06-01-08

Herders langs de spoorlijn

 

Indrukken over de invloed van de nieuwe spoorlijn naar Lhasa op landbouw- en herderfamilies in de buurt van Golmud (in de provincie Qinghai) en tussen Golmud en de Tanggulapas (de overgang naar de autonome regio Tibet).

Enquêterapport

Jean-Paul Desimpelaere 

In augustus 2007 had ik de kans om families te interviewen langs de gloednieuwe spoorlijn Qinghai-Tibet. Het gaat om het tracé tussen de stad Golmud in de provincie Qinghai en de grens met de autonome regio Tibet op de Tanggulapas. Golmud was voordien het eindpunt van het spoornet dat de provincie Qinghai, via de hoofdstad Xining, met de rest van China verbond. Naar het zuiden toe, richting Tibet, was er enkel een nationale weg voor auto's en vrachtwagens. In 2006 werd de treinverbinding Golmud-Lhasa een realiteit, waarmee een einde kwam aan het feit dat Tibet de enige administratieve regio was in China die niet op het net aangesloten was. De spoorweg is een technologisch hoogstaande verwezenlijking. De totale lengte van het nieuwe deel Golmud-Lhasa is 1.142 km, waarvan er zich bijna duizend boven de 4.000m bevinden en 70 km zelfs boven de 5.000m. Viaducten totaliseren 156 km, om onstabiele ondergrond te overbruggen. Daar waar de spoorweg over bevroren ondergrond loopt zijn speciale technieken aangewend om de grond koel te houden in de korte zomer, zodat deze niet gaat schuiven. Er zijn nog tientallen meer technische details te geven, maar daar gaat dit rapport niet over. Ik geef er enkele die de context illustreren, want het onderzoek gebeurde in een streek vanaf Golmud tot in de nederzetting Tanggulashan, op de oevers van de Tutuohe, een bronrivier van de Yangzi, en in de aanloop naar de Tanggulapas, dus precies langs de eerste vijfhonderd kilometer spoorweg tussen Golmud en Lhasa. Het gebied is uiterst onherbergzaam, zeer droog en bevindt zich tussen de 4.000 en 5.000m, behalve Golmud zelf dat op 2780m boven de zeespiegel ligt. De streek ten zuiden van de Tanggulapas, in Tibet zelf, was me bekend en is natter en groener, dus gunstiger voor veeteelt en landbouw. Zij is ook dichter bevolkt. Vanaf Golmud tot aan de grens met de autonome regio Tibet woont echter haast niemand. Zelfs minder dan ik gedacht had. Reden hiervan is het "Sanjiangyuan" project. Het brongebied van de "drie grote rivieren", de Gele Rivier, de Yangzi en de Mekong is tot een beschermd natuurgebied uitgeroepen. De gemiddelde hoogte is er om en bij de 5.000m en het gebied is immens groot, bijna zo groot als Frankrijk. Daar leven ondermeer de Tibetaanse antilopen en de wilde ezels. De laatste decennia toonden er een groeiende woestijnvorming, door het opwarmende wereldklimaat, door overbegrazing en door de gestegen bevolkingsdruk. Sinds drie jaar worden de schaarse herders aangemoedigd om het gebied te verlaten. In het totaal voorziet de overheid om tegen 2010 100.000 mensen te helpen verhuizen. Men hoopt aldus de woestijnvorming binnen 10 jaar te kunnen ombuigen. Voor de herplaatste bevolking worden een honderdtal nieuwe dorpen gebouwd, de families krijgen een gratis woonst van 70 à 80 m2 en mogelijks een plastieken serre voor groenteteelt. De streek die we uitkozen voor het onderzoek bevindt zich voor een deel in het "Sanjiangyuan" gebied en een aantal families die we ondervroegen, had te maken met het hervestigingproject. Om nog een indruk te geven van de uitgestrektheid en het dun bewoonde van het gebied: de "stad" Golmud bestuurt een oppervlakte gelijk aan de helft van Groot-Brittannië, met slechts 270.000 inwoners, met méér dan de helft ervan in de stad zelf op ongeveer 50 km2.

Wij interviewden in het totaal 24 families, 11 in de omgeving van Golmud, 4 families afkomstig van de Tutuohe streek (Tanggulashan), maar die geëmigreerd waren naar Golmud, 6 families in Tanggulashan zelf en 3 onderweg. De laatste twee groepjes wonen dus nog in het te ontruimen gebied "Sanjiangyuan".

De keuze ging uit naar families van boeren en herders. Het is geen grootschalige sociologische studie, maar een eerste benadering van de vraagstelling, een reportage met getuigenissen. De beperkte schaal van het onderzoek liet toch toe om enkele relevante vaststellingen in het licht te brengen, zowel in direct verband met de hoofdvraag als volgend uit de context. Voor de organisatie van de bezoeken aan de families kreeg ik de welgekomen steun van het China Tibetology Research Center. Het Centrum stelde twee jonge universitaire onderzoekers ter mijner beschikking: de heren Zhang Yong Pan, socioloog van de Academy of Social Sciences, en Laxianjia, tibetoloog van het China Tibetology Research Center. Door hen verliepen de contacten met de families efficiënt en zij waren uitstekende notitie- en discussiepartners. Nooit interfereerden zij in de keuze van de te ondervragen families, die beslissing was mij ten volle gegeven door hun directe verantwoordelijke, professor dr Lian Xiang Min van het China Tibetology Research Center. Het onderzoek verliep absoluut niet ceremonieel en de families gaven vrijuit hun verhaal, hun opmerkingen en kritieken te horen. Daarnaast werden wij uiteraard ontvangen door de lokale politieke leiders van Golmud. Zonder veel economisch of politiek discours, maar eerder in de stijl van: "stel maar vragen". Bovendien hielpen zij ons logistiek met het vinden van een huurwagen en met logies in Golmud. Verder kwamen zij niet tussenbeide in de concrete realisatie van het project.

fam11

Welke families zijn geïnterviewd?

Als we de hoofdactiviteit van de 24 families bekijken, dan zijn er 8 hoofdzakelijk bedrijvig in de landbouw, 9 herderfamilies, 5 handelaren, 1 arbeidersgezin en 1 traditionele dorpsdokter. Van de 9 herderfamilies zijn er 6 die buiten de veeteelt geen nevenactiviteiten hebben. Bij de landbouwers echter zijn er slechts 2 families die uitsluitend van hun landbouwopbrengst leven. De anderen hebben ook vee, werken af en toe als handlangerinterim in de bouw of hebben een ander inkomen via de kinderen. De handelaren zijn rechtstreeks afhankelijk van de landbouw en/of veeteelt. Zelfs de dorpsdokter, aangezien zijn patiënten meestal boeren en herders zijn.

De grootte van de ondervraagde families, onder één dak wonend, is gemiddeld 5 personen. Het provinciale gemiddelde is 3,8. De steekproef, zelfs al is die zeer beperkt, sluit hier toch aan bij de realiteit, aangezien in landelijke gebieden, vooral waar etnische minderheden wonen, de huishoudens ongeveer 5 personen tellen (1) door de vrijstelling van geboortebeperking.

We bezochten 14 Tibetaanse, 8 Hui en 2 Han families. De herders zijn allen Tibetanen. Bij de landbouwers is er slechts één Tibetaanse familie, de overigen zijn Hui (vijf) en Han (twee). Van de vijf handelaren zijn er twee Hui en drie Tibetanen. De arbeidersfamilie is Tibetaans. De ondernemer en de dokter zijn Hui. De verdeling geeft een goed beeld van hoe de landelijke bevolking samengesteld is. Buiten de Han, die voornamelijk in de stad leven, zijn de twee grootste groepen de Tibetanen en de Hui. Althans voor de streek rond en ten zuiden van Golmud, want westwaarts is de Mongoolse minderheid in de meerderheid. Kleinere groepen zijn de Tu, de Salar, Uyguren en zelfs Kazakken, kortom een patchwork van bevolkingsgroepen, zoals de provincie Qinghai altijd is geweest. Het is ook typerend dat proportioneel weinig Tibetaanse families actief zijn in de landbouw. In die streek zijn ze traditioneel herders. Dat is niet zo voor de meeste andere gebieden waar de Tibetanen leven, waar minstens een combinatie van veeteelt en landbouw aanwezig is. De reden ligt voor de hand, het gebied is bijzonder droog, slechts 20 à 65 mm neerslag per jaar. Zelfs voor grote yakkuddes is dit een probleem, vandaar dat de bezochte herderfamilies meer op het houden van schapen gericht zijn. Gemiddeld hebben de negen herderfamilies elk 700 schapen en 45 yaks voor een oppervlakte van 5.000 ha (50 km2) per familie (het grootste graasland bedraagt 8.000 ha, het kleinste 3.300 ha). Het diversifiëren van de activiteit van de herderfamilies zit er nu versneld aan te komen door de ontvolking van het hoger vermelde "Sangjiangyuan" gebied. De boeren vonden we in dorpen nabij Golmud.

De naam Golmud komt uit het Mongools en betekent "plaats waar rivieren samenkomen". Van die rivieren moet men zich niet veel voorstellen, het zijn meer beken dan rivieren. Ze komen van ver, bvb als gletsjerwater uit de Kunlun bergen,  200 km ten zuiden van de stad. De rivieren eindigen in de zoutmeren van het Qaidam bekken. Enkele ervan geven wat mogelijkheid tot irrigatie bij hun doortocht in Golmud. Vandaar de landbouw, serres inbegrepen, nu meer dan genoeg om de bevolking van graan en groenten te voorzien.

Hoe lang wonen de families al waar ze nu wonen?

Enkel 6 (van de 14) Tibetaanse families wonen nog op de voorvaderlijke grond. De 8 overige waren de laatste twintig jaar van vestigingsplaats verander. Eén Tibetaanse familie kwam acht jaar geleden vanuit het noorden, uit Ledu in de buurt van Xining, naar een dorpje langs de baan, onderweg tussen Golmud en Lhasa, om er en winkeltje te openen. In het dorpje is nu ook een klein treinstation, voorlopig enkel een technische stopplaats voor treinen, er is geen goederen- noch personenvervoer van daaruit. De familie bedreef vroeger landbouw. Met hun winkeltje nu verdienen ze duidelijk meer, tot 20.000 yuan per jaar. Over één ding zijn ze niet tevreden. Namelijk dat er in hun baandorp geen lagere school is. Hun twee dochters, tien en veertien jaar oud, hebben nog nooit school gelopen. Het probleem is dat de vrachtwagenstops tussen Golmud en Tanggulashan er wild konden groeien. Er is geen autoriteit die ze bestuurt. De kleine chaos is navenant: slordige barakken, bijna geen toiletten, rioolmodder, open vuilnisbelt rond de huizen, geen elektriciteit via het net dus lawaaierige en vervuilende dieselgeneratoren, geen kraantjeswater, kwistige verbranding van kolen voor de verwarming en geen school. Die baanstops zijn nochtans onvermijdelijk op dit lange, hoge en trage traject van 500 km. Vrachtwagens vorderen niet sneller dan 20 à 30 km per uur. Er is nood aan kleine restaurants, winkeltjes, kleine herstelplaatsen en slaapgelegenheid voor de minstens honderd vrachtwagenchauffeurs en hun evenveel begeleiders per dag. En dan hebben we de bussen en de personenwagens nog niet meegeteld. Een argument dat dit enigszins tegenspreekt is dat de overheid voorziet dat het vrachtvervoer over de baan met 80 % zal afnemen en per trein zal gebeuren. Het voorlopige gebrek aan planning en bestuur van wat er langs de weg gebeurt, steekt scherp af tegen de gloednieuwe moderne spoorweg, die er op één à twee kilometer parallel mee is. In het dorp Tanggulashan is er wel planning, maar enkel voor de herderfamilies van het oorspronkelijke dorp, want ook hier is naast het oude dorp een lint van kleine diensten langs de baan op dezelfde manier wild gegroeid als onderweg, met dezelfde onverzorgde karakteristieken. Een vierhonderdtal personen zijn er actief in. Er is wel een lagere school. Het deel van het dorp waar de herders wonen, ligt wat afzijdig van de baan en is wel verzorgd. Een kleine betonnen weg leidt er naartoe, erin en er rond. De herderfamilies kregen elk een kleine zonnepaneleninstallatie cadeau van de overheid.

Terugkomend op de Tibetaanse families die recent verhuisden, kunnen we de 4 families vernoemen die twee tot drie jaar geleden uit Tanggulashan wegtrokken om een gratis huis te betrekken in de omgeving van Golmud, dit in het kader van het "Sanjiangyuan" project. Zie ook verder pag. 11.

Daarnaast zijn er nog twee Tibetaanse herderfamilies, die twintig jaar geleden vanuit Tibet naar Tanggulashan uitweken, één uit de streek rond Lhasa en één uit Qamdo in Oost-Tibet. Hun motief was: teveel herders in Tibet door de snelle toename van de Tibetaanse bevolking, geen plaats genoeg meer voor het groeiende aantal kuddes.

Ten slotte is er een Tibetaanse boer die zich 18 jaar geleden in de buurt van Golmud vestigde. Interessant om even apart te bekijken. Hij kwam uit een arme landbouwstreek in de buurt van het Ta'ersi (Kumbum) klooster nabij Xining. In de tijd toen hij verhuisde kreeg hij de kans, omwille van zijn groot gezin met 4 zonen en drie dochters, om een groot stuk land van twee hectare in gebruik te nemen. Voordien was hij al in Golmud komen werken als seizoenarbeider voor andere boeren. Hij leerde de groenteteelt. Zijn landbouwbedrijfje is nu redelijk gediversifieerd met graan, groenten en schapen. Want drie van zijn zonen trekken nog de Nanshan en Kunlun bergen in met 800 schapen. Zijn familie-inkomen ligt rond de 20.000 yuan per jaar. In 2000 had hij zich een groot nieuw huis gebouwd. Een erediploma prijkt boven de deur naar zijn slaapkamer: "geraakte op eigen krachten uit de armoede".

De 10 Hui of Han families wonen gemiddeld sinds 18 jaar op dezelfde plaats, in de omgeving van Golmud. Behalve Tibetanen uit het "Sanjiangyuan" gebied, is er van nieuwe instroom geen sprake. De stad Golmud kende haar grote uitbreiding in de tweede helft van de jaren tachtig, vanaf het moment dat de spoorlijn van Xining naar Golmud in werking was. Alle grote lanen werden tien jaar geleden gemoderniseerd en tal van nieuwe huizenblokjes verrezen. Het geheel goed gepland, met veel ruimte en groen. Tijdens de constructie van de spoorweg dikte de bevolking tijdelijk aan met 30.000 migrantwerkers. Die zijn ondertussen weer vertrokken. Toen was er meer te doen, nu staan er heel wat handelszaken leeg, recente gebouwen van einde jaren negentig. Nieuwe woonappartementen kosten ongeveer 800 yuan (2) per m2.

De economische context van Golmud

Golmud kreeg vorm als klein stadje in 1954, toen de nationale weg naar Lhasa aangelegd werd. Maar er was ook zout te ontginnen. Het grootste meer van zout in China bevindt zich ten noorden van de stad, bijna 6.000 km2 groot, indrukwekkend. Het zout ligt er voor het opscheppen. Uit het zout worden ondermeer jodium en kaliumcarbonaat gewonnen, de grootste Chinese fabriek daarvoor bevindt zich in Golmud. In het nabije Qaidam bekken is er enige aardgas- en petroleumontginning. Een raffinaderij in Golmud zorgt ervoor dat er via een pijplijn brandstof beschikbaar is in Tibet. Verder nog een fabriek voor polyethyleen en polipropyleen en dan hebben we het ongeveer gehad. De rest zijn kleinere ateliers, zoals steenbakkerijen of tapijtfabriekjes. Bij een ingeweken - door het "Sanjiangyuan" project - Tibetaanse familie is de moeder als arbeidster werkzaam in een dergelijk tapijtfabriekje. Zij verdient er 60 yuan per dag, maar werkt zeven dagen op zeven, feit dat we niet aan de Chinese vakbond mogen vertellen. Daardoor verdient ze wel evenveel per maand als een fabrieksarbeider in Beijing. In Tanggulashan, waar ze twee jaar geleden nog woonden, was de familie er niet beter aan toe. De man was arbeider in een primitieve kolenontginning. De zoon hoedde schapen voor anderen. Zij hadden nauwelijks genoeg om te overleven. Daarom gingen zij in op het voorstel om het "Sanjiangyuan" gebied te verlaten en aan de natuur terug te geven. Een gratis huis in de omgeving van Golmud - zelfs de sofa's werden hun geschonken omdat ze niets bezaten - en onderwijs voor de kinderen trok hun aan. Beide ouders hebben werk in de stad, krijgen bovendien een overheidssteun van 500 yuan per maand, maar de zoon verveelt zich en heeft heimwee naar de vrijheid van de graaslanden. Als achttienjarige volgt hij nu lager onderwijs. Zijn oudere zus is non, om aan de kost te komen, en zijn jongere zus zit min of meer normaal op school. Het Chinese socialisme is geen gratis massaal banket waar iedereen zomaar zonder inspanning aan tafel aanschuift en zich naar genoegen tegoed doet. Het is hard werken en mogelijkheden zoeken. Het geheel van grote centrale overheidsbeslissingen in China, samen met de maatregelen van de lokale overheden en de vindingrijkheid van bevolking brengt een aardige evolutie mee. Met successen en hiaten. Armoedebestrijding is een werk van lange adem in China, met jaarlijks vrij goede resultaten sinds een paar decennia. Eén jaar is niets in China en tien jaar is zéér veel. De centraal geleide "socialistische markteconomie" laat visie toe.

Golmud heeft de ambitie om een welvarend "Salt Lake City" van China te worden. Er zijn veel basisgrondstoffen te vinden voor de scheikundige industrie en enkele belangrijke ertsen voor de metaalnijverheid, maar weinig is ontgonnen. Een openlucht ijzerertsmijn is recent in werking getreden. Productie van het belangrijke metaal lithium, ook in het zoutmeer te vinden, is experimenteel opgestart. Proportioneel neemt het aantal arbeiders toe in Golmud. Duizenden personen per jaar volgen een speciale technische opleiding in cursussen georganiseerd door de vakbond en de vrouwenfederatie of in de "stedelijke school voor technologie". Het aantal landbouwers, ongeveer 20.000 mensen in de omgeving van de stad, blijft gelijk. Zowat de helft van de bevolking van het gebied in en rond Golmud, is actief in de kleinhandel en de kleine productie. Een voorbeeld zijn de jaden decoratie- en kunstwerkjes. Jade is namelijk te vinden in de Kunlun bergen, maar het zoeken ervan is nog vrij primitief, door quasi éénpersoonsexpedities. De overheid heeft het plan om het iets meer georganiseerd aan te pakken. Zo ook het commercialiseren van een grote bron in diezelfde Kunlun bergen, in de vorm van mineraalwater. Het Kunlun gebergte is trouwens een toeristische troef, die de lokale overheid eveneens wil uitspelen, maar dan zal er toch enige infrastructuur langs de nationale baan moeten komen. Qua energie hebben de meeste gebouwen zonneconvectoren op het dak voor warm water. Een eerste windmolenpark is aanbesteed, met een capaciteit van 50 megawatt. Maar verder is de huisverwarming en het keukenfornuis op kolen gebaseerd.

Wie had iets te maken met de aanleg van de spoorweg?

Van de 24 families zijn er 11 waarvan minstens één lid meewerkte aan de constructie van de nieuwe spoorweg. Vijf boerenfamilies, drie herderfamilies, twee handelaren en het ene arbeidersgezin. Bij 6 van de 11 was het één van de zonen, bij 2 was het een dochter en slechts bij 3 gezinnen ging het om het familiehoofd zelf. De twee dochters kwamen uit twee herderfamilies. Wij hadden de indruk dat de landbouwerfamilies uit de omgeving van Golmud meer de neiging of de gelegenheid hadden om iemand vrij te maken voor hulp aan de constructie (5 op 8) dan de herderfamilies (3 op 8).

Vier families leverden iemand voor eenvoudige handenarbeid, aarde en stenen laden en spreiden. Zij verdienden elk 40 tot 50 yuan (2) per dag, wat iets minder is dan het gemiddelde salaris van een constructiearbeider in de provincie Qinghai (3), maar toch bijna evenveel als wat de ganse familie geldelijk aan hun veestapel of landbouw verdient (4).

Bij wie in het transport actief was, hing het inkomen af van de eigen middelen: bezit men zelf zijn vrachtwagen of niet, gaat het om een vrachtwagen of een klein karretje? Eén Hui boerenfamilie heeft een zoon die als vrachtwagenchauffeur in loondienst voor een baas werkt. Drie jaar lang moest hij opdrachten uitvoeren voor de constructie van de spoorweg. Zijn dagloon lag rond de 60 yuan, wat zijn oude vader "een goed inkomen" noemt.  De zoon is getrouwd en heeft vier kinderen. Niet allen hebben een talrijk familiegeluk. Wij waren op bezoek bij een zachtaardige jonge veertiger, een Hui boer. Die heeft slechts twee kinderen en woont in een pover huisje met één grote ruimte waar alles gebeurt. Een kleine televisie en een vloer van stoffig half beton. Zijn vrouw was jong gestorven, hij zat enkele jaren in de dieperik, was nu hertrouwd en kwam wat op kracht. Met een kleine tractor had hij zand en stenen vervoerd voor de aanleg van de spoorweg, voor 100 yuan per dag. Dat is al iets meer dan de pure handenarbeid.  Maar anderen verdienden nog méér. Een Tibetaanse herdersfamilie in Tanggulashan bezit een kleine vrachtwagen. Eveneens voor het vervoer van aarde, zand en stenen verdienden zij 250 yuan per dag, goed voor 60.000 yuan gedurende 1 jaar. Dan komen we bij de grotere vrachtwagenbezitters. Een Hui familie bezit er drie. Die dienen voor transport tussen Golmud en Lhasa, elk zes maal per maand op en af, vijftien jaar lang. Maar tijdens de aanleg van de spoorweg werden ze ingezet om materialen aan te voeren. Zijn inkomen klom gedurende die periode van rond de 100.000 naar 200.000 yuan, eveneens gedurende 1 jaar. Met een dergelijke som ben je rijk in Golmud.

Weinig structurele verandering in de activiteit, eerder een tijdelijke meerverdienste

De families die direct meewerkten aan de constructie van de spoorweg hadden gedurende één tot drie jaar een niet te verwaarlozen bijkomend inkomen. Hun gewone landbouwactiviteit of veeteelt ging ondertussen verder. Slechts twee families tot op heden kenden na de aanleg van de spoorweg een structurele verandering in hun activiteit.

Een matig voorbeeld is een Tibetaanse herdersfamilie die met de meer verdiende centen een theehuis opende in Tanggulashan. De dochter had een paar jaar meegewerkt aan de spoorwegberm en met het verzamelde geld openden ze het bescheiden theerestaurant twee jaar geleden. Hoewel, zij hadden ook een nieuw huis gebouwd in de graaslanden, 100 km daarvandaan, te paard. Niet allen waren blijkbaar willens om te verhuizen naar Golmud en daardoor het "drie-rivieren-gebied" ("Sanjiangyuan") aan de natuur terug te geven. Een andere Tibetaanse herdersfamilie had in Tanggulashan een theehuis geopend in 2001, nog voor de constructie van de spoorweg begon. Zij kregen veel klanten over de vloer tijdens de werken. Nu is dat minder. De dame wil wel naar Golmud verhuizen als zij de kans gunstig ziet om daar een succesvol theehuis te beginnen. Haar man gaat ondertussen door met het hoeden van de kudde - 700 schapen en 70 yaks op 3.500 ha familiegrond - samen met twee betaalde helpers. Het is een jong koppel met één kind, dat in Golmud school loopt. Hun inkomen, kudde en theehuis samen, bedraagt ongeveer 20.000 yuan per jaar, wat niet mis is voor de streek. Van het theehuis moet men zich niet groots voorstellen, het gaat om één barakruimte voor een twintigtal personen.

Dan is er nog een Han familie, die een structurele verandering in hun activiteit meemaakten en niet een kleine. In het vooruitzicht van de aanleg van de spoorweg leende de zoon geld bij de bank en kocht een vrachtwagen, een bulldozer en een graafmachine. Drie jaar kon hij ze inzetten tijdens de constructie. Zij brachten hem 200.000 yuan per jaar op. Een kleine nieuwe rijke. Met de opbrengst heeft hij nu zijn machinepark uitgebreid tot elf. De moeder is fier. Dertig jaar geleden verhuisden zij van de armere streek Huangyuan in de omgeving van het Qinghai meer naar Golmud. Zij waren bij de eersten om zich daar als boer te vestigen, kregen daardoor een relatief groot stuk grond - 1 hectare voor tarwe en koolzaad - toegewezen en bouwden aldus een ietsje beter leven op. De vader werkte bij het agentschap voor landbouwmachines en dat zette de zoon op het goede spoor. Hij begon met één vrachtwagen, nog voor de aanleg van de spoorweg. Maar de aankondiging van de constructie deed hem de sprong wagen. Zijn bedrijfje draait en de moeder reist: Shanghai, Suzhou, Hainan, Singapore, Thailand. Het decor van hun salon getuigt ervan: een driekleurig porseleinen paard van Luoyang, zijdeborduurwerk van Suzhou, mooie grote jaden stenen en foto's van de provincie Yunnan. Hun hectare grond verhuren ze nu aan anderen. Zes personen delen in de lokale weelde: zij en haar man, de zoon met zijn vrouw en hun twee kinderen.

De gastheer van de Hui familie met hun drie vrachtwagens echter klaagt en zegt dat hij een vrachtwagen zal moeten verkopen omdat er nu meer goederen via het spoor naar Lhasa vervoerd worden en dat hij daardoor minder te doen heeft dan vroeger. Maar hij was al rijk tevoren en bovendien verdiende hij flink wat meer tijdens de constructie. Zijn plan is om nu een goudhandeltje op te zetten. Ter illustratie van zijn comfortabele levenssituatie is er het feit dat hij een groot nieuw huis liet bouwen in 2001, modern uitgerust en rijkelijk versierd. Een zware uitgavenpost zijn ook de studies van zijn drie zonen, waarvan er reeds twee aan de universiteit studeren. Dat zij goed mogen lukken in het leven ligt hem het nauwst aan het hart. Hoewel hij al zeer dikwijls in Lhasa kwam met de vrachtwagen, wil hij wel eens als toerist de comfortabele trein nemen en wat rondreizen in Tibet. Tweeëntwintig jaar geleden week hij uit naar Golmud, komende van een zeer arme streek in Gansu. Hij begon er als boer op een klein lapje grond van 2 mu (5), dat hij nu enkel nog gebruikt als groententuin.

Als laatste nog te vermelden is een Tibetaanse boerenfamilie waarvan de zoon al bij de spoorwegen werkte nog voor de verlenging van de lijn naar Lhasa. Hij doet sinds 1983 dienst als verkeersleider in het station van Golmud.

Slotsom is dat ongeveer de helft van de ondervraagde families iemand vrijmaakten voor een tijdelijk werk bij de aanleg van de spoorweg, dat dit hun een tijdelijke mooie meerverdienste opleverde, maar slechts bij twee families een wezenlijke verandering in hun activiteit nadien, waarvan er eigenlijk maar één echt in het oog springt, namelijk de familie die in graafmachines en vrachtwagens investeerde. Niemand stopte zijn gewone activiteiten tijdens de constructie, de "helpende handen" waren tijdelijke vrije handen: één of twee leden van de familie. De gewone werkactiviteit gaat dan ook verder nu na de constructie. Behalve voor de familie die van boer naar ondernemer voor wegenwerken groeide en wellicht voor de Hui familie die het minder ziet zitten met zijn drie vrachtwagens.

Welke invloed heeft de nieuwe spoorlijn op het leven van de ondervraagde families?

De vraagstelling liet toe om te kiezen tussen "geen", "weinig", "veel" of "zeer veel". Uit het bovenstaande kan al blijken dat we niet verwonderd moeten zijn over het resultaat. 15 op de 24 families zeggen "geen invloed", 4 antwoorden "weinig", 4 kiezen voor "veel" en één familie voor "zeer veel". Die laatste is uiteraard de familie die tot ondernemer voor wegenwerken uitgroeide. Bij het antwoord "veel invloed" vinden we de man met zijn drie vrachtwagens en de Tibetaan waarvan de zoon als verkeersleider bij de spoorwegen werkt. Verder nog twee families waarover tevoren nog niet veel gezegd is en het belichten waard zijn.

Er is de privé-dokter van Hui nationaliteit uit de omgeving van Golmud. Hij heeft een minidispensarium met slechts enkele ziekenbedden. Zijn specialiteit is gebroken beenderen genezen, op traditionele wijze. De vaardigheid verwierf hij op achttienjarige leeftijd van zijn vader, die het op zijn beurt van zijn vader had. In 1985 verhuisde hij van Linxia, in de nabijheid van het Labuleng klooster in de provincie Gansu, naar Golmud. Hij kreeg er 3 mu (4) landbouwgrond ter beschikking voor zijn eigen graan en groenten. Maar het verzorgen van patiënten met gebroken beenderen is al lang zijn hoofdactiviteit, waarmee hij ongeveer 40.000 yuan per jaar verdient. Tijdens de werken aan de nieuwe spoorweg had hij beduidend meer patiënten. Golmud telde tijdens die periode 30.000 inwoners méér dan nu, hoofdzakelijk tijdelijke werkkrachten voor de aanleg van de spoorlijn. Gedurende een bepaalde periode van de werken werd hij ook mee uitgenodigd langs de spoorlijn om ter plaatse te helpen bij ongevallen. Zijn faam vergrootte, meer patiënten komen nu naar hem toe, zelfs Hui families uit Lhasa, met de trein. Hij bezit een mooie camionette, die kan dienst doen als ziekenwagen. Zijn dochter heeft een goed draaiend klein restaurantje in de omgeving van het station van Golmud, wel met minder klanten dan tijdens de constructiewerken. Zijn zoon is hetzelfde lot beschoren als zijn vader: de dokterslijn voortzetten. De bevinding van de Hui dokter is: "veel invloed" van de spoorlijn.

Een vierde familie die hetzelfde verklaart is een handelaarfamilie, ook van Hui nationaliteit. De man is 55 jaar oud, woont met zijn gezin in een zeer verzorgd nieuw huis, waarbij zelfs de binnenkoer rijkelijk geplaveid is. Het bouwen ervan kostte hem 170.000 yuan, niet te vergelijken natuurlijk met de prijzen in Beijing en andere grootsteden waar de prijzen tot tientallen keren hoger zijn. Hij heeft twee zonen, waarvan er één met vrouw en kind bij hem inwoont. Tien jaar geleden zakte hij af vanuit Minhe, een arme streek ten zuiden van Xining, naar hier in Golmud. Gezien hij zo laat naar Golmud emigreerde was er geen grond meer beschikbaar voor landbouw, alles was verdeeld. Maar hij heeft een andere activiteit. Hij koopt voor 50.000 yuan 300 lammeren ineens, die hij tijdens enkele maanden op een weide, die hij huurt, vetmest en dan weer verkoopt om geslacht te worden. Dat doet hij tweemaal per jaar. Zijn twee zonen werken met hem samen. Hij heeft een eigen vrachtwagen om een deel van de schapen in Lhasa te verkopen. Waarom vindt hij dat de trein "veel invloed" had op zijn activiteit? Wel, de vraag naar schapenvlees vanuit Lhasa is gestegen, er zijn veel meer toeristen in Tibet, door de trein. En schapen verkopen in Golmud ziet hij ook zitten: "Er zijn in Golmud ongeveer evenveel schapen als inwoners en één schaap per persoon per jaar is niet voldoende."

Tot daar de getuigenissen van "veel invloed".

Komen we bij de vier maal "weinig invloed". De twee Tibetaanse herderfamilies met hun theehuis in Tanggulashan zitten in deze categorie. Een andere Tibetaanse herderfamilie, redelijk rijk, heeft gewoon als argument dat er meer dingen te koop zijn nu de spoorlijn operationeel is. Bij de vierde zijn er enkele neveninformaties het vermelden waard. Het gaat om een Tibetaans herdersgezin onderweg tussen Golmud en Tanggulashan, in een dorpje dat grotendeels verlaten is door de verhuizingpolitiek omwille van de bescherming van het "drie-rivieren-gebied". Vroeger woonden er tien families, nu nog drie. Hij bleef er met zijn vrouw en kind en een kudde van 500 schapen en 70 yaks. De spoorweg nam een deel van zijn graasland in beslag. Daarvoor kreeg hij een vergoeding van 20.000 yuan of 4.000 yuan per km. Voor hem is dit de reden om te zeggen dat de spoorlijn een beetje invloed had op zijn bestaan. Wellicht ook de reden waarom hij daar nog blijft wonen. Zijn huis is schamel en oud, hoewel binnenin een grootscherm televisie op een ereplaats onder een Mao-poster aanwezig is. Van de lokale overheid kreeg hij gratis een paar zonnepanelen en een voltageregelaar om zich in elektriciteit te voorzien. Zijn jaarinkomen van 10.000 yuan is aan de lage kant maar stabiel, zegt hij, zowel voor, tijdens als na de aanleg van de spoorweg. Hij vermeldt dat de graaslanden droger worden, dat de woestijnvorming een bedreiging vormt en dat de pika's - iets tussen de marmot en de rat - te talrijk worden en het weinige gras wegknagen. Door de droogte vindt hij ook geen "caterpillar fungi" meer, de goudmijn van vele Tibetaanse families. Toch wil hij blijven waar hij is, ondanks de stimulansen om te verhuizen. Zijn verwarmingskachel werkt met kolen en yakdrollen.

"Geen invloed".

Zoals gezegd zijn zij in de meerderheid, in het totaal 15 op 24 met 6 op 8 voor de landbouwers, 5 op 9 voor de herderfamilies, 3 op 5 voor de handelaren, plus de arbeidersfamilie. Zelfs al werkte iemand van de familie tijdelijk mee tijdens de aanleg van de spoorweg, wat het geval is voor 5 van de 15 "neen" stemmen. De vijf, die aan de spoorwegconstructie meewerkten en toch zeggen dat die van geen invloed is op hun leven, hebben gewone handenarbeid verricht of een klein vervoermiddel gebruikt voor de aanvoer van aarde en stenen. Voor hen was het blijkbaar een klein extra werk, dat ze eveneens geregeld in de stad opzoeken. De arme Hui boer bvb, die jong zijn eerste vrouw verloor, was gewoon om met zijn kleine tractor bij te klussen in de stad, voor 30 yuan per dag. Ook voor de zoon van een andere familie en chauffeur in loondienst van een vrachtwagen maakte het niets uit of hij voor de spoorweg moest vervoeren of voor iets anders, zijn loon bleef hetzelfde. De drie overigen betreft handenarbeid.

En subjectief besluit van mijnentwege kan hier zijn dat bij de aanleg van de spoorweg te weinig arbeidskrachten de kans kregen om een opleiding te volgen, al was het een korte, voor iets wat ze tevoren nog niet konden doen. De overheid wil herders uit het "drie-rivieren-gebied" delokaliseren om het ecologische evenwicht daar te herstellen, wat prijzenswaardig is. Maar tegelijk wordt het onderhoud van de spoorweg uitgevoerd door werkers, die per bus vanuit Golmud aangevoerd worden en ergens langs de spoorlijn voor enkele maanden logeren. De logica hiervan zal me voorlopig ontgaan zijn, maar ik vroeg me gewoon af waarom niet méér herderfamilies ter plaatse omgeschoold worden voor een werk dat er voorhanden is en dat het ecologische evenwicht minder bedreigt dan het blijven voortdoen met hun grote kuddes. Als voorbeeld kunnen we een Tibetaanse familie uit Tanggulashan aanhalen. Een koppel, geboren in de streek, twee zonen, één dochter en drie kleinkinderen. Zij hoeden 800 schapen en 20 yaks op een oppervlakte van 8.000 ha. Hun familie-inkomen ligt rond de 20.000 yuan per jaar, wat redelijk goed is. De dochter verrichtte gedurende 1 jaar eenvoudige handenarbeid bij de aanleg van de spoorweg. De huisvader is 50 jaar oud en wil later wel naar Golmud gaan wonen met zijn kleinkinderen om hun studies te begeleiden. Maar hij wil dat zijn zonen en zijn dochter in Tanggulashan blijven om er de veeteelt verder te zetten en voor een inkomen te zorgen, ondanks de verhuizingpolitiek. Het enige motief dat aanspreekt om de streek te verlaten is de opvoeding voor de kinderen. Maar omschakeling naar een ander werk en inkomen is voorlopig afwezig. Voor hen had de nieuwe spoorlijn dus "geen invloed".

Bij een andere Tibetaanse familie uit Tanggulashan was het al zover: de grootouders en de kleinkinderen woonden in de omgeving van Golmud, terwijl de kudde gewoon doorging in de Tanggula streek met de zonen en de dochters. Het is een rijke familie, die bovendien uitsluitend van de veeteelt leeft. De familie telt twaalf personen, waarvan enkel twee grootouders en enkele kleinkinderen naar Golmud uitweken, waar ze van de overheid een gratis woonst in eigendom kregen. Een huis dat trouwens door de familie comfortabel ingericht is, met tapijten, DVD-installatie, grote veranda en dies meer. De rest van de familie beheert in Tanggulashan een grote kudde van 1.000 schapen en 100 yaks. Eén van de kleindochters is ondertussen afgestudeerd aan de Qinghai universiteit, maar vindt sinds één jaar geen werk. Het probleem van de werkgelegenheid vinden we bij andere Tibetaanse families die naar Golmud uitweken net zoals bij Hui of Han families die al langer in de omgeving van Golmud verbleven.

Apart van de vraag over "geen" tot "zeer veel" invloed, vroegen wij aan de families of zij enige hinder ondervonden tijdens de werken of een negatieve invloed zien nadien. Niemand klaagt over ondervonden hinder. Nu de spoorlijn operationeel is vermelden vooral de inwoners van Tanggulashan dat er iets minder bussen rijden tussen Golmud en Lhasa, waardoor er dus minder stoppen in hun dorp. Algemeen komt de tijdelijk verlaagde activiteit ter sprake, zowel in de stad Golmud als onderweg naar Lhasa. Golmud was bruisend tijdens de constructiewerken en is dat nu duidelijk minder. Het is wachten op de bloei van China's "Salt Lake City". Bij navraag over gestegen prijzen voor consumptiegoederen tijdens de constructieperiode, blijkt niemand problemen ondervonden te hebben, integendeel, sommige boeren of herders konden hun producten gemakkelijker en soms voor een betere prijs verkopen.

Gemiddeld inkomen

Als we de drie families die zéér veel verdienen en de drie die zéér weinig verdienen buiten beschouwing laten, dan ligt het gemiddelde van de overige families rond de 25.000 yuan per jaar. De kleine steekproef is natuurlijk niet representatief genoeg voor algemene conclusies. Voor het district Golmud lag het gemiddelde inkomen in 2005 op 17.000 yuan per jaar en per familie voor de landelijke bevolking (6). De hoge inkomens onder onze ondervraagde families kennen we ondertussen: een ondernemer voor wegenwerken, een familie met drie vrachtwagens en een schapenhandelaar. Hun inkomens liggen boven de 100.000 yuan per jaar. Interessant is ook het bekijken van de drie lage inkomens van slechts 3.000 à 4.000 yuan per jaar.

Eén ervan is een oud Hui koppel - 70 jaar - waarvan de twee zonen uit huis zijn. Zij hebben 3 mu landbouwgrond en maken daar een klein beetje geld mee. Een van de zonen is uitgeweken naar Xiamen, in het zuiden van China, waar hij een restaurantje heeft met Qinghai noedels als specialiteit.

Een tweede is een half sociaal drama. Een grootmoeder leeft - sinds haar geboorte -in Tanggulashan, nu met haar enige dochter, die een onwettige zoon heeft, momenteel 13 jaar oud. Zij bezitten slechts 100 schapen en 20 yaks, die ze dan nog verhuren aan iemand anders om ze te hoeden. Een pover huis met een vloer van gestampte aarde, hoe kan het anders met hun karig inkomen van 4.000 yuan per jaar.

Een derde familie, ook in Tanggulashan, bestaat uit zes personen, twee ouders, twee kinderen en twee kleinkinderen. Hun enig bezit zijn 400 schapen op 3.000 ha barre grond. Geen nieuw huis, een arm interieur, een klein-scherm-televisie uit de jaren vijftig en één moto. Hier ook zonnepanelen geschonken door de overheid. Hun vooruitzicht voor volgend jaar is verhuizen naar Golmud voor de opvoeding van de kleinkinderen, die al 8 en 12 jaar oud zijn.

Terugkomend op de verhuizingpolitiek uit het "Sanjiangyuan" gebied

DSCN2626

De bestrijding van de woestijnvorming in het brongebied van de "drie grote stromen" is een noodzaak. Het stoppen van begrazen en het verhuizen en herscholen van herders zeker ook. Ongeveer 700 families gingen op het verhuizingbeleid in. We hebben met vier families gepraat, die recent uitweken. Er zijn met overheidsgeld twee kompleet nieuwe dorpen gebouwd in de omgeving van Golmud, één voor 128 families en een tweede voor 240. Een gratis huis wordt ter beschikking gesteld voor hen die bereid waren om de stap te wagen en zij krijgen bovenop nog een leeftoelage van 500 yuan per familie en per maand gedurende tien jaar. De mensen zijn erkentelijk. Wat hun aantrok was de mogelijkheid voor beter onderwijs voor de kinderen en dat is er. Eén probleem voor hen is niet opgelost: werk vinden, voor henzelf of voor de afgestudeerde kinderen. Zoals een ex-herder ons vertelde: "Voor wij verhuisden hebben kranten en informatiebrieven ons werk voorgespiegeld in Golmud, maar wij hebben geen stabiele baan, wij zijn niet gewend aan het stadsleven, er zijn taalproblemen om in een bedrijfje te werken, wij hebben geen enkele technische vaardigheid, rest ons handlanger in de bouw, maar daar zijn er kleine ondernemers die ons te laat of niet betalen." De man had vroeger 80 yaks en 700 schapen in de Tutuohe streek. Bij goed weer, dat wil zeggen: wanneer het gras welig was, verdiende hij tot 30.000 yuan per jaar. Zijn familie-inkomen ligt nu lager, hij teert op de verkoop van zijn kudde. Zijn twee zonen en zijn twee dochters volgen hoger onderwijs in Golmud, wat hem tevreden stelt. Dat is zijn grootste zorg, een goede toekomst voor hen. Hij is tevens de verkozen "burgemeester" van het nieuwe Tibetaans dorp in de omgeving van Golmud. Daarvoor krijgt hij een jaarlijkse vergoeding van 2.000 yuan. Amper 200 euro, de vergelijking met burgemeesters in Europa gaat niet op, zelfs al brengen we de levensniveaukost op gelijke hoogte.

Vier herderfamilies in Tanggulashan geven expliciet te kennen dat zij er niet weg willen. Een vijfde familie - die met hun Tibetaans theerestaurantje in Tanggulashan - wil wel naar Golmud emigreren wanneer zij de kans zien om daar een rendabel theehuisje te openen, niet vroeger. Van de zes geïnterviewde families, die nog in Tanggulashan wonen, heeft er eigenlijk slechts één het plan om naar Golmud uit te wijken. Er wonen nog 1.600 mensen als herders in de streek en 400 in de diensten langs de grote baan.

Dongcun, het oudste landbouwersdorp in de omgeving van Golmud

In Dongcun wonen 1037 families op 600 hectare, Han, Hui, Tibetaans, Mongools en Tu door elkaar, eigenlijk zoals geheel Golmud een mengelmoes is van diverse nationaliteiten. Zeventig procent van de productie van het dorp is graan, dertig procent zijn groenten in serres. Slechts een tiental families zijn tegelijk herders. In de zomer hebben ze irrigatiewater uit de bergen, in de winter gebruiken ze putwater. Velen klussen bij in de bouw in de stad. Een vijftigtal families werkten mee aan de bouw van de spoorweg. Door de spoorlijn naar Lhasa kunnen zij méér producten in Tibet verkopen en aan lagere prijs door de lagere transportkost. Dat is ongeveer alles wat de nieuwe spoorlijn voor hen betekent. Typisch is ook dat dikwijls één van de kinderen een baan buiten de landbouw gevonden heeft. Eén van de bezochte families bvb, reeds 23 jaar in Dongcun, heeft een zoon die als arbeider in de potasfabriek (kaliumcarbonaat) werkt. Het familie-inkomen vaart er wel bij, ongeveer alle families bezitten een kleine bestelwagen en bijna alle huizen in Dongcun zijn gedurende de laatste tien jaar nieuw gebouwd of vernieuwd en comfortabel ingericht. In een ander dorp, een "niet-hukou" dorp, is dit niet algemeen het geval, er is minder geplande urbanisatie, wel elektriciteit en watervoorziening. "Hukou" is "een werkvergunningvoor onbepaalde tijd, gekoppeld aan een vaste verblijfplaats", vroeger "behoren tot een werkeenheid". Er wonen voornamelijk Hui families. Zonder of met een beetje landbouwgrond, migrantwerkers en kleine handelaren, die zich hier vrijelijk tien tot twintig jaar geleden vestigden en er nog wonen, ondanks de onzekerheid of ze er mogen blijven. Ook het aansluiten bij een ziekenkas is nog niet geregeld. Van de vijf families, die we hier ontmoet hebben, gaf er één als belangrijkste hoop voor de toekomst te kennen: het "hukou" statuut bekomen.

Toekomst

Alle ondervraagde families hebben geen grote verandering in zicht in de nabije toekomst. Dezelfde activiteit, dezelfde woonplaats. Eén punt kwam echter sterk naar voor: het belang dat zij hechten aan de opvoeding en de mogelijke werkgelegenheid nadien voor de kinderen of de kleinkinderen. Negen families hebben het expliciet vermeld. Drie families hebben een afgestudeerde die geen werk vindt.

Golmud is vrijwel klaar voor een bijzondere economische ontwikkeling: er zijn grondstoffen, er is plaats en infrastructuur en werkkracht is voldoende voorhanden. Scholing is nog een probleem, maar zoiets kan vrij vlug evolueren. De nodige startbudgetten voor de ontplooiing van de economische activiteit zijn zéér hoog en komen nog voor ongeveer 60% van de centrale Chinese overheid, zoals voor de waterbeheersing, de grote elektriciteitsuitrustingen, sommige wegenwerken, afvalverwerking, een gaspijplijn naar Lanzhou, maar ook voor het opstarten van grote bedrijven. Het aanleggen van de spoorlijn en het onderhoud van de nationale baan naar Lhasa is een direct nationaal budget.

Op de vraag of de families ooit de trein naar Lhasa zullen nemen, komen weinig enthousiaste antwoorden. Drie families hebben iemand die de trein al genomen had. Maar niet vanuit Golmud, want daar zijn voorlopig nog geen tickets beschikbaar. Zeven families klagen daarover. Twaalf families leggen de afstand af met de bus (zeven) of met eigen vervoer (vijf, waarvan twee Hui handelaren). De frequentie hangt af van het doel. Wanneer er handel bij komt kijken, dan is het meerdere malen per jaar. Om Boeddha te eren is het één keer per jaar of minder. Bij een Tibetaanse boer - die met zijn diploma "geraakte op eigen kracht uit de armoede" - is het al drie jaar geleden dat hij nog in Lhasa kwam. "Teveel werk," is zijn verklaring. Maar hij wil wel tijdens zijn oude dagen met zijn vrouw eens de trein nemen. Zeven van de tien Hui en Han families voelen geen behoefte om naar Lhasa te reizen, twee zeggen ook openlijk dat zij er het geld niet voor hebben.  

Besluit

Het moet herhaald worden dat de kleine steekproef geen grote besluiten toelaat, enkel een reeks indrukken. Toch geven die indrukken al een eerste beeld van wat er bij boeren en herders rond Golmud en langs de spoorlijn gebeurt, wat het onderwerp van het korte onderzoek was. De trein heeft voorlopig weinig invloed op hun leefwijze. Minder dan de helft van hen werkte tijdelijk mee aan de constructiewerken. Dat leverde hen een aardig extra inkomen op gedurende enkele jaren. Maar zij leerden geen nieuwe vaardigheden, zij verrichtten eenvoudige handenarbeid of klein transport. Families, bij wie een structurele verandering in hun activiteit optrad, zijn een kleine minderheid. De verwachting, in wat de spoorweg en de ontwikkeling van Golmud zal meebrengen, is wel algemeen positief, maar niet concreet.

Als directe bekommeringen, die hun leven beheersen, kunnen we de momentele schaarste van werkgelegenheid in Golmud en het ontruimen van het "drie rivieren gebied" vernoemen. Dat laatste is een ecologisch project en heeft niets met de trein te maken, maar het doorkruiste wel ons onderzoek. De herplaatste personen zijn nog niet herschoold. Zij genieten van rijkelijke staatssteun, een huis van 50.000 yuan als cadeau en 500 yuan per maand om te leven, gedurende 10 jaar, onafhankelijk van het feit of ze werk vinden of niet. Tot nog toe vinden ze geen vast werk, het is wachten op de verdere ontwikkeling van China's "Salt Lake City", waarvan de basis aanwezig is. Een ander zijdelings probleem dat wij te zien kregen is het feit dat de nationale baan, qua beheer en infrastructuur, achterloopt op de trein en voor nogal chaotische leefomstandigheden zorgt voor hen die er nog wonen.

Om zich te verplaatsen zien de geïnterviewde families voor hen weinig nut in de trein, zij zijn de minder kostende bus gewoon, gaan mee met een vrachtwagen of een familiecamionette en bovendien is Golmud nog geen opstapplaats voor personen, enkel een laad- en lospunt voor goederenvervoer. Dat laatste wordt door de landbouwers als positief ondervonden omdat hun producten sneller, minder beschadigd en goedkoper in Lhasa geraken.

De aanleg van de spoorweg was een grote sprong, de evolutie gaat nu weer matiger.

(1) zoals bvb in de autonome regio Tibet.

(2) 10 yuan is ongeveer 1 euro.

(3) het dagloon voor een constructiearbeider in de provincie Qinghai is gemiddeld 65 yuan (2005). Ter vergelijking: in Beijing is dat het dubbele (nationale statistieken). Beijing is uiteraard ook duurder om te leven en te wonen.

(4) jaarlijks gemiddeld geldelijk inkomen uit veeteelt en landbouw in Qinghai is ongeveer 17.000 yuan per familie. (statistieken 2005).

(5) 1 mu is ongeveer 1/15e hectare.

(6) statistical yearbook Qinghai 2006

28-12-06

Een dorp langs de spoorlijn op 100 km van Lhasa

In het dorp wonen 64 families, samen 286 Tibetanen. Zij bewerken een zestigtal hectaren, dat is nauwelijks 1 hectare per familie. Dertig jaar geleden hadden ze nog 2 hectare per familie want toen waren ze met de helft minder mensen. Hogere opbrengsten per hectare hebben de bevolkingsgroei net kunnen volgen. Gerst en wintertarwe krijgen elk 25 hectare en daarnaast nog 7 hectare voor koolzaad en 2 voor aardappelen. Rond de huizen telen ze groenten voor eigen gebruik. Het dorp beheert een kudde van 320 beesten, yaks en schapen samen. Enkele mensen van het dorp leidden die in de zomer de bergen in om te grazen. De arbeid op de velden wordt in samenwerkingsverband georganiseerd. Na afname van een deel voor eigen gebruik wordt de rest van de oogst verzameld voor een centrale verkoop. Na aftrek van de gemeenschappelijke aankopen, wordt de winst verdeeld volgens de opbrengst van elk veld en omdat de oppervlakte van de velden nagenoeg dezelfde is voor elke familie, is dat ook het geval met de centenverdeling. Wat zijn de gemeenschappelijke aankopen? Zaaigoed is het niet, want dit produceren ze zelf en verbeterde zaadsoorten krijgen ze gratis van de overheid. Mest hebben ze van de dieren, maar die zijn dikwijls het huis uit. Soms kopen zij chemische supplementen. Vroeger werd mest van de dieren verbrand om de huizen te verwarmen. Nu zijn ze overgeschakeld op steenkool. Gemeenschappelijk zijn ook de kleine infrastructuurwerken in het dorp. Er is een klein lokaaltje voor eerste medische hulp. Of het bouwen van een nieuwe stupa met een tempeltje, wat zij enkele jaren geleden deden. Of enkele te vernieuwen irrigatiebuizen. Het is niet ingewikkeld om te begrijpen dat die hectare per jaar en per familie weinig winst opbrengt: 200 euro, dat is het dan. Hoe wordt dit allemaal geregeld? Door de “harmonieuze ecologische samenleving” van weleer, zoals de 14e dalai lama ze beschrijft? Een “klein” verschil is dat zij toen tweederden moesten afgeven aan de heer of het klooster, zonder er 200 euro voor te krijgen en bovendien nog gratis corveewerk moesten verrichten. Nu krijgen die dorpsbewoners 170 euro per maand als zij bijvoorbeeld mee aan de spoorweglijn werken of aan een bebossingproject op een berghelling vlakbij. De bedoeling van de overheid is bebossen en de helling aan iemand geven voor latere bosbouw. Wie regelt? De dorpschef, de burgemeester van onze vroegere landelijke kleine gemeentes. Bij algemeen stemrecht verkozen voor een periode van vier jaar, is hij de “manager”, zoals hij het graag modernistisch uitdrukt. Manager van economische zaken voor het dorp, contact met de hogere instanties en bemiddelaar bij ruzie’s in het dorp. Er zijn bijeenkomsten voor dorpschefs op districtsniveau om ervaring uit te wisselen en overheidsinitiatieven te leren kennen, zoals opleidingsmogelijkheden voor landbouwers. Nog dit: 2 op 3 families hebben een kleine tractor en vier families hebben een vrachtwagen kunnen kopen. Paarden en moto’s zijn er niet. Een lagere school is op wandelafstand in een nabijgelegen dorp. En de jongeren op de middelbare school in het districtscentrum Tulun blijven er de gehele week. Op de vraag wat de dorpsmanager van plan was in de komende jaren kreeg ik als prompt antwoord: betere huizen bouwen met de opbrengst van een nieuw fabriekje. Een fabriekje? Ja, een Chinees uit Hongkong heeft in de omgeving een bedrijfje laten bouwen dat hooglandgierst in koekjes zal verwerken. Enkele mensen kunnen er gaan werken en het dorp kan de gerst aan een hogere prijs kwijt.

Eigen “spontaan” en “ongecontroleerd” bezoek, augustus 2005.

IMG_2000

de dorpschef

IMG_2001

in het dorpscafé, tevens winkeltje en vergaderzaal voor de dorpsraad

IMG_2002de vrouw van de dorpschef

De 14e dalai lama per trein naar Tibet?

Lhasa eindstation. Gloednieuw, flink buiten het stadscentrum, waar een boerendorp een even gloednieuw stadje geworden is . Sinds 1 juli sluit Lhasa aan op het Chinese spoorwegnet en kan per dag een paar duizend reizigers en ettelijke tonnen goederen in beide richtingen verwerken. De ontsluiting van de Westhoek? Gedaan met de colonnes dieselrook pruttelende vrachtwagens op het vijftal wegen dat naar Lhasa leidt? Een Chinese invasiemachine of een rollende pelgrimskaravaan?

Wie mag er op de trein naar Lhasa?
De prijzen voor een boeddhistische gelovige uit Xining, hoofdstad van de provincie Qinghai, om nu naar Lhasa te reizen zijn binnen zijn betaalbereik: 50 euro voor een traject van 2000 km in een comfortabele slaapplaats. Het kan goedkoper in een zetel voor 30 euro. In elk geval met minder kastijding dan dezelfde afstand te voet en neerknielend af te leggen. Wij gaan ook niet allen te voet naar Compostella. De 14e dalai lama vreest echter dat er teveel Chinezen de trein zullen nemen. Hij zegt het als goddelijk diplomaat redelijk voorzichtig, maar zijn regering in ballingschap zegt het duidelijker en zijn internationaal netwerk zegt het vrij krachtig. Eerst de 14e dalai lama: “Indien er geen verborgen politieke motivatie in de trein zit, kan die goed zijn voor Tibet. Maar als de trein de Chinese kolonisatie bevordert of het ecologisch evenwicht verstoort wordt hij een ramp voor Tibet.” (1). In deze brave uitspraak zit er al minstens één geopolitieke stelling van hemzelf in: ‘Tibet is nu al een kolonie, die door de trein kan bevorderd worden’. Daar kan een boek over geschreven worden. Dit zomaar meegeven in kleine losse uitspraken is een wereldklimaat creëren, waarin  dit zonder nadenken noch onderzoek communicerend genuttigd wordt. Een kolonie is iets dat men uitbuit. Terwijl de Chinese overheid gedurende 55 jaar niets anders deed dan er veel geld en hulp instoppen. Het lokale Tibetaans budget is voor 90% centrale overheidssubsidie. Daar kan Wallonië alleen maar van dromen. De Tibetaanse boer of herder betaalt geen cent belasting. Dat moest hij wel doen aan… de dalai lama, vooral in natura en voor een deel in centen als hij er had. De koopkracht van de gemiddelde werkende Tibetaan was in de jaren vijftig ongeveer nul, hij kon net in leven blijven met een beetje gerst, wat yakboter en een zeldzaam stukje schapen- of geitenvlees, uit eigen opbrengst. Nu kan hij een huis bouwen met een minimum aan sanitair, zondagse kledij kopen, per moto rijden en een zonnepaneel installeren. Bovendien is onderwijs en gezondheidszorg vrijwel gratis, wat stukken beter is dan in de rest van China. Zoiets kan moeilijk een klassieke “kolonisatie” genoemd worden. In alle “klassieke” Europese kolonies werd de lokale bevolking als werkslaaf ingeschakeld om tonnen grondstoffen naar het noorden te verschepen. De inheemse economie stortte in, de bevolking verarmde en epidemieën en hongersnoden dunden ze uit. Enkel de kerk bracht hier en daar wat zalf mee. Dit kan van Tibet niet gezegd worden. Er is geen massale grondstoffenuitbuiting en bovendien is de regio financieel autonoom: wat ginder geproduceerd wordt komt in het lokale budget terecht. En zoals gezegd, een budget dat nog voor 90% staatssubsidie vanuit Beijing is.
Maar de 14e dalai lama wil zelf terugkeren, met de vrije markt en de westerse democratie in het bagagerekje (2). Wie zal wie koloniseren? Hij wil ook alle daar aanwezige Chinezen op de trein richting Beijing zetten, voorgoed (2). En dat zijn er veel meer dan er Serviërs verspreid leefden in ex-Yougouslavië. Want de 14e dalai lama heeft het over een gebied dat drie maal groter is dan het huidige Tibet en waar al eeuwen verschillende volkeren gemengd samenleven. Kortom, hij wil nu geen of weinig Chinezen op de trein, anders moet hij straks nog méér retourkaartjes betalen. De trein op zich mag er volgens hem zijn, als technische vooruitgang, maar zonder Chinezen (1). Het is gemakkelijk te begrijpen waarom de trein op zich welkom is: de lijn ligt volledig op het grondgebied van zijn begeerd “Groot Tibet”. Een aangename reis voor hem, van het Kumbum klooster in Xining, zijn geboortestreek, naar het zomerpaleis in Lhasa, beter dan kouwelijk te paard zoals vroeger. Dat zegt ook letterlijk de Amerikaan John Ackerly, de directeur van het ICT (International Campaign for Tibet): “deze spoorlijn kan op termijn enkel goed zijn voor de Tibetanen als ze zelf baas worden over zowel de lijn als het land dat ze doorkruist”(3). Dit komt neer op annexatie van de provincie Qinghai bij “Groot Tibet” (4). De erevoorzitter van ICT is de gepolijste acteur Richard Gere. Uitvoerend voorzitter is Lodi Gyaltsen Gyari, hoge geestelijke van de Tibetaanse invloedrijke aristocratische familie Gyari en vertegenwoordiger van de 14e dalai lama in de USA. In de raad van beheer en onder de stafmedewerkers van ICT vinden we verschillende ambtenaren van de Amerikaanse staat. Ackerly zelf was agent voor de USA in Roemenië om er de dissidentenbeweging te steunen om Ceaucescu letterlijk te doen vallen (5). Richard Gere pleegde ook een artikel, waarin hij de trein beschrijft als een “rampsituatie in volle duisternis”(6). De teneur van het artikel is: ‘Het was er al zo slecht en nu nog dit!’. De trein brengt volgens hem en volgens het gehele internationale netwerk rond de 14e dalai lama “een verhoogde Chinese militaire aanwezigheid in Tibet” met zich mee. Alsof de Britse soldaten per TGV in 1e klas slaapcouchettes van London naar Bagdad reisden. Als China gelijk waar op zijn grondgebied militairen stationeert, vervangt of opleidt, dan staan zij niet eerst aan het loket ergens in een station aan te schuiven. Wie mag dus de trein nemen naar Lhasa? Geen Chinezen en zeker geen soldaten, alleen Tibetanen. Wij gaan de Polen in Brussel verbieden om de trein naar Lourdes te nemen, anders gaan ze daar alle lekkende kraantjes repareren en dat is cultuurgenocide. Richard Gere spreekt van de “schending van de heilige grond in Tibet”, waar nu rails op liggen. En Dhondup Dolma Bhartso, stafmedewerkster van het kantoor voor Buitenlandse Zaken van de 14e dalai lama schrijft dat de yakkuddes zullen schrikken bij het zien van de trein (7). Het kan belachelijk klinken, maar het wordt ernstig geschreven, door hooggeplaatsten rond de 14e dalai lama, betaald verspreid en sektarisch geloofd.

De radicale arm van de 14e dalai lama wil een boycott
De Tibetaanse jeugdbond (Tibetan Youth Congress) is de grootste politieke formatie van de Tibetanen in ballingschap. Zij noemen zichzelf een NGO. De voorzitter Kalsang Phuntsok Godrukpa kijkt wel tegen zijn zestigste aan, hij was er al bij van in het begin in 1970. We vinden andere belangrijke elitemensen terug: Lodi Gyari (ICT, USA) was één van de vier oprichters; Samdong Rinpoche, de huidige eerste minister van de 14e dalai lama, was op zijn éénendertigste vice-voorzitter van de jeugdbond in 1970, samen met de zus van de 14e dalai lama, Jetsun Pema, toen ook al de dertig voorbij. Het is niet zomaar een “radicale oppositie” tegen de zo vreedzame 14e dalai lama. Het waren en zijn vertrouwelingen van hem. Radicaal zijn ze, want in hun basistekst staat als één van de vier hoofdlijnen van hun politiek: “totale onafhankelijkheid van Tibet, zelfs als dit levens moet kosten” (8). Dat laatste is een eufemisme voor “zelfs met geweld”. Zij vormen het tweede gezicht van de 14e dalai lama. De trein willen ze boycotten en betoogden in Delhi en Mumbai voor (en in) de Chinese ambassade of consulaat. Er waren schermutselingen met de Indiase politie en enkele tientallen verdwenen voor een paar dagen of weken in de cel, waaronder de 40-jarige vice-voorzitter van TYC jeugdbond, Lobsang Yeshi. De TYC wil betere en meer wegen naar Nepal en India in plaats van de spoorlijn, als het maar weg van China is. Het internationale netwerk van “Tibet support” groepen is tegen trein-, weg- of vliegverbindingen met China. Vergrendelen van de grens met China: een muurtje bouwen op het dak van de wereld. Wellicht is het eerste gevaar niet een brug die inzakt onder de gesmolten en bewegende ondergrond, maar een springlading van het TYC. De oproep tot boycott werd verlengd in de USA door het ICT, je weet wel: dat van Lodi Gyari en de Amerikaanse staat. Aanbeveling aan alle economische entiteiten in de USA om geen enkele technische noch financiële steun te geven aan de bouw van de spoorlijn en alles er rond. Maar de Canadezen hielpen China met het bouwen van wagons uitgerust met luchtdrukregeling. Wat Dhondup Dolma Bhartso, de ernstige experte van de administratie van de 14e dalai lama, doet zeggen: “toeristen worden als in een vliegtuigkooi vervoerd, zonder voeling met de werkelijkheid van het plateau” (7). ’t Is nooit wel.

Toeristen welkom… bij de Tibetanen
Thubten Samphel, van het departement van informatie en internationale relaties van de 14e dalai lama, verwelkomt buitenlandse toeristen in Tibet, geen Chinese. Ze mogen met de trein komen (1). Hij zegt: “Het toerisme kan in zekere mate gefilterd worden om het direct bij de Tibetanen te brengen.” In klare taal betekent dit een advies aan buitenlandse toeristen om zoveel mogelijk “officiële” agentschappen te mijden, te slapen in 100% zuiver Tibetaanse hotels, te kijken of de kok in een restaurant een Chinees gezicht heeft of een Tibetaans alvorens te bestellen en Japanse 4X4 wagens uit te kiezen als ze maar een Tibetaanse chauffeur hebben. Dat zegt een woordvoerder van de 14e dalai lama, vol compassie. Terwijl racisme aanstuurt op oorlog. Deze boodschap wordt door het gehele internationale netwerk van de 14e dalai lama overgenomen. Je vindt het bij de Tibetgroepen in ons land, in Frankrijk, Duitsland, e.a. bij de vleet. Ooit gezien in een Tibet-info tijdschrift in België: een foto van één enkele ingedommelde Chinese soldaat op de trappen van één of ander cultureel monument in Lhasa, met als ondertitel: “de militarisering van Tibet”. Want toeristen worden ook aangemaand om foto’s te nemen van “troepenverplaatsingen”. Het voorbeeld in kwestie kon moeilijk “verplaatsend” genoemd worden en nog minder “troepen”.

De spoorlijn: een bagatel?
Uiteraard niet. Het is een technisch gedurfd en letterlijk hoogstaand project. Het heeft politieke, economische en sociale bedoelingen. Alles wat de mens construeert heeft dat. Turkije of Roemenië bij Europa brengen heeft dat ook. China investeert een massa geld in de spoorlijn. Dat bevestigt de nationale eenheid (in verscheidenheid), brengt diversificatie van de economie mee, zorgt voor werk, vergemakkelijkt de handel. Wat is daar slecht aan? Nostalgici hier dromen van een ongeschonden oerras. De Duitsers dachten zelfs dat het Ariërs waren, afkomstig van de Indo-europeanen die de oude Indus cultuur vernietigden. Mis, het is een volk verwant aan de Chinezen. Tibet treedt de moderne wereld binnen, of we dat nu willen of niet. Eigenlijk wil de 14e dalai lama dat ook, maar dan in de moderne westerse wereld, niet in de Chinese. De spoorlijn is een dwarsligger.

(1) DPA, interview met Duits persagentschap 30/6/2006  
(2) “Tibet: A Future Vision” van Samdhong Rinpoche, hoge geestelijke, door de 14e dalai lama in 1991 aangesteld als voorzitter van het parlement van de Tibetanen in ballingschap en sinds 2001 eerste minister. De 14e dalai lama schreef zelf in 1992 de grote lijnen van de basistekst “A Future Vision” en Samdhong Rinpoche vulde de details in en publiceerde een uitgebreide tekst in 1996. In interviews heeft de 14e dalai lama het over de “uitroeiing van het Tibetaanse ras door de massale aanwezigheid van Han Chinezen.” En “culturele assimilatie of genocide” (Barry Sautman in Contemporary Tibet, USA, 2006).   
(3) The Wall Street Journal Asia, 30/06/06. Het artikel is overgenomen in het “Tibetan Bulletin”, het officiële blad van de administratie van de 14e dalai lama in India.
(4) De bevolking van Qinghai bestaat ongeveer uit één derde Hui (moslimminderheid), één derde Han en één derde Tibetanen, naast nog wat kleinere groepen zoals Mongolen, Tu, Kazakken en nog een paar hele kleintjes. De spoorlijn Xining-Lhasa ligt voor 3/4e in Qinghai.
(5) website ICT, kort curriculum Ackerly (we mogen aannemen dat een volledig curriculum nog wat meer zou tonen).
(6) The New York Times, 17 juli. Eveneens overgenomen in het blad van de 14e dalai lama (juli-nummer). 
(7) Tibetan Bulletin, administratie dalai lama, juli
(8) website TYC

spoor