perverse Chinese han-communisten geven de indruk – wat goed is voor hun publiciteit – van grootse middelen in te zetten voor de hulp aan de slachtoffers van de aardbeving, maar het zijn de Tibetaanse monniken die eigenlijk al het werk doen, omdat de mensen hen vertrouwen en er geen vertrouwen is in de centrale overheid.”

Dit standpunt werd overgenomen door de New York Times en nog enkele andere internationale kranten.

Dat is gewoon schandalig, dat is kadaverfascisme. Excuseer mij het woord. 2000 mensen lieten er het leven, iedereen in China is in de weer om te helpen, daarvan getuigen meer dan één van de contacten, die ik in de streek heb. Ik was in Yushu, het centrum van de aardbeving, in 2005, gedurende een week. Yushu bevindt zich in de Chinese provincie Qinghai, die nooit door de dalai lama’s politiek bestuurd werd. De provincie Qinghai is bevolkt door één derde Tibetanen. De streek van Yushu is voor het overgrote deel bevolkt door Tibetanen.

q560

 

Daar ligt (lag) Yushu

22:37 Gepost door infortibet in internationale dimensie | Permalink | Commentaren (1) | Tags: tibet, dalai lama, china, qinghai

01-06-09

Een schat van mineralen

In het Qaidam bekken, in het noordwesten van de Qinghai provincie, bevindt zich de belangrijkste olie- en gasexploitatie van het plateau. Qaidam is een barre, dunbevolkte halfwoestijn op 3000 meter hoogte en vijf maal groter dan België. De olie die er wordt gewonnen, vloeit via een lange pijplijn – de hoogste ter wereld − naar Tibet. Het plateau is ook rijk aan ertsen en mineralen, vooral in de zones waar de aardkorst het meest geplooid werd. Daar zitten chroom, koper, ijzer, goud, lood, zink, antimoon, molybdeen, steenkool, bauxiet, gips, mica, grafiet, kwarts, zwavel en borax.[1] Maar de winningsgebieden zijn moeilijk toegankelijk en vaak is de grond er permanent bevroren. Ook de talloze meren in het noorden van het plateau zijn rijk aan mineralen zoals magnesium, potassium, lithium en uranium, maar ook zij zijn nauwelijks bereikbaar.[2]

DSCN2696

olie en gas transport richting Tibet

Chroom  is vandaag de  belangrijkste delfstof. Twee derde van het chroom in China komt uit Tibet. De Norbusa staatsmijn is opgestart in de jaren 1980 in het Shannan district ten oosten van Lhasa. Er wordt ook in coöperatieve of kleinere individuele ondernemingen chroom ontgonnen. In Oost-Tibet wordt in 2010 de  Yulong Kopermijn opgestart, die de tweede grootste van Azië kan worden.[3]

De mijnen zijn belangrijk voor Tibet, want ze zijn lokaal belastingsplichtig. Samen met de handel en de diensten leveren zij de inkomsten voor het budget van de regio Tibet. Landbouwers en herders zijn vrijgesteld van belasting. Vandaag is de balans van dat budget verre van in evenwicht. De centrale Chinese overheid past jaarlijks tot 90% van het budget bij.[4]

 

Uranium is een strategische delfstof die hier extra aandacht verdient. China heeft in 2007 een handelsovereenkomst voor de invoer van uranium afgesloten met Australië, dat 40% van de gekende werelduraniumvoorraad in zijn ondergrond heeft[5]. Tot op vandaag koopt China zijn uranium, jaarlijks zo’n 1.500 ton, in Kazakstan en Canada. De Chinese maatschappij voor atoomenergie onderhandelt ook in Afrika over deelname in mijnen. In China zelf wordt immers nauwelijks uranium ontgonnen.

Toch spreekt de Tibetaanse "regering in ballingschap" over ‘rijke en onontgonnen lagen uranium, wellicht de grootste ter wereld’[6] in de provincie Qinghai, die volgens haar deel uitmaakt van Tibet. De 14e dalai lama suggereert indirect dat al dat uranium onbeperkt opgedolven wordt: ‘Mijn land wordt een ecologische ramp door de massale ontbossing en door het excessieve delven naar mineralen’.[7] De dalai lama specifieert niet over welke mineralen het gaat. Maar Tibet Environmental Watch (USA), het Canada Tibet Committee, het Belgische De Vrienden van Tibet en andere organisaties hebben het over ‘ongebreidelde extractie van uranium in wel twintig mijnen (…) de voornaamste bron voor de Chinese nucleaire industrie’.[8] Ook ernstige Belgische journalisten stappen mee in dat verhaal: ‘De bergen die de heilige stad Lhasa omringen, zouden de helft van de wereldreserves van uranium bevatten. Dit en andere ertsen worden overvloedig geëxploiteerd.’[9] Het uranium zou dienen ‘om bommen te maken’ en tegelijk zou massaal radioactief afval in Tibet worden gedumpt. De Chinese overheid houdt het bij één ondergrondse opslagplaats voor kernafval buiten de autonome regio Tibet, nabij het Qinghai meer. Dat is ook de enige concrete plaats die de regering van de 14e dalai lama vermeldt.[10] Het uraniumverhaal dateert van 1950. Het stond in een rapport van het Britse Foreign Office dat wereldkundig werd gemaakt door Lowell Thomas. Die was op dat moment in Lhasa actief als journalist voor het Amerikaanse NBC.

 

Goud

In de jaren tachtig werd het toerisme in Tibet volkomen vrij en het hippe Kathmandu verplaatste zich naar Lhasa. Minder spiritueel waren de duizenden goudzoekers, die op het plateau een paar gram goud wasten uit de riviersteentjes. Zij kampeerden er enkele maanden en wonnen er dan elk enkele honderden euro. Veel van die gebieden werden sindsdien natuurreservaat en de goudrush is dan ook gestopt. In het oude Tibet diende de exploitatie van kleine goudaders hoofdzakelijk voor de bekleding van religieuze beelden, stupa’s en tempeldaken. Er was een weeg- en rekenhof voor het goud onder het gezag van de functionaris van financiën van de dalai lama’s. Een kleine hoeveelheid goud werd opgeslagen als betaalreserve. Toen die reserves ongeveer op waren door de verhoogde uitgaven voor het leger tijdens het bewind van de 13e dalai lama, ging een Tibetaanse missie in Londen goud kopen met een lening. Voor de gouden troon van de huidige 14e dalai lama werd in 1956 eveneens goud buiten Tibet aangekocht, en wel met de opbrengst van een inzameling onder alle gelovigen.

 

Om riviervervuiling te voorkomen zijn in 2003 de milieunormen voor goudwinning in China streng verscherpt. Toch beschuldigt de regering in ballingschap van de 14e dalai lama de centrale overheid ervan duizenden tonnen goud uit de Tibetaanse ondergrond te stelen en daarvoor tienduizenden Chinese migrantwerkers te gebruiken.[11] Er wordt daarbij verwezen naar potentiële en echte mijnen in de provincies Qinghai en Gansu, zonder die mijnen bij naam te noemen. De 14e dalai lama toonde zich bezorgd omdat de Chinese overheid ook buitenlandse investeerders toelaat goud te zoeken, het culturele erfgoed te grabbel te gooien als het ware, want goud was destijds bestemd voor de kloosters.[12] Onder andere een Canadees en een Australisch bedrijf tekenden in.[13] De overheid wil namelijk overal op Chinees grondgebied de artisanale ontginning van goud technologisch rechtzetten en doet daarbij beroep op de hulp van het buitenland. Die hulp is beperkt, ze bedraagt enkele tientallen miljoenen euro.[14] Ondertussen zijn in Tibet zelf alle goudontginningen stopgezet sinds de opnieuw verstrengde mileunormen van oktober 2005.[15]

 



[1] CTIC

[2] CTIC

[3] www.mineweb.com, 18 aug 2008.+ CTIC

[4] CTIC + Tibet Statistical Yearbook 2008.

[5] BBC, « China to buy Australian uranium », 3/4/2006.

[6] TRIB, “Tibet’s Environment and Development Issues”.

[7] voorwoord bij een boek “Tibet, Enduring Spirit, Exploited Land”, Apte Robert en Andres Edwards, USA, 1998. Op te merken: Andres Edwards is in de USA een prediker van de “groene duurzame revolutie”.

[8] Websites.

[9] Michel Bouffioux, website, 170205, interview met Michel Van Herwegen van “Les Amis du Tibet”, artikel verschenen in Ciné-Télé Revue van 17 febr. 2005.

[10] TRIB.

[11] TRIB.

[12] interview met Asian Pacific Post, 27/01/2005., waar de 14e dalai lama zich verzet tegen de Canadese betrokken firma.

[13] CTIC.

[14] zoiets als de waarde van een Formule 1 wedstrijd.

[15] China Daily, 14/9/2005.

13:49 Gepost door infortibet in aardrijkskunde | Permalink | Commentaren (0) | Tags: tibet, ertsen, mijnen, qinghai, hoogplateu

29-01-09

de verhouding "lama" tot "beschermheer"

De voorstanders van de onafhankelijkheid van Tibet voeren aan dat Tibet eigenlijk niet bij China ingelijfd werd in de 13e eeuw, maar dat er een bijzondere "relatie" ontstond tussen de Mongoolse heersers van het Chinese keizerrijk van toen en de Tibetaanse leiders: deze laatste werden de "spirituele meesters" van de keizers, in ruil voor "bescherming". "De territoriale integriteit van Tibet bleef en het werd nooit politiek onderworpen," aldus de huidige dalai lama en de voorstanders nu van onafhankelijkheid.

Tibetaanse annalen[1] van die periode spreken dit echter tegen. De Mongoolse legers waren vanaf 1206 actief in Tibet, nog voor sprake was van "bekering tot het boeddhisme". Zij kregen gebieden in handen van Centraal-Tibet tot West-Tibet. Het beroemde Reting klooster werd door hen vernield, naast nog enkele andere in Noord-Tibet. Zij lijfden Tibetanen in bij hun leger. De politieke integratie van Tibet in het Mongoolse Rijk gebeurde gedurende de eerste helft van de 13e eeuw. Tibet was toen erg versnipperd, lokale clanleiders en kloosterorden onderwierpen zich één na één aan de legers van Genghis Khan (1162-1227), van Godan of van andere Mongoolse prinsen. Deze waren toen nog geen boeddhisten, zij waren niet op "spirituele zoektocht" maar op militaire veldtocht. Pas in de tweede helft van de 13e eeuw namen de Mongolen het Tibetaanse boeddhisme over als één van de erkende staatsgodsdiensten (Nestorianen en moslims hadden ook hun plaatsje). In hun groot rijk kwam een hiërarchisch gestructureerde godsdienst beter van pas dan hun clananimisme van weleer. Een Tibetaanse "meester-lama" werd pas in 1260 "kardinaal" aan het hof van Kublai Khan (1216-1294) in Beijing. Dit lag aan de basis van wat men nu nog noemt de "verhouding lama tot beschermheer".

 

Een ander punt, dat meestal niet vermeld wordt door de voorstanders van onafhankelijkheid, is dat in diezelfde 13e eeuw de basis gelegd werd voor het  afzonderlijk politiek en militair bestuur van de huidige Chinese provincie Qinghai. Prins Godan kreeg het gebied van Kublai Khan als persoonlijk wingewest, waardoor het niet onder het gezag van Lhasa viel. Het was ook niet door Tibetanen bevolkt in die tijd, het waren de "Xia", die er woonden, maar die werden ongeveer uitgeroeid in 1227 door de Mongoolse troepen. De huidige voorstanders van de onafhankelijkheid van Tibet eisen "Groot Tibet" als gebied, met de volledige provincie Qinghai erin, zeggende dat die "altijd" tot het Tibetaanse rijk behoord heeft tot aan de machtsovername door het communistisch regime.



[1] aldus professor Soinam Benjor in het tijdschrift "China's Tibet", zomer 1992. Gelijkaardig verhaal bij Gyurme Dorje, "Tibet Handbook" (met voorwoord van de huidige dalai lama), Footprint Handbook, England, 1996. Zo ook bij Zheng Shan, "A History of Development of Tibet", Foreign Languages Press, Beijing, 2001. Zie ook R.A. Stein, "La Civilisation Tibétaine", L'Asiathèque, rééd. 1996, pages 42-46, waar blijkt dat de "Mongoolse connectie" nog ingewikkelder was dan hierboven geschetst. Stein schuift de "uiteindelijke bekering tot het boeddhisme" van de Mongolen naar een veel latere periode, naar einde 16e eeuw.

10-09-08

gemengde gevoelens over "Cultureel Tibet"

De streek van het Qilian gebergte, die de grens vormt tussen de provincie Qinghai en de Hexi-corridor van de Zijderoute in Gansu, was in de loop van de geschiedenis een ontmoetingsplaats - soms hardhandig - van diverse bevolkingsgroepen. De samenstelling van de huidige bevolking getuigt daarvan. De oorspronkelijke inwoners waren de Qiang, maar die werden er nog voor het begin van onze jaartelling verdreven door de troepen van de Han dynastie. De Han openden de Zijderoute naar  West-Azië en Europa. Rond  50 voor Christus was er in Centraal-Azië een veldslag tussen de Han en de Romeinen. De Romeinen verloren en 2.000 van hen werden meegevoerd tot aan de voet van de Qilian bergen, waar ze zich konden vestigen. Afstammelingen van hen, al lang vermengd met de lokale bevolking, wonen nog steeds in het stadje Yongchang (ten westen van Wuwei), waar ze zelfs een standbeeld kregen. Ten zuiden van Yongchang, op de flanken van de Qilianbergen, bevindt zich een militaire paardenfokkerij op ongeveer 2.000 km2 grasland. Deze "ranch" is ouder dan Christus en dateert van de Han dynastie.

Gedurende de eeuwen nadien hebben vele volkeren dit gebied doorkruist, Mongolen, Arabieren (die, gemengd met de Han, de Hui bevolking opleverden), Tu en Tibetanen, deze laatsten in de 8e eeuw. Daarenboven zijn vele onderlinge kruisingen ontstaan. Mogelijks lette men toen minder op de etnische afkomst dan nu. Dit leverde een zootje mensen op waarvan men niet duidelijk kan zeggen of het Tibetanen, Han, Qiang, Tu of Mongolen zijn. De pro-dalailama groepen beschouwen dit gebied als deel uitmakend van "Cultureel Tibet". Er is een Tibetaanse tempel vlakbij het stadje Qilian. De Tibetanen organiseren ook elke zomer een paardenkoers in de graslanden van Tianzhu in het gelijknamige autonoom Tibetaans district.

18:53 Gepost door infortibet in groot Tibet | Permalink | Commentaren (0) | Tags: tibet, groot tibet, volkeren, qinghai

06-01-08

Herders langs de spoorlijn

 

Indrukken over de invloed van de nieuwe spoorlijn naar Lhasa op landbouw- en herderfamilies in de buurt van Golmud (in de provincie Qinghai) en tussen Golmud en de Tanggulapas (de overgang naar de autonome regio Tibet).

Enquêterapport

Jean-Paul Desimpelaere 

In augustus 2007 had ik de kans om families te interviewen langs de gloednieuwe spoorlijn Qinghai-Tibet. Het gaat om het tracé tussen de stad Golmud in de provincie Qinghai en de grens met de autonome regio Tibet op de Tanggulapas. Golmud was voordien het eindpunt van het spoornet dat de provincie Qinghai, via de hoofdstad Xining, met de rest van China verbond. Naar het zuiden toe, richting Tibet, was er enkel een nationale weg voor auto's en vrachtwagens. In 2006 werd de treinverbinding Golmud-Lhasa een realiteit, waarmee een einde kwam aan het feit dat Tibet de enige administratieve regio was in China die niet op het net aangesloten was. De spoorweg is een technologisch hoogstaande verwezenlijking. De totale lengte van het nieuwe deel Golmud-Lhasa is 1.142 km, waarvan er zich bijna duizend boven de 4.000m bevinden en 70 km zelfs boven de 5.000m. Viaducten totaliseren 156 km, om onstabiele ondergrond te overbruggen. Daar waar de spoorweg over bevroren ondergrond loopt zijn speciale technieken aangewend om de grond koel te houden in de korte zomer, zodat deze niet gaat schuiven. Er zijn nog tientallen meer technische details te geven, maar daar gaat dit rapport niet over. Ik geef er enkele die de context illustreren, want het onderzoek gebeurde in een streek vanaf Golmud tot in de nederzetting Tanggulashan, op de oevers van de Tutuohe, een bronrivier van de Yangzi, en in de aanloop naar de Tanggulapas, dus precies langs de eerste vijfhonderd kilometer spoorweg tussen Golmud en Lhasa. Het gebied is uiterst onherbergzaam, zeer droog en bevindt zich tussen de 4.000 en 5.000m, behalve Golmud zelf dat op 2780m boven de zeespiegel ligt. De streek ten zuiden van de Tanggulapas, in Tibet zelf, was me bekend en is natter en groener, dus gunstiger voor veeteelt en landbouw. Zij is ook dichter bevolkt. Vanaf Golmud tot aan de grens met de autonome regio Tibet woont echter haast niemand. Zelfs minder dan ik gedacht had. Reden hiervan is het "Sanjiangyuan" project. Het brongebied van de "drie grote rivieren", de Gele Rivier, de Yangzi en de Mekong is tot een beschermd natuurgebied uitgeroepen. De gemiddelde hoogte is er om en bij de 5.000m en het gebied is immens groot, bijna zo groot als Frankrijk. Daar leven ondermeer de Tibetaanse antilopen en de wilde ezels. De laatste decennia toonden er een groeiende woestijnvorming, door het opwarmende wereldklimaat, door overbegrazing en door de gestegen bevolkingsdruk. Sinds drie jaar worden de schaarse herders aangemoedigd om het gebied te verlaten. In het totaal voorziet de overheid om tegen 2010 100.000 mensen te helpen verhuizen. Men hoopt aldus de woestijnvorming binnen 10 jaar te kunnen ombuigen. Voor de herplaatste bevolking worden een honderdtal nieuwe dorpen gebouwd, de families krijgen een gratis woonst van 70 à 80 m2 en mogelijks een plastieken serre voor groenteteelt. De streek die we uitkozen voor het onderzoek bevindt zich voor een deel in het "Sanjiangyuan" gebied en een aantal families die we ondervroegen, had te maken met het hervestigingproject. Om nog een indruk te geven van de uitgestrektheid en het dun bewoonde van het gebied: de "stad" Golmud bestuurt een oppervlakte gelijk aan de helft van Groot-Brittannië, met slechts 270.000 inwoners, met méér dan de helft ervan in de stad zelf op ongeveer 50 km2.

Wij interviewden in het totaal 24 families, 11 in de omgeving van Golmud, 4 families afkomstig van de Tutuohe streek (Tanggulashan), maar die geëmigreerd waren naar Golmud, 6 families in Tanggulashan zelf en 3 onderweg. De laatste twee groepjes wonen dus nog in het te ontruimen gebied "Sanjiangyuan".

De keuze ging uit naar families van boeren en herders. Het is geen grootschalige sociologische studie, maar een eerste benadering van de vraagstelling, een reportage met getuigenissen. De beperkte schaal van het onderzoek liet toch toe om enkele relevante vaststellingen in het licht te brengen, zowel in direct verband met de hoofdvraag als volgend uit de context. Voor de organisatie van de bezoeken aan de families kreeg ik de welgekomen steun van het China Tibetology Research Center. Het Centrum stelde twee jonge universitaire onderzoekers ter mijner beschikking: de heren Zhang Yong Pan, socioloog van de Academy of Social Sciences, en Laxianjia, tibetoloog van het China Tibetology Research Center. Door hen verliepen de contacten met de families efficiënt en zij waren uitstekende notitie- en discussiepartners. Nooit interfereerden zij in de keuze van de te ondervragen families, die beslissing was mij ten volle gegeven door hun directe verantwoordelijke, professor dr Lian Xiang Min van het China Tibetology Research Center. Het onderzoek verliep absoluut niet ceremonieel en de families gaven vrijuit hun verhaal, hun opmerkingen en kritieken te horen. Daarnaast werden wij uiteraard ontvangen door de lokale politieke leiders van Golmud. Zonder veel economisch of politiek discours, maar eerder in de stijl van: "stel maar vragen". Bovendien hielpen zij ons logistiek met het vinden van een huurwagen en met logies in Golmud. Verder kwamen zij niet tussenbeide in de concrete realisatie van het project.

fam11

Welke families zijn geïnterviewd?

Als we de hoofdactiviteit van de 24 families bekijken, dan zijn er 8 hoofdzakelijk bedrijvig in de landbouw, 9 herderfamilies, 5 handelaren, 1 arbeidersgezin en 1 traditionele dorpsdokter. Van de 9 herderfamilies zijn er 6 die buiten de veeteelt geen nevenactiviteiten hebben. Bij de landbouwers echter zijn er slechts 2 families die uitsluitend van hun landbouwopbrengst leven. De anderen hebben ook vee, werken af en toe als handlangerinterim in de bouw of hebben een ander inkomen via de kinderen. De handelaren zijn rechtstreeks afhankelijk van de landbouw en/of veeteelt. Zelfs de dorpsdokter, aangezien zijn patiënten meestal boeren en herders zijn.

De grootte van de ondervraagde families, onder één dak wonend, is gemiddeld 5 personen. Het provinciale gemiddelde is 3,8. De steekproef, zelfs al is die zeer beperkt, sluit hier toch aan bij de realiteit, aangezien in landelijke gebieden, vooral waar etnische minderheden wonen, de huishoudens ongeveer 5 personen tellen (1) door de vrijstelling van geboortebeperking.

We bezochten 14 Tibetaanse, 8 Hui en 2 Han families. De herders zijn allen Tibetanen. Bij de landbouwers is er slechts één Tibetaanse familie, de overigen zijn Hui (vijf) en Han (twee). Van de vijf handelaren zijn er twee Hui en drie Tibetanen. De arbeidersfamilie is Tibetaans. De ondernemer en de dokter zijn Hui. De verdeling geeft een goed beeld van hoe de landelijke bevolking samengesteld is. Buiten de Han, die voornamelijk in de stad leven, zijn de twee grootste groepen de Tibetanen en de Hui. Althans voor de streek rond en ten zuiden van Golmud, want westwaarts is de Mongoolse minderheid in de meerderheid. Kleinere groepen zijn de Tu, de Salar, Uyguren en zelfs Kazakken, kortom een patchwork van bevolkingsgroepen, zoals de provincie Qinghai altijd is geweest. Het is ook typerend dat proportioneel weinig Tibetaanse families actief zijn in de landbouw. In die streek zijn ze traditioneel herders. Dat is niet zo voor de meeste andere gebieden waar de Tibetanen leven, waar minstens een combinatie van veeteelt en landbouw aanwezig is. De reden ligt voor de hand, het gebied is bijzonder droog, slechts 20 à 65 mm neerslag per jaar. Zelfs voor grote yakkuddes is dit een probleem, vandaar dat de bezochte herderfamilies meer op het houden van schapen gericht zijn. Gemiddeld hebben de negen herderfamilies elk 700 schapen en 45 yaks voor een oppervlakte van 5.000 ha (50 km2) per familie (het grootste graasland bedraagt 8.000 ha, het kleinste 3.300 ha). Het diversifiëren van de activiteit van de herderfamilies zit er nu versneld aan te komen door de ontvolking van het hoger vermelde "Sangjiangyuan" gebied. De boeren vonden we in dorpen nabij Golmud.

De naam Golmud komt uit het Mongools en betekent "plaats waar rivieren samenkomen". Van die rivieren moet men zich niet veel voorstellen, het zijn meer beken dan rivieren. Ze komen van ver, bvb als gletsjerwater uit de Kunlun bergen,  200 km ten zuiden van de stad. De rivieren eindigen in de zoutmeren van het Qaidam bekken. Enkele ervan geven wat mogelijkheid tot irrigatie bij hun doortocht in Golmud. Vandaar de landbouw, serres inbegrepen, nu meer dan genoeg om de bevolking van graan en groenten te voorzien.

Hoe lang wonen de families al waar ze nu wonen?

Enkel 6 (van de 14) Tibetaanse families wonen nog op de voorvaderlijke grond. De 8 overige waren de laatste twintig jaar van vestigingsplaats verander. Eén Tibetaanse familie kwam acht jaar geleden vanuit het noorden, uit Ledu in de buurt van Xining, naar een dorpje langs de baan, onderweg tussen Golmud en Lhasa, om er en winkeltje te openen. In het dorpje is nu ook een klein treinstation, voorlopig enkel een technische stopplaats voor treinen, er is geen goederen- noch personenvervoer van daaruit. De familie bedreef vroeger landbouw. Met hun winkeltje nu verdienen ze duidelijk meer, tot 20.000 yuan per jaar. Over één ding zijn ze niet tevreden. Namelijk dat er in hun baandorp geen lagere school is. Hun twee dochters, tien en veertien jaar oud, hebben nog nooit school gelopen. Het probleem is dat de vrachtwagenstops tussen Golmud en Tanggulashan er wild konden groeien. Er is geen autoriteit die ze bestuurt. De kleine chaos is navenant: slordige barakken, bijna geen toiletten, rioolmodder, open vuilnisbelt rond de huizen, geen elektriciteit via het net dus lawaaierige en vervuilende dieselgeneratoren, geen kraantjeswater, kwistige verbranding van kolen voor de verwarming en geen school. Die baanstops zijn nochtans onvermijdelijk op dit lange, hoge en trage traject van 500 km. Vrachtwagens vorderen niet sneller dan 20 à 30 km per uur. Er is nood aan kleine restaurants, winkeltjes, kleine herstelplaatsen en slaapgelegenheid voor de minstens honderd vrachtwagenchauffeurs en hun evenveel begeleiders per dag. En dan hebben we de bussen en de personenwagens nog niet meegeteld. Een argument dat dit enigszins tegenspreekt is dat de overheid voorziet dat het vrachtvervoer over de baan met 80 % zal afnemen en per trein zal gebeuren. Het voorlopige gebrek aan planning en bestuur van wat er langs de weg gebeurt, steekt scherp af tegen de gloednieuwe moderne spoorweg, die er op één à twee kilometer parallel mee is. In het dorp Tanggulashan is er wel planning, maar enkel voor de herderfamilies van het oorspronkelijke dorp, want ook hier is naast het oude dorp een lint van kleine diensten langs de baan op dezelfde manier wild gegroeid als onderweg, met dezelfde onverzorgde karakteristieken. Een vierhonderdtal personen zijn er actief in. Er is wel een lagere school. Het deel van het dorp waar de herders wonen, ligt wat afzijdig van de baan en is wel verzorgd. Een kleine betonnen weg leidt er naartoe, erin en er rond. De herderfamilies kregen elk een kleine zonnepaneleninstallatie cadeau van de overheid.

Terugkomend op de Tibetaanse families die recent verhuisden, kunnen we de 4 families vernoemen die twee tot drie jaar geleden uit Tanggulashan wegtrokken om een gratis huis te betrekken in de omgeving van Golmud, dit in het kader van het "Sanjiangyuan" project. Zie ook verder pag. 11.

Daarnaast zijn er nog twee Tibetaanse herderfamilies, die twintig jaar geleden vanuit Tibet naar Tanggulashan uitweken, één uit de streek rond Lhasa en één uit Qamdo in Oost-Tibet. Hun motief was: teveel herders in Tibet door de snelle toename van de Tibetaanse bevolking, geen plaats genoeg meer voor het groeiende aantal kuddes.

Ten slotte is er een Tibetaanse boer die zich 18 jaar geleden in de buurt van Golmud vestigde. Interessant om even apart te bekijken. Hij kwam uit een arme landbouwstreek in de buurt van het Ta'ersi (Kumbum) klooster nabij Xining. In de tijd toen hij verhuisde kreeg hij de kans, omwille van zijn groot gezin met 4 zonen en drie dochters, om een groot stuk land van twee hectare in gebruik te nemen. Voordien was hij al in Golmud komen werken als seizoenarbeider voor andere boeren. Hij leerde de groenteteelt. Zijn landbouwbedrijfje is nu redelijk gediversifieerd met graan, groenten en schapen. Want drie van zijn zonen trekken nog de Nanshan en Kunlun bergen in met 800 schapen. Zijn familie-inkomen ligt rond de 20.000 yuan per jaar. In 2000 had hij zich een groot nieuw huis gebouwd. Een erediploma prijkt boven de deur naar zijn slaapkamer: "geraakte op eigen krachten uit de armoede".

De 10 Hui of Han families wonen gemiddeld sinds 18 jaar op dezelfde plaats, in de omgeving van Golmud. Behalve Tibetanen uit het "Sanjiangyuan" gebied, is er van nieuwe instroom geen sprake. De stad Golmud kende haar grote uitbreiding in de tweede helft van de jaren tachtig, vanaf het moment dat de spoorlijn van Xining naar Golmud in werking was. Alle grote lanen werden tien jaar geleden gemoderniseerd en tal van nieuwe huizenblokjes verrezen. Het geheel goed gepland, met veel ruimte en groen. Tijdens de constructie van de spoorweg dikte de bevolking tijdelijk aan met 30.000 migrantwerkers. Die zijn ondertussen weer vertrokken. Toen was er meer te doen, nu staan er heel wat handelszaken leeg, recente gebouwen van einde jaren negentig. Nieuwe woonappartementen kosten ongeveer 800 yuan (2) per m2.

De economische context van Golmud

Golmud kreeg vorm als klein stadje in 1954, toen de nationale weg naar Lhasa aangelegd werd. Maar er was ook zout te ontginnen. Het grootste meer van zout in China bevindt zich ten noorden van de stad, bijna 6.000 km2 groot, indrukwekkend. Het zout ligt er voor het opscheppen. Uit het zout worden ondermeer jodium en kaliumcarbonaat gewonnen, de grootste Chinese fabriek daarvoor bevindt zich in Golmud. In het nabije Qaidam bekken is er enige aardgas- en petroleumontginning. Een raffinaderij in Golmud zorgt ervoor dat er via een pijplijn brandstof beschikbaar is in Tibet. Verder nog een fabriek voor polyethyleen en polipropyleen en dan hebben we het ongeveer gehad. De rest zijn kleinere ateliers, zoals steenbakkerijen of tapijtfabriekjes. Bij een ingeweken - door het "Sanjiangyuan" project - Tibetaanse familie is de moeder als arbeidster werkzaam in een dergelijk tapijtfabriekje. Zij verdient er 60 yuan per dag, maar werkt zeven dagen op zeven, feit dat we niet aan de Chinese vakbond mogen vertellen. Daardoor verdient ze wel evenveel per maand als een fabrieksarbeider in Beijing. In Tanggulashan, waar ze twee jaar geleden nog woonden, was de familie er niet beter aan toe. De man was arbeider in een primitieve kolenontginning. De zoon hoedde schapen voor anderen. Zij hadden nauwelijks genoeg om te overleven. Daarom gingen zij in op het voorstel om het "Sanjiangyuan" gebied te verlaten en aan de natuur terug te geven. Een gratis huis in de omgeving van Golmud - zelfs de sofa's werden hun geschonken omdat ze niets bezaten - en onderwijs voor de kinderen trok hun aan. Beide ouders hebben werk in de stad, krijgen bovendien een overheidssteun van 500 yuan per maand, maar de zoon verveelt zich en heeft heimwee naar de vrijheid van de graaslanden. Als achttienjarige volgt hij nu lager onderwijs. Zijn oudere zus is non, om aan de kost te komen, en zijn jongere zus zit min of meer normaal op school. Het Chinese socialisme is geen gratis massaal banket waar iedereen zomaar zonder inspanning aan tafel aanschuift en zich naar genoegen tegoed doet. Het is hard werken en mogelijkheden zoeken. Het geheel van grote centrale overheidsbeslissingen in China, samen met de maatregelen van de lokale overheden en de vindingrijkheid van bevolking brengt een aardige evolutie mee. Met successen en hiaten. Armoedebestrijding is een werk van lange adem in China, met jaarlijks vrij goede resultaten sinds een paar decennia. Eén jaar is niets in China en tien jaar is zéér veel. De centraal geleide "socialistische markteconomie" laat visie toe.

Golmud heeft de ambitie om een welvarend "Salt Lake City" van China te worden. Er zijn veel basisgrondstoffen te vinden voor de scheikundige industrie en enkele belangrijke ertsen voor de metaalnijverheid, maar weinig is ontgonnen. Een openlucht ijzerertsmijn is recent in werking getreden. Productie van het belangrijke metaal lithium, ook in het zoutmeer te vinden, is experimenteel opgestart. Proportioneel neemt het aantal arbeiders toe in Golmud. Duizenden personen per jaar volgen een speciale technische opleiding in cursussen georganiseerd door de vakbond en de vrouwenfederatie of in de "stedelijke school voor technologie". Het aantal landbouwers, ongeveer 20.000 mensen in de omgeving van de stad, blijft gelijk. Zowat de helft van de bevolking van het gebied in en rond Golmud, is actief in de kleinhandel en de kleine productie. Een voorbeeld zijn de jaden decoratie- en kunstwerkjes. Jade is namelijk te vinden in de Kunlun bergen, maar het zoeken ervan is nog vrij primitief, door quasi éénpersoonsexpedities. De overheid heeft het plan om het iets meer georganiseerd aan te pakken. Zo ook het commercialiseren van een grote bron in diezelfde Kunlun bergen, in de vorm van mineraalwater. Het Kunlun gebergte is trouwens een toeristische troef, die de lokale overheid eveneens wil uitspelen, maar dan zal er toch enige infrastructuur langs de nationale baan moeten komen. Qua energie hebben de meeste gebouwen zonneconvectoren op het dak voor warm water. Een eerste windmolenpark is aanbesteed, met een capaciteit van 50 megawatt. Maar verder is de huisverwarming en het keukenfornuis op kolen gebaseerd.

Wie had iets te maken met de aanleg van de spoorweg?

Van de 24 families zijn er 11 waarvan minstens één lid meewerkte aan de constructie van de nieuwe spoorweg. Vijf boerenfamilies, drie herderfamilies, twee handelaren en het ene arbeidersgezin. Bij 6 van de 11 was het één van de zonen, bij 2 was het een dochter en slechts bij 3 gezinnen ging het om het familiehoofd zelf. De twee dochters kwamen uit twee herderfamilies. Wij hadden de indruk dat de landbouwerfamilies uit de omgeving van Golmud meer de neiging of de gelegenheid hadden om iemand vrij te maken voor hulp aan de constructie (5 op 8) dan de herderfamilies (3 op 8).

Vier families leverden iemand voor eenvoudige handenarbeid, aarde en stenen laden en spreiden. Zij verdienden elk 40 tot 50 yuan (2) per dag, wat iets minder is dan het gemiddelde salaris van een constructiearbeider in de provincie Qinghai (3), maar toch bijna evenveel als wat de ganse familie geldelijk aan hun veestapel of landbouw verdient (4).

Bij wie in het transport actief was, hing het inkomen af van de eigen middelen: bezit men zelf zijn vrachtwagen of niet, gaat het om een vrachtwagen of een klein karretje? Eén Hui boerenfamilie heeft een zoon die als vrachtwagenchauffeur in loondienst voor een baas werkt. Drie jaar lang moest hij opdrachten uitvoeren voor de constructie van de spoorweg. Zijn dagloon lag rond de 60 yuan, wat zijn oude vader "een goed inkomen" noemt.  De zoon is getrouwd en heeft vier kinderen. Niet allen hebben een talrijk familiegeluk. Wij waren op bezoek bij een zachtaardige jonge veertiger, een Hui boer. Die heeft slechts twee kinderen en woont in een pover huisje met één grote ruimte waar alles gebeurt. Een kleine televisie en een vloer van stoffig half beton. Zijn vrouw was jong gestorven, hij zat enkele jaren in de dieperik, was nu hertrouwd en kwam wat op kracht. Met een kleine tractor had hij zand en stenen vervoerd voor de aanleg van de spoorweg, voor 100 yuan per dag. Dat is al iets meer dan de pure handenarbeid.  Maar anderen verdienden nog méér. Een Tibetaanse herdersfamilie in Tanggulashan bezit een kleine vrachtwagen. Eveneens voor het vervoer van aarde, zand en stenen verdienden zij 250 yuan per dag, goed voor 60.000 yuan gedurende 1 jaar. Dan komen we bij de grotere vrachtwagenbezitters. Een Hui familie bezit er drie. Die dienen voor transport tussen Golmud en Lhasa, elk zes maal per maand op en af, vijftien jaar lang. Maar tijdens de aanleg van de spoorweg werden ze ingezet om materialen aan te voeren. Zijn inkomen klom gedurende die periode van rond de 100.000 naar 200.000 yuan, eveneens gedurende 1 jaar. Met een dergelijke som ben je rijk in Golmud.

Weinig structurele verandering in de activiteit, eerder een tijdelijke meerverdienste

De families die direct meewerkten aan de constructie van de spoorweg hadden gedurende één tot drie jaar een niet te verwaarlozen bijkomend inkomen. Hun gewone landbouwactiviteit of veeteelt ging ondertussen verder. Slechts twee families tot op heden kenden na de aanleg van de spoorweg een structurele verandering in hun activiteit.

Een matig voorbeeld is een Tibetaanse herdersfamilie die met de meer verdiende centen een theehuis opende in Tanggulashan. De dochter had een paar jaar meegewerkt aan de spoorwegberm en met het verzamelde geld openden ze het bescheiden theerestaurant twee jaar geleden. Hoewel, zij hadden ook een nieuw huis gebouwd in de graaslanden, 100 km daarvandaan, te paard. Niet allen waren blijkbaar willens om te verhuizen naar Golmud en daardoor het "drie-rivieren-gebied" ("Sanjiangyuan") aan de natuur terug te geven. Een andere Tibetaanse herdersfamilie had in Tanggulashan een theehuis geopend in 2001, nog voor de constructie van de spoorweg begon. Zij kregen veel klanten over de vloer tijdens de werken. Nu is dat minder. De dame wil wel naar Golmud verhuizen als zij de kans gunstig ziet om daar een succesvol theehuis te beginnen. Haar man gaat ondertussen door met het hoeden van de kudde - 700 schapen en 70 yaks op 3.500 ha familiegrond - samen met twee betaalde helpers. Het is een jong koppel met één kind, dat in Golmud school loopt. Hun inkomen, kudde en theehuis samen, bedraagt ongeveer 20.000 yuan per jaar, wat niet mis is voor de streek. Van het theehuis moet men zich niet groots voorstellen, het gaat om één barakruimte voor een twintigtal personen.

Dan is er nog een Han familie, die een structurele verandering in hun activiteit meemaakten en niet een kleine. In het vooruitzicht van de aanleg van de spoorweg leende de zoon geld bij de bank en kocht een vrachtwagen, een bulldozer en een graafmachine. Drie jaar kon hij ze inzetten tijdens de constructie. Zij brachten hem 200.000 yuan per jaar op. Een kleine nieuwe rijke. Met de opbrengst heeft hij nu zijn machinepark uitgebreid tot elf. De moeder is fier. Dertig jaar geleden verhuisden zij van de armere streek Huangyuan in de omgeving van het Qinghai meer naar Golmud. Zij waren bij de eersten om zich daar als boer te vestigen, kregen daardoor een relatief groot stuk grond - 1 hectare voor tarwe en koolzaad - toegewezen en bouwden aldus een ietsje beter leven op. De vader werkte bij het agentschap voor landbouwmachines en dat zette de zoon op het goede spoor. Hij begon met één vrachtwagen, nog voor de aanleg van de spoorweg. Maar de aankondiging van de constructie deed hem de sprong wagen. Zijn bedrijfje draait en de moeder reist: Shanghai, Suzhou, Hainan, Singapore, Thailand. Het decor van hun salon getuigt ervan: een driekleurig porseleinen paard van Luoyang, zijdeborduurwerk van Suzhou, mooie grote jaden stenen en foto's van de provincie Yunnan. Hun hectare grond verhuren ze nu aan anderen. Zes personen delen in de lokale weelde: zij en haar man, de zoon met zijn vrouw en hun twee kinderen.

De gastheer van de Hui familie met hun drie vrachtwagens echter klaagt en zegt dat hij een vrachtwagen zal moeten verkopen omdat er nu meer goederen via het spoor naar Lhasa vervoerd worden en dat hij daardoor minder te doen heeft dan vroeger. Maar hij was al rijk tevoren en bovendien verdiende hij flink wat meer tijdens de constructie. Zijn plan is om nu een goudhandeltje op te zetten. Ter illustratie van zijn comfortabele levenssituatie is er het feit dat hij een groot nieuw huis liet bouwen in 2001, modern uitgerust en rijkelijk versierd. Een zware uitgavenpost zijn ook de studies van zijn drie zonen, waarvan er reeds twee aan de universiteit studeren. Dat zij goed mogen lukken in het leven ligt hem het nauwst aan het hart. Hoewel hij al zeer dikwijls in Lhasa kwam met de vrachtwagen, wil hij wel eens als toerist de comfortabele trein nemen en wat rondreizen in Tibet. Tweeëntwintig jaar geleden week hij uit naar Golmud, komende van een zeer arme streek in Gansu. Hij begon er als boer op een klein lapje grond van 2 mu (5), dat hij nu enkel nog gebruikt als groententuin.

Als laatste nog te vermelden is een Tibetaanse boerenfamilie waarvan de zoon al bij de spoorwegen werkte nog voor de verlenging van de lijn naar Lhasa. Hij doet sinds 1983 dienst als verkeersleider in het station van Golmud.

Slotsom is dat ongeveer de helft van de ondervraagde families iemand vrijmaakten voor een tijdelijk werk bij de aanleg van de spoorweg, dat dit hun een tijdelijke mooie meerverdienste opleverde, maar slechts bij twee families een wezenlijke verandering in hun activiteit nadien, waarvan er eigenlijk maar één echt in het oog springt, namelijk de familie die in graafmachines en vrachtwagens investeerde. Niemand stopte zijn gewone activiteiten tijdens de constructie, de "helpende handen" waren tijdelijke vrije handen: één of twee leden van de familie. De gewone werkactiviteit gaat dan ook verder nu na de constructie. Behalve voor de familie die van boer naar ondernemer voor wegenwerken groeide en wellicht voor de Hui familie die het minder ziet zitten met zijn drie vrachtwagens.

Welke invloed heeft de nieuwe spoorlijn op het leven van de ondervraagde families?

De vraagstelling liet toe om te kiezen tussen "geen", "weinig", "veel" of "zeer veel". Uit het bovenstaande kan al blijken dat we niet verwonderd moeten zijn over het resultaat. 15 op de 24 families zeggen "geen invloed", 4 antwoorden "weinig", 4 kiezen voor "veel" en één familie voor "zeer veel". Die laatste is uiteraard de familie die tot ondernemer voor wegenwerken uitgroeide. Bij het antwoord "veel invloed" vinden we de man met zijn drie vrachtwagens en de Tibetaan waarvan de zoon als verkeersleider bij de spoorwegen werkt. Verder nog twee families waarover tevoren nog niet veel gezegd is en het belichten waard zijn.

Er is de privé-dokter van Hui nationaliteit uit de omgeving van Golmud. Hij heeft een minidispensarium met slechts enkele ziekenbedden. Zijn specialiteit is gebroken beenderen genezen, op traditionele wijze. De vaardigheid verwierf hij op achttienjarige leeftijd van zijn vader, die het op zijn beurt van zijn vader had. In 1985 verhuisde hij van Linxia, in de nabijheid van het Labuleng klooster in de provincie Gansu, naar Golmud. Hij kreeg er 3 mu (4) landbouwgrond ter beschikking voor zijn eigen graan en groenten. Maar het verzorgen van patiënten met gebroken beenderen is al lang zijn hoofdactiviteit, waarmee hij ongeveer 40.000 yuan per jaar verdient. Tijdens de werken aan de nieuwe spoorweg had hij beduidend meer patiënten. Golmud telde tijdens die periode 30.000 inwoners méér dan nu, hoofdzakelijk tijdelijke werkkrachten voor de aanleg van de spoorlijn. Gedurende een bepaalde periode van de werken werd hij ook mee uitgenodigd langs de spoorlijn om ter plaatse te helpen bij ongevallen. Zijn faam vergrootte, meer patiënten komen nu naar hem toe, zelfs Hui families uit Lhasa, met de trein. Hij bezit een mooie camionette, die kan dienst doen als ziekenwagen. Zijn dochter heeft een goed draaiend klein restaurantje in de omgeving van het station van Golmud, wel met minder klanten dan tijdens de constructiewerken. Zijn zoon is hetzelfde lot beschoren als zijn vader: de dokterslijn voortzetten. De bevinding van de Hui dokter is: "veel invloed" van de spoorlijn.

Een vierde familie die hetzelfde verklaart is een handelaarfamilie, ook van Hui nationaliteit. De man is 55 jaar oud, woont met zijn gezin in een zeer verzorgd nieuw huis, waarbij zelfs de binnenkoer rijkelijk geplaveid is. Het bouwen ervan kostte hem 170.000 yuan, niet te vergelijken natuurlijk met de prijzen in Beijing en andere grootsteden waar de prijzen tot tientallen keren hoger zijn. Hij heeft twee zonen, waarvan er één met vrouw en kind bij hem inwoont. Tien jaar geleden zakte hij af vanuit Minhe, een arme streek ten zuiden van Xining, naar hier in Golmud. Gezien hij zo laat naar Golmud emigreerde was er geen grond meer beschikbaar voor landbouw, alles was verdeeld. Maar hij heeft een andere activiteit. Hij koopt voor 50.000 yuan 300 lammeren ineens, die hij tijdens enkele maanden op een weide, die hij huurt, vetmest en dan weer verkoopt om geslacht te worden. Dat doet hij tweemaal per jaar. Zijn twee zonen werken met hem samen. Hij heeft een eigen vrachtwagen om een deel van de schapen in Lhasa te verkopen. Waarom vindt hij dat de trein "veel invloed" had op zijn activiteit? Wel, de vraag naar schapenvlees vanuit Lhasa is gestegen, er zijn veel meer toeristen in Tibet, door de trein. En schapen verkopen in Golmud ziet hij ook zitten: "Er zijn in Golmud ongeveer evenveel schapen als inwoners en één schaap per persoon per jaar is niet voldoende."

Tot daar de getuigenissen van "veel invloed".

Komen we bij de vier maal "weinig invloed". De twee Tibetaanse herderfamilies met hun theehuis in Tanggulashan zitten in deze categorie. Een andere Tibetaanse herderfamilie, redelijk rijk, heeft gewoon als argument dat er meer dingen te koop zijn nu de spoorlijn operationeel is. Bij de vierde zijn er enkele neveninformaties het vermelden waard. Het gaat om een Tibetaans herdersgezin onderweg tussen Golmud en Tanggulashan, in een dorpje dat grotendeels verlaten is door de verhuizingpolitiek omwille van de bescherming van het "drie-rivieren-gebied". Vroeger woonden er tien families, nu nog drie. Hij bleef er met zijn vrouw en kind en een kudde van 500 schapen en 70 yaks. De spoorweg nam een deel van zijn graasland in beslag. Daarvoor kreeg hij een vergoeding van 20.000 yuan of 4.000 yuan per km. Voor hem is dit de reden om te zeggen dat de spoorlijn een beetje invloed had op zijn bestaan. Wellicht ook de reden waarom hij daar nog blijft wonen. Zijn huis is schamel en oud, hoewel binnenin een grootscherm televisie op een ereplaats onder een Mao-poster aanwezig is. Van de lokale overheid kreeg hij gratis een paar zonnepanelen en een voltageregelaar om zich in elektriciteit te voorzien. Zijn jaarinkomen van 10.000 yuan is aan de lage kant maar stabiel, zegt hij, zowel voor, tijdens als na de aanleg van de spoorweg. Hij vermeldt dat de graaslanden droger worden, dat de woestijnvorming een bedreiging vormt en dat de pika's - iets tussen de marmot en de rat - te talrijk worden en het weinige gras wegknagen. Door de droogte vindt hij ook geen "caterpillar fungi" meer, de goudmijn van vele Tibetaanse families. Toch wil hij blijven waar hij is, ondanks de stimulansen om te verhuizen. Zijn verwarmingskachel werkt met kolen en yakdrollen.

"Geen invloed".

Zoals gezegd zijn zij in de meerderheid, in het totaal 15 op 24 met 6 op 8 voor de landbouwers, 5 op 9 voor de herderfamilies, 3 op 5 voor de handelaren, plus de arbeidersfamilie. Zelfs al werkte iemand van de familie tijdelijk mee tijdens de aanleg van de spoorweg, wat het geval is voor 5 van de 15 "neen" stemmen. De vijf, die aan de spoorwegconstructie meewerkten en toch zeggen dat die van geen invloed is op hun leven, hebben gewone handenarbeid verricht of een klein vervoermiddel gebruikt voor de aanvoer van aarde en stenen. Voor hen was het blijkbaar een klein extra werk, dat ze eveneens geregeld in de stad opzoeken. De arme Hui boer bvb, die jong zijn eerste vrouw verloor, was gewoon om met zijn kleine tractor bij te klussen in de stad, voor 30 yuan per dag. Ook voor de zoon van een andere familie en chauffeur in loondienst van een vrachtwagen maakte het niets uit of hij voor de spoorweg moest vervoeren of voor iets anders, zijn loon bleef hetzelfde. De drie overigen betreft handenarbeid.

En subjectief besluit van mijnentwege kan hier zijn dat bij de aanleg van de spoorweg te weinig arbeidskrachten de kans kregen om een opleiding te volgen, al was het een korte, voor iets wat ze tevoren nog niet konden doen. De overheid wil herders uit het "drie-rivieren-gebied" delokaliseren om het ecologische evenwicht daar te herstellen, wat prijzenswaardig is. Maar tegelijk wordt het onderhoud van de spoorweg uitgevoerd door werkers, die per bus vanuit Golmud aangevoerd worden en ergens langs de spoorlijn voor enkele maanden logeren. De logica hiervan zal me voorlopig ontgaan zijn, maar ik vroeg me gewoon af waarom niet méér herderfamilies ter plaatse omgeschoold worden voor een werk dat er voorhanden is en dat het ecologische evenwicht minder bedreigt dan het blijven voortdoen met hun grote kuddes. Als voorbeeld kunnen we een Tibetaanse familie uit Tanggulashan aanhalen. Een koppel, geboren in de streek, twee zonen, één dochter en drie kleinkinderen. Zij hoeden 800 schapen en 20 yaks op een oppervlakte van 8.000 ha. Hun familie-inkomen ligt rond de 20.000 yuan per jaar, wat redelijk goed is. De dochter verrichtte gedurende 1 jaar eenvoudige handenarbeid bij de aanleg van de spoorweg. De huisvader is 50 jaar oud en wil later wel naar Golmud gaan wonen met zijn kleinkinderen om hun studies te begeleiden. Maar hij wil dat zijn zonen en zijn dochter in Tanggulashan blijven om er de veeteelt verder te zetten en voor een inkomen te zorgen, ondanks de verhuizingpolitiek. Het enige motief dat aanspreekt om de streek te verlaten is de opvoeding voor de kinderen. Maar omschakeling naar een ander werk en inkomen is voorlopig afwezig. Voor hen had de nieuwe spoorlijn dus "geen invloed".

Bij een andere Tibetaanse familie uit Tanggulashan was het al zover: de grootouders en de kleinkinderen woonden in de omgeving van Golmud, terwijl de kudde gewoon doorging in de Tanggula streek met de zonen en de dochters. Het is een rijke familie, die bovendien uitsluitend van de veeteelt leeft. De familie telt twaalf personen, waarvan enkel twee grootouders en enkele kleinkinderen naar Golmud uitweken, waar ze van de overheid een gratis woonst in eigendom kregen. Een huis dat trouwens door de familie comfortabel ingericht is, met tapijten, DVD-installatie, grote veranda en dies meer. De rest van de familie beheert in Tanggulashan een grote kudde van 1.000 schapen en 100 yaks. Eén van de kleindochters is ondertussen afgestudeerd aan de Qinghai universiteit, maar vindt sinds één jaar geen werk. Het probleem van de werkgelegenheid vinden we bij andere Tibetaanse families die naar Golmud uitweken net zoals bij Hui of Han families die al langer in de omgeving van Golmud verbleven.

Apart van de vraag over "geen" tot "zeer veel" invloed, vroegen wij aan de families of zij enige hinder ondervonden tijdens de werken of een negatieve invloed zien nadien. Niemand klaagt over ondervonden hinder. Nu de spoorlijn operationeel is vermelden vooral de inwoners van Tanggulashan dat er iets minder bussen rijden tussen Golmud en Lhasa, waardoor er dus minder stoppen in hun dorp. Algemeen komt de tijdelijk verlaagde activiteit ter sprake, zowel in de stad Golmud als onderweg naar Lhasa. Golmud was bruisend tijdens de constructiewerken en is dat nu duidelijk minder. Het is wachten op de bloei van China's "Salt Lake City". Bij navraag over gestegen prijzen voor consumptiegoederen tijdens de constructieperiode, blijkt niemand problemen ondervonden te hebben, integendeel, sommige boeren of herders konden hun producten gemakkelijker en soms voor een betere prijs verkopen.

Gemiddeld inkomen

Als we de drie families die zéér veel verdienen en de drie die zéér weinig verdienen buiten beschouwing laten, dan ligt het gemiddelde van de overige families rond de 25.000 yuan per jaar. De kleine steekproef is natuurlijk niet representatief genoeg voor algemene conclusies. Voor het district Golmud lag het gemiddelde inkomen in 2005 op 17.000 yuan per jaar en per familie voor de landelijke bevolking (6). De hoge inkomens onder onze ondervraagde families kennen we ondertussen: een ondernemer voor wegenwerken, een familie met drie vrachtwagens en een schapenhandelaar. Hun inkomens liggen boven de 100.000 yuan per jaar. Interessant is ook het bekijken van de drie lage inkomens van slechts 3.000 à 4.000 yuan per jaar.

Eén ervan is een oud Hui koppel - 70 jaar - waarvan de twee zonen uit huis zijn. Zij hebben 3 mu landbouwgrond en maken daar een klein beetje geld mee. Een van de zonen is uitgeweken naar Xiamen, in het zuiden van China, waar hij een restaurantje heeft met Qinghai noedels als specialiteit.

Een tweede is een half sociaal drama. Een grootmoeder leeft - sinds haar geboorte -in Tanggulashan, nu met haar enige dochter, die een onwettige zoon heeft, momenteel 13 jaar oud. Zij bezitten slechts 100 schapen en 20 yaks, die ze dan nog verhuren aan iemand anders om ze te hoeden. Een pover huis met een vloer van gestampte aarde, hoe kan het anders met hun karig inkomen van 4.000 yuan per jaar.

Een derde familie, ook in Tanggulashan, bestaat uit zes personen, twee ouders, twee kinderen en twee kleinkinderen. Hun enig bezit zijn 400 schapen op 3.000 ha barre grond. Geen nieuw huis, een arm interieur, een klein-scherm-televisie uit de jaren vijftig en één moto. Hier ook zonnepanelen geschonken door de overheid. Hun vooruitzicht voor volgend jaar is verhuizen naar Golmud voor de opvoeding van de kleinkinderen, die al 8 en 12 jaar oud zijn.

Terugkomend op de verhuizingpolitiek uit het "Sanjiangyuan" gebied

DSCN2626

De bestrijding van de woestijnvorming in het brongebied van de "drie grote stromen" is een noodzaak. Het stoppen van begrazen en het verhuizen en herscholen van herders zeker ook. Ongeveer 700 families gingen op het verhuizingbeleid in. We hebben met vier families gepraat, die recent uitweken. Er zijn met overheidsgeld twee kompleet nieuwe dorpen gebouwd in de omgeving van Golmud, één voor 128 families en een tweede voor 240. Een gratis huis wordt ter beschikking gesteld voor hen die bereid waren om de stap te wagen en zij krijgen bovenop nog een leeftoelage van 500 yuan per familie en per maand gedurende tien jaar. De mensen zijn erkentelijk. Wat hun aantrok was de mogelijkheid voor beter onderwijs voor de kinderen en dat is er. Eén probleem voor hen is niet opgelost: werk vinden, voor henzelf of voor de afgestudeerde kinderen. Zoals een ex-herder ons vertelde: "Voor wij verhuisden hebben kranten en informatiebrieven ons werk voorgespiegeld in Golmud, maar wij hebben geen stabiele baan, wij zijn niet gewend aan het stadsleven, er zijn taalproblemen om in een bedrijfje te werken, wij hebben geen enkele technische vaardigheid, rest ons handlanger in de bouw, maar daar zijn er kleine ondernemers die ons te laat of niet betalen." De man had vroeger 80 yaks en 700 schapen in de Tutuohe streek. Bij goed weer, dat wil zeggen: wanneer het gras welig was, verdiende hij tot 30.000 yuan per jaar. Zijn familie-inkomen ligt nu lager, hij teert op de verkoop van zijn kudde. Zijn twee zonen en zijn twee dochters volgen hoger onderwijs in Golmud, wat hem tevreden stelt. Dat is zijn grootste zorg, een goede toekomst voor hen. Hij is tevens de verkozen "burgemeester" van het nieuwe Tibetaans dorp in de omgeving van Golmud. Daarvoor krijgt hij een jaarlijkse vergoeding van 2.000 yuan. Amper 200 euro, de vergelijking met burgemeesters in Europa gaat niet op, zelfs al brengen we de levensniveaukost op gelijke hoogte.

Vier herderfamilies in Tanggulashan geven expliciet te kennen dat zij er niet weg willen. Een vijfde familie - die met hun Tibetaans theerestaurantje in Tanggulashan - wil wel naar Golmud emigreren wanneer zij de kans zien om daar een rendabel theehuisje te openen, niet vroeger. Van de zes geïnterviewde families, die nog in Tanggulashan wonen, heeft er eigenlijk slechts één het plan om naar Golmud uit te wijken. Er wonen nog 1.600 mensen als herders in de streek en 400 in de diensten langs de grote baan.

Dongcun, het oudste landbouwersdorp in de omgeving van Golmud

In Dongcun wonen 1037 families op 600 hectare, Han, Hui, Tibetaans, Mongools en Tu door elkaar, eigenlijk zoals geheel Golmud een mengelmoes is van diverse nationaliteiten. Zeventig procent van de productie van het dorp is graan, dertig procent zijn groenten in serres. Slechts een tiental families zijn tegelijk herders. In de zomer hebben ze irrigatiewater uit de bergen, in de winter gebruiken ze putwater. Velen klussen bij in de bouw in de stad. Een vijftigtal families werkten mee aan de bouw van de spoorweg. Door de spoorlijn naar Lhasa kunnen zij méér producten in Tibet verkopen en aan lagere prijs door de lagere transportkost. Dat is ongeveer alles wat de nieuwe spoorlijn voor hen betekent. Typisch is ook dat dikwijls één van de kinderen een baan buiten de landbouw gevonden heeft. Eén van de bezochte families bvb, reeds 23 jaar in Dongcun, heeft een zoon die als arbeider in de potasfabriek (kaliumcarbonaat) werkt. Het familie-inkomen vaart er wel bij, ongeveer alle families bezitten een kleine bestelwagen en bijna alle huizen in Dongcun zijn gedurende de laatste tien jaar nieuw gebouwd of vernieuwd en comfortabel ingericht. In een ander dorp, een "niet-hukou" dorp, is dit niet algemeen het geval, er is minder geplande urbanisatie, wel elektriciteit en watervoorziening. "Hukou" is "een werkvergunningvoor onbepaalde tijd, gekoppeld aan een vaste verblijfplaats", vroeger "behoren tot een werkeenheid". Er wonen voornamelijk Hui families. Zonder of met een beetje landbouwgrond, migrantwerkers en kleine handelaren, die zich hier vrijelijk tien tot twintig jaar geleden vestigden en er nog wonen, ondanks de onzekerheid of ze er mogen blijven. Ook het aansluiten bij een ziekenkas is nog niet geregeld. Van de vijf families, die we hier ontmoet hebben, gaf er één als belangrijkste hoop voor de toekomst te kennen: het "hukou" statuut bekomen.

Toekomst

Alle ondervraagde families hebben geen grote verandering in zicht in de nabije toekomst. Dezelfde activiteit, dezelfde woonplaats. Eén punt kwam echter sterk naar voor: het belang dat zij hechten aan de opvoeding en de mogelijke werkgelegenheid nadien voor de kinderen of de kleinkinderen. Negen families hebben het expliciet vermeld. Drie families hebben een afgestudeerde die geen werk vindt.

Golmud is vrijwel klaar voor een bijzondere economische ontwikkeling: er zijn grondstoffen, er is plaats en infrastructuur en werkkracht is voldoende voorhanden. Scholing is nog een probleem, maar zoiets kan vrij vlug evolueren. De nodige startbudgetten voor de ontplooiing van de economische activiteit zijn zéér hoog en komen nog voor ongeveer 60% van de centrale Chinese overheid, zoals voor de waterbeheersing, de grote elektriciteitsuitrustingen, sommige wegenwerken, afvalverwerking, een gaspijplijn naar Lanzhou, maar ook voor het opstarten van grote bedrijven. Het aanleggen van de spoorlijn en het onderhoud van de nationale baan naar Lhasa is een direct nationaal budget.

Op de vraag of de families ooit de trein naar Lhasa zullen nemen, komen weinig enthousiaste antwoorden. Drie families hebben iemand die de trein al genomen had. Maar niet vanuit Golmud, want daar zijn voorlopig nog geen tickets beschikbaar. Zeven families klagen daarover. Twaalf families leggen de afstand af met de bus (zeven) of met eigen vervoer (vijf, waarvan twee Hui handelaren). De frequentie hangt af van het doel. Wanneer er handel bij komt kijken, dan is het meerdere malen per jaar. Om Boeddha te eren is het één keer per jaar of minder. Bij een Tibetaanse boer - die met zijn diploma "geraakte op eigen kracht uit de armoede" - is het al drie jaar geleden dat hij nog in Lhasa kwam. "Teveel werk," is zijn verklaring. Maar hij wil wel tijdens zijn oude dagen met zijn vrouw eens de trein nemen. Zeven van de tien Hui en Han families voelen geen behoefte om naar Lhasa te reizen, twee zeggen ook openlijk dat zij er het geld niet voor hebben.  

Besluit

Het moet herhaald worden dat de kleine steekproef geen grote besluiten toelaat, enkel een reeks indrukken. Toch geven die indrukken al een eerste beeld van wat er bij boeren en herders rond Golmud en langs de spoorlijn gebeurt, wat het onderwerp van het korte onderzoek was. De trein heeft voorlopig weinig invloed op hun leefwijze. Minder dan de helft van hen werkte tijdelijk mee aan de constructiewerken. Dat leverde hen een aardig extra inkomen op gedurende enkele jaren. Maar zij leerden geen nieuwe vaardigheden, zij verrichtten eenvoudige handenarbeid of klein transport. Families, bij wie een structurele verandering in hun activiteit optrad, zijn een kleine minderheid. De verwachting, in wat de spoorweg en de ontwikkeling van Golmud zal meebrengen, is wel algemeen positief, maar niet concreet.

Als directe bekommeringen, die hun leven beheersen, kunnen we de momentele schaarste van werkgelegenheid in Golmud en het ontruimen van het "drie rivieren gebied" vernoemen. Dat laatste is een ecologisch project en heeft niets met de trein te maken, maar het doorkruiste wel ons onderzoek. De herplaatste personen zijn nog niet herschoold. Zij genieten van rijkelijke staatssteun, een huis van 50.000 yuan als cadeau en 500 yuan per maand om te leven, gedurende 10 jaar, onafhankelijk van het feit of ze werk vinden of niet. Tot nog toe vinden ze geen vast werk, het is wachten op de verdere ontwikkeling van China's "Salt Lake City", waarvan de basis aanwezig is. Een ander zijdelings probleem dat wij te zien kregen is het feit dat de nationale baan, qua beheer en infrastructuur, achterloopt op de trein en voor nogal chaotische leefomstandigheden zorgt voor hen die er nog wonen.

Om zich te verplaatsen zien de geïnterviewde families voor hen weinig nut in de trein, zij zijn de minder kostende bus gewoon, gaan mee met een vrachtwagen of een familiecamionette en bovendien is Golmud nog geen opstapplaats voor personen, enkel een laad- en lospunt voor goederenvervoer. Dat laatste wordt door de landbouwers als positief ondervonden omdat hun producten sneller, minder beschadigd en goedkoper in Lhasa geraken.

De aanleg van de spoorweg was een grote sprong, de evolutie gaat nu weer matiger.

(1) zoals bvb in de autonome regio Tibet.

(2) 10 yuan is ongeveer 1 euro.

(3) het dagloon voor een constructiearbeider in de provincie Qinghai is gemiddeld 65 yuan (2005). Ter vergelijking: in Beijing is dat het dubbele (nationale statistieken). Beijing is uiteraard ook duurder om te leven en te wonen.

(4) jaarlijks gemiddeld geldelijk inkomen uit veeteelt en landbouw in Qinghai is ongeveer 17.000 yuan per familie. (statistieken 2005).

(5) 1 mu is ongeveer 1/15e hectare.

(6) statistical yearbook Qinghai 2006

05-01-08

Tibetaanse herders verplicht om in steden te gaan wonen?

 

Het Amerikaanse Human Rights Watch publiceerde in mei 2007 een rapport over de ontheemding van de Tibetaanse herders. "Tal van Tibetaanse veehouders worden verplicht om hun kudde te slachten en zich te vestigen in nieuwe woonkolonies in de nabijheid van steden en aldus hun traditionele manier van leven vaarwel te zeggen... met grotere armoede als gevolg."[1] HRW eist van China toegang voor een internationale onafhankelijke commissie van experts en het onmiddellijk stopzetten van de "volksverhuizing". De aanklacht werd overgenomen in het rapport van de commissie voor de mensenrechten van het Amerikaanse Congres, in oktober 2007[2].

En in de Commissie voor de Mensenrechten van het Europese Parlement gebeurt hetzelfde op 27 november, waar sprekers van HRW en International Campaign for Tibet (ICT)[3] de informatieverstrekkers zijn. 

HRW stelt: "die arme Tibetaanse herders hebben geen recht op HUN grond." Grond is niet privé in China. HRW vindt dit een schending van de mensenrechten, want voor hen is privé-grondbezit een heilig universeel recht. Herders, die verhuizen en een ander beroep beginnen, worden inderdaad niet vergoed op basis van een eventuele marktprijs van de grond, maar enkel voor de gebruikswaarde, voor het inkomen dat ze eruit haalden. Dat grond een andere prijs heeft in China dan in Arizona, waarmee bemoeit HRW zich? Mogelijks zit het feit dat westerse kapitalen geen grond kunnen kopen in China hun ook dwars?

Waarom moeten Tibetaanse herders verhuizen?

"Ze worden gedwongen in stedelijke agglomeraties te gaan leven om ze daar beter te kunnen controleren," zegt HRW. Wat is de realiteit?

Er is teveel vee en er zijn teveel mensen. In het oude Tibet stierven de mensen jong. De moeder van de huidige dalai lama wierp 16 kinderen, van wie er slechts 7 overleefden. De familie van de 14e dalai lama waren gewone boeren, niet van de armste en leefden bovendien in een vruchtbare landbouwzone. Er waren hardere overlevingsstreken dan de hunne. Nu is er overal betere gezondheidszorg, de voeding is gevarieerder en epidemie's zijn sinds de jaren vijftig gebannen. Vandaar dat de mensen gemiddeld langer leven, bijna dubbel zolang. En mede omdat er geen geboortebeperking bestaat voor de Tibetanen is de bevolking verdriedubbeld, met elk méér yaks en schapen dan vroeger. "Harmonieus en traditioneel" betekende vroeger: "jong creperen". Ondertussen is de veestapel ook verdrievoudigd. China telt 400 miljoen grazers tegenover 105 miljoen voor de USA, voor een gelijke graasoppervlakte[4]. Dat betekent dat in de USA het gras blijft en dat in China het gras verdwijnt. Waarom zijn er méér grazers in China? Omdat er meer volk is in China. Dat is één zaak: teveel volk, teveel vee.

Een tweede ding is de opwarming van het wereldklimaat. Het noordelijk deel van het Qinghai-Tibet plateau kende al weinig neerslag, ongeveer 100 mm per jaar, gelijk aan wat bij ons in een niet al te natte maand valt. De laatste vijftig jaar is dat met 20 mm gedaald[5]. De gemiddelde temperatuur op het hoogplateau is met 1°C gestegen. Voor 2020 wordt een bijkomende stijging van 1°C verwacht. Het hoogplateau droogt op, minder neerslag en warmer. De Gele Rivier, de ooit zo geduchte "Gesel van China", verloor in dertig jaar één vierde van zijn debiet. De hoogvlakte, waar enkel gras gedijde, wordt schraler met het jaar. Gletsjers verkorten en verdunnen. Het gaat over een oppervlakte van ongeveer anderhalve keer Frankrijk, enorm, en op 4 à 5.000m boven de zeespiegel. Gedurende de laatste tien jaar bezocht ik grote delen van dit gebied en kon de woestijnvorming met eigen ogen vaststellen. Talrijke gesprekken met boeren en herders gaven hun bezorgdheid weer over de achteruitgang van de graasoppervlaktes en de grotere moeilijkheid om drinkwater te vinden. Ik ontmoette zelfs herders die in groenere streken elkaar teveel op de voeten liepen en uitgeweken waren naar dorre gebieden, met alle moeilijkheden van dien. "Ontneem die mensen hun traditionele levenswijze niet," schrijft HRW "laat ze hun cultuur behouden, geef ze desnoods een nieuw huis, maar vlakbij hun grond en hun kudde." Dat er geen gras en geen water meer is, kan HRW blijkbaar geen spriet noch druppel schelen. Dat is een immorele kreet, zonder respect voor de mensenrechten.

De lokale Tibetaanse overheid en die van de provincies Qinghai en Gansu willen het probleem pro-actief aanpakken en niet wachten op de afkoeling van de aarde of op het uitdrogen van de yaks. En er is slechts één onmiddellijke maatregel mogelijk: de veestapel drastisch verminderen, mensen een ander beroep bieden. Een nieuwe economische activiteit ontwikkelen kan zomaar niet met 1 à 2 inwoners per km2 (het gemiddelde voor dat enorme gebied) in verspreide slagorde. Vandaar dat nieuwe dorpen, nieuwe agglomeraties verrijzen, waar ex-herders enigszins gegroepeerd worden en nieuwe technische vaardigheiden kunnen aanleren. Zij krijgen gratis een huis ter beschikking en gedurende tien jaar een leefsubsidie, ongeacht of ze onmiddellijk betaald werk vinden of niet. Ik heb met ex-herders gesproken in die nieuwe dorpen. Het waren niet de gelukkigste mensen ter wereld. Zij waren tevreden met de betere onderwijsmogelijkheden voor hun kinderen, maar vonden het leefloon nogal karig en het werkaanbod beneden alle peil. China is ook geen supersinterklaas, het blijft nog een land met beperkte mogelijkheden. Het hervestigingproject gebeurt op vrijwillige basis, sinds vijf jaar. Ongeveer 60.000 mensen[6] gingen in de meest getroffen provincie Qinghai al in op het aanbod. De overheid hoopt tegen 2010 er nog eens zoveel van het nut te overtuigen, door hen een goede kans te bieden op sociale vooruitgang.

Plannen en enorme overheidsbudgetten zijn nu klaar om... gras aan te planten, hard gras, boven de 4.000m, met de hand, op anderhalve keer Frankrijk. Een systeem van vrije markt kan zoiets niet aan.



[1] Zie website HRW.

[2] US Congressional executive commission on China, annual report 2007, website.

[3] ICT, Amerikaanse organisatie geleid door Richard Gere, Lodi Gyari als afgevaardigde van de 14e dalai lama en John Ackerly, een Amerikaans agent die in Roemenië zijn eerste sporen verdiende met het organiseren van de liquidatie van Ceaucescu.   

[4] Lester Brown, "Plan B: rescuing a planet under stress and a civilisation in trouble", chapter one, paragraph "ecological meltdown in China", W.W. Norton, NY, 2003.

[5] Rapport over ecologie in China, State Council Information Office, 4/6/07.

[6] Niet te vergeten: verspreid over een met woestijnvorming bedreigde oppervlakte van anderhalve keer Frankrijk!

21:21 Gepost door infortibet in ecologie | Permalink | Commentaren (0) | Tags: woestijnvorming, herders, tibet, yaks, klimaat, qinghai, bevolking, wonen