31-05-10

Tempels in de vernieling, monniken aan de collectieve landarbeid

Tussen 1966 en 1969 werd Tibet, net als de rest van China, overspoeld door de massabeweging van de Rode Gardes van de Culturele Revolutie. Het overdreven, gauchistische activisme dat die periode kenmerkte was des te onvermijdelijker in Tibet, waar het religieus obscurantisme zwaar woog. Het kon niet uitblijven dat de jonge rebellen de religie, de kloosters en de tempels zouden aanvallen. Zhou Enlai, die perfect begreep hoe gevoelig het godsdienstleven in Tibet lag, kwam tussenbeide om ondoordachte aanvallen te voorkomen. Reeds in augustus 1966 beval hij aan de Rode Gardes om uit Tibet weg te blijven. Hij herhaalde zijn oproep in oktober, tevergeefs. Hij kon enkel een aantal zéér belangrijke kloosters en gebouwen doen sparen door er het leger bij te plaatsen, zoals het Potala paleis, het zomerpaleis, de Jokhang tempel. Ook enkele Tibetaanse kloosters buiten Tibet, in streken bewoond door Tibetanen kregen hoge bescherming, zoals het Serxu klooster in Sichuan.

 

Verwoeste kloosters

Alle vernielingen zijn niet enkel aan de Chinese Culturele Revolutie toe te schrijven, wel een belangrijk deel.

Het ging evenmin om een etnisch conflict tussen Han Chinezen en Tibetanen; de rode gardisten waren zowel Han als Tibetaan. Wel werden de Tibetaanse gewoontes bijzonder hard aangepakt; de lange haartooi werd verboden, vest en broek kwamen verplicht in de plaats van de traditionele kledij, gebedskapelletjes werden niet meer geduld in de huizen, de monniksmantel werd verbeurd verklaard en alle rituelen waren uit den boze. De Tibetaanse geschreven taal verdween naar de achtergrond, want ze werd bestempeld als een erfenis van de geestelijke adel. Aangezien er in Tibet en aangrenzende gebieden veel tempels en kloosters stonden, zijn er meer verwoest dan in de rest van China. Men komt in Tibet bijna geen tempel of klooster tegen waar geen vernielingen zijn aangericht. Toch werden ze slechts uitzonderlijk met de grond gelijk gemaakt. De kringen rond de 14de dalai lama stellen nochtans: “Tibets cultuur en godsdienst werden vanaf 1955 vernietigd, en dat niet enkel gedurende de Culturele Revolutie. Van de 6.259 kloosters bleven er slechts 6 over in 1976. Van de 592.538 monniken en nonnen werden er 110.000 dood gemarteld.” Hier past een woord over het aantal kloosters en monniken. Belangrijk is dat de tekst het heeft over ‘Groot Tibet’, niet enkel over Tibet zelf. Het cijfer 592.538 geestelijken is hoogst onwaarschijnlijk, want dat zou betekenen dat de helft van de mannelijke bevolking in die tijd onder de pij zat als we het minieme aantal nonnen van toen in mindering brengen. Bijna alle bronnen, zelfs sommige van de regering in ballingschap, spreken dat tegen. Het ging over maximum 25 procent van de mannelijke bevolking. Bovendien werd het aantal monniken nooit tot op de persoon na geteld voor ‘Groot-Tibet’. De 6259 kloosters zijn dan weer nodig om dat overdreven aantal monniken te staven. Ook hier kan vermeld worden dat het  aantal kloosters en kloostertjes (soms met slechts enkele monniken) nooit precies geteld werd. Dit cijfer wordt nochtans in het Westen zonder kritiek overgenomen; zo staat het letterlijk (6259) in het aanklachtdossier ‘Tibet’ van de Franse senaat.

 

De rode gardisten in Tibet waren verdeeld in twee kampen: de ‘rebellen’ en de ‘alliantie’. Er volgde een woelige fractiestrijd. Zo nam de ene groep de krantenredactie van Lhasa in, de andere het radiostation. De confrontaties werden steeds bitsiger en er vielen doden. In september 1969 maakte het leger een einde aan de excessen en in 1971 werd de godsdienstvrijheid heringevoerd. Toch duurde het tot het einde van de jaren zeventig vooraleer de kloosters weer opengingen.

Officieel duurde de Culturele Revolutie tien jaar, tot aan de veroordeling van de ‘Bende van Vier’ in 1976. In Tibet zijn de tempelvernielingen te situeren in de periode van 1966 tot 1969 en bleven ze grotendeels beperkt tot de steden. Meestal betrof het geen wilde raids. Omdat er politieke consensus was dat de tempels de bakens waren van het feodale gedachtengoed, ging men georganiseerd te werk. Inspectieteams bepaalden welke kostbare voorwerpen moesten bewaard en dus opgeborgen worden en welke voorwerpen mochten vernield worden. Sutra’s, teksten van of over de Boeddha, werden als het verspreidingsinstrument bij uitstek gezien van de feodale ideologie en gingen dikwijls in vlammen op, tenzij het om zeer oude kopijen ging. Ook sommige beelden van grote materiële waarde mochten de schatkamer in.

De meeste kloosters die werden aangevallen, werden zoals gezegd niet helemaal vernield. Een klooster is immers een soort kleine stad met talrijke constructies. Vaak bleven heel wat gebouwen gespaard en mochten een deel van de monniken er ook blijven wonen, terwijl zij verplicht werden ingeschakeld in de landbouwproductiebrigades. Van sommige kloostergebouwen gebruikte men de pilaren en het hout voor de constructie van nieuwe woningen. Het waren vooral de tempels die het moesten ontgelden. Ze werden ontruimd en soms zelfs ontmanteld.

Nu zijn er opnieuw 2.500 actief (waarvan 1.700 in Tibet zelf). Dat is nog driemaal meer dan het aantal kerken in Vlaanderen, dat ongeveer dezelfde bevolking telt als het totaal aantal Tibetanen. Voor 1959 waren er 110.000 monniken in Tibet zelf, wat 20 % van de mannelijke bevolking betekende. Dit is teruggevallen op 46.000. Een eerste belangrijke reden vinden we in 1959 zelf, toen het lijfeigenschap afgeschaft werd samen met de verplichting om per grote familie één monnik te leveren. De mensen hadden uitzicht op betaald werk en op rendabel boeren. Minder jongens uit de lagere klassen werden als mogelijke ontsnappingsroute uit de armoede naar het klooster gestuurd.

 

Monniken de boer op

Tijdens de Culturele Revolutie (1966-1976) werden alle monniken het veld op gestuurd. Sommigen kwamen nadien terug en nieuwe jongeren boden zich aan vanaf het einde van de jaren zeventig. Het aantal monniken ligt nu op 4 % van de mannelijke bevolking. “Een redelijker aantal,” zeggen de overheden, “ruimschoots genoeg om alle religieuze activiteiten te verzorgen”.

 

Enkele voorbeelden van kloosters.

 

Het belangrijke Ganden klooster bij Lhasa werd volledig vernield. Niet tijdens de Culturele Revolutie maar in 1959, toen 63 van de 80 hoge lama’s en ongeveer drie vierde van de 4000 monniken van dat klooster zich aansloten bij de gewapende opstand en een aanval organiseerden op het gemeentehuis en de legerkazerne van Shannan.

 

Derge ligt op 3.000m en op de grens tussen Sichuan en Tibet, langs de oever van de bovenloop van de Yangzi. Tibetaanse goudzoekers ziften het modderige water op beide oevers. Maar de stad is vooral bekend om zijn drukkerij. Geen reclamefolders, maar boeddhistische sutra’s, artisanaal vermenigvuldigd. De drukkerij dateert van de Qing-periode (1729) en bevoorraadt alle grote verkooppunten in Tibet en zelfs een aantal in het buitenland. Tibetaanse ballingen vertellen graag dat de Chinezen alles en overal verwoest hebben tijdens de Culturele Revolutie. Voor Derge hebben de Rode Gardes dan toch een ommetje gemaakt of de boeken gespaard, want een soort museum aldaar bevat ongeveer honderdduizend oude en soms unieke kopieën van Tibetaanse klassiekers en boeddhistische sutra’s. De staat heeft in 1989 een speciaal budget uitgetrokken om de drukkerij te vergroten en de oude te renoveren en te onderhouden. Het basiswerk van de traditionele Tibetaanse geneeskunde, de “Vier Medische Tantra’s”, is ook in het Derge klooster te vinden. Achter het klooster kan je op bezoek bij een oude klassieke dokter, Lore Phuntsog, in een klein Tibetaans huisje. Een kommetje tsampa deeg vermengd met wat water naast een draagbare computer toont het samengaan van nieuw en oud op zijn werktafeltje. Vragen beantwoorden, urineonderzoek, het voelen van de pols en het bekijken van de tong leidden tot zijn diagnose, waarbij de twee laatste methodes gelijkaardig zijn aan de Chinese traditionele geneeskunde, die samen met een prinses haar intrede deed in Tibet in de 7e eeuw. Lore Phuntsog is geen monnik maar omwille van zijn kennis toch gekozen als administratief directeur van het nabije Dzongsar klooster en voorzitter van de lokale boeddhistische universiteit. In het klooster heeft hij zijn eigen kruidenfabriekje ondergebracht. De streek ten zuiden van Derge, langs de Jinshajiang (bovenloop van de Yangzi), is bekend omwille van zijn overvloedig en verscheiden aanbod van geneeskrachtige kruiden.

 

In Xinglong (provincie Qinghai) werd in 1981 in een klein klooster een zeer waardevol boekenset “ontdekt”: “Tripitaka van de bon religie”, 185 volumes met een uitgebreide beschrijving van de oude bon religie, de enige encyclopedie in zijn genre.

 

Het Sakya klooster, centrum van de sakya school, in West-Tibet, lijkt grotendeels gespaard gebleven. Het tempelcomplex werd hersteld in 1945 en is onveranderd gebleven. Fresco’s, Mandala’s, beelden en stupa’s zijn nog in originele staat. Ook een collectie boeken, een vijfduizendtal in het Tibetaans, over politiek, samenleving, geschiedenis, wetgeving, religie, astrologie en geneeskunde.

 

Het Samye klooster, het eerste grote klooster in Tibet (1200 jaar oud), werd grotendeels verwoest. De grote centrale tempel bleef overeind.

 

Naar het einde toe van de Manchu (Qing) periode, in het begin van de 20e eeuw, werden de meeste belangrijkste lamaïstische kloosters in Sichuan en Oost-Tibet vernield. De “Tibet support” groepen noemen de Manchu’s steevast de niet-Chinese dynastie, die samen met de Mongoolse dynastie veel respect opbrachten voor het lamaïsme en als het ware hun spirituele ondergeschikten waren. Dit doen ze met de bedoeling om de indruk te versterken dat Tibet pas in 1951 bij China ingelijfd werd door de goddeloze communisten. Toch zijn het de Manchu’s die de politieke macht van het lamaïsme zijn beginnen inperken. Zij voelden zelf de frisse adem van de republikeinse gedachte op zich afkomen. In een poging om geheel China iets te moderniseren botsten zij ook op de feodale Tibetaanse lokale heersers, vooral de kloosterelite. Generaal Zhao Erfang ging er flink tegenaan in Sichuan. Hij verplichtte de kloosters een deel van hun monniken “te laten gaan”, legde een laag maximum quorum op, stelde een stop in op novicen, schafte de taksen af die de boeren aan de kloosters moesten betalen en verving die door een kleine dotatie. Opstandige kloosters – en die waren er uiteraard – werden gewapenderhand ingenomen en grondig vernield. Zo verging het de grote kloosters in de steden Batang, Qamdo, Litang, Deqen en Drayab in de periode vanaf 1905 tot 1912. De decennia erna werden geen periode van bloei, de streek bleef geteisterd door rivaliserende krijgsheren. Veel werd er niet heropgebouwd. Nu zeggen dat die kloosters met de grond gelijk gemaakt werden tijdens de Culturele Revolutie is de slachtoffers van de eerste wereldoorlog bij de tweede tellen. 

 

Het Orgyen Mindroling klooster is het grootste nog bestaande nyingmapa klooster (oudste boeddhismeschool in Tibet). Het bevindt zich op 100 km ten oosten van Lhasa, in de vallei van de Yarlung Tsangpo. Dit klooster werd grondig verwoest tijdens de inval van Dzoungaren (uit Centraal–Azië), in de 18e eeuw. Wat herrezen was kreeg het opnieuw te verduren tijdens de Culturele Revolutie. Toch zijn er heel wat antieke beelden, stupa’s, fresco’s, geschriften en schrijnen overgebleven. Die zijn nu opnieuw te zien in het grotendeels gerestaureerde klooster. Van bij zijn stichting in 1670 tot in de 20e eeuw was Mindroling de eigendom van slechts twee familieclans. De oversten waren de zonen of de neven van de vorige. De huidige 12e Minling Trichen, geboren in 1931 en die zijn vader abt opvolgde, vluchtte naar India in de jaren vijftig. Buiten het feit van zowat de hoofdzetel van de nyingmapa te zijn, is Mindroling van oudsher een befaamd centrum van wierookproductie en was het exclusieve hofleverancier voor het Potala paleis. Ingrediënten voor Tibetaanse wierook zijn een soort “kamfergras”, diverse hooglandkruiden, olmschors, cipres- en sandelhout. Dat laatste werd ingevoerd vanuit India. Van het “kamfergras” zegt de legende dat Tsongkapa, de grondlegger van het Tibetaans boeddhisme, zijn haren rond het Ganden klooster in Lhasa uitstrooide, wat er een speciaal geurig gras deed groeien.

 

Oude dorpstempels

Niet ver van Dengqen in het noordoosten van Tibet stoppen we in een dorp. De kleine oude tempel staat er nog steeds en is niet vernietigd tijdens de Culturele Revolutie. Het is een bedrieglijke overdrijving dat “minder dan tien tempels of kloosters overbleven” na de Culturele Revolutie, zoals de onafhankelijkheidstrijders nu zeggen. De tempel behoort tot de nyingma school. Voor hen was het celibaat niet van toepassing. De man – monnik – die ons ontving was getrouwd en landbouwer zoals de rest van het dorp. In de tempel is er een goed gevulde oude bibliotheek en een reeks beelden met goden gekoppeld aan een godin.

tibet 05 (258)

 de oude dorpstempel in Dengqen

Cultuurschat

In het kanton Comai (Tamzhol of Tsome), in het departement Lhoka, werden bij herstelwerken aan de oude tempel Khatang bonmoche, oude waardevolle documenten gevonden. Een boek over de bon religie, daterend uit de Tubo periode (7e-9e eeuw), en boeddhistische geschriften uit de 11e en de 12e eeuw. Ook zeven beschreven “bladen” van berkenschors. De vondst werd overhandigd aan het museum in Lhasa.

 

Labrang en Amtcho

Tempels werden geplunderd door de troepen van Ma Pufang in 1919, die tussenkwam in een machtsconflict in het klooster. Het paleis van een hoge lama werd in de as gelegd. Iets verderop werd het Amtcho klooster volledig platgebrand en alle monniken gedood. Zij hadden het aangedurfd om weerstand te bieden tegen Ma Pufang (een lokale veldheer in de huidige provincie Qinghai).

 

Gyirong, een verdwenen klein koninkrijkje

Gyirong is nu nog een kanton, iets ten oosten van de bekende berg Xixiabangma (8012), bij de Tibetaanse grensovergang richting Kathmandu. Toen het Tibetaanse Tuborijk uiteenviel in de 9e eeuw, vluchtte een deel van de elite naar het westen. Er ontstond een koninkrijk: ‘Guge’, beter bekend en gelegen in de buurt van de Kailash berg. Maar een deel van de vluchtelingen bleef onderweg haperen in Gyirong. Zoals Guge is Gyirong nu ongeveer een ruïne geworden. Maar er staat nog een tempel, Zhoma Lhakhang! Met zeer mooie houtsculpturen, mogelijks daterend van de 10e  à 11e eeuw. Hij was in verval - het dak was ingevallen – maar het Tibetaans instituut van Chengdu ontfermde zich over de restauratie (voornamelijk het dak momenteel) en wil studies publiceren over de oude houtsculpturen.

 

 

Springlevend kloosterleven

Niet alleen de gebouwen zijn er terug beter aan toe. Ook de Tibetaanse devotie is verre van dood. Elk klooster houdt één of tweemaal per jaar feest. Soms levert dat enorme bijeenkomsten op van gelovigen. De vijfjaarlijkse ceremonie in Serxu, in het uiterste noordwesten van Sichuan is daar een treffend voorbeeld van. Er wonen maar 60.000 mensen in het district Serxu, van wie 90 procent Tibetanen, en toch komen zo’n 200.000 mensen gedurende de feestweek in april bijeen. Daarmee moet deze plek aan het eind van de wereld niet onderdoen voor andere, meer toegankelijke religieuze oorden op aarde. Langs de oever van de Yalong rivier, tegen de kale helling aanleunend, staan enkele tientallen tempels van oost naar west gelijnd. De vijfendertigjarige gereïncarneerde lama Shiba Rinpoche zit de ceremonie voor. Hij is open van geest en staat vorming in het lamaïsme toe voor buitenstaanders. Het tempelcomplex werd in 1760 gebouwd tijdens het bewind van de grote 5de dalai lama. De oudste gebouwen staan er nog, maar het complex is inmiddels uitgebreid met een nieuw hoger lamaïstisch instituut, met bijbehorende slaapzalen voor tijdelijke studenten en met twee hotels en een restaurant voor gegoede bezoekers zoals wij.

Gewoonlijk voorziet de familie in het onderhoud van de monniken. Zij betaalt ook voor erediensten. Maar sommige rijkere monniken, die uit werken gaan gedurende bepaalde periodes, sponsoren zelf hun familie. Zo ging een aantal monniken van Serxu werken bij de aanleg van de spoorlijn van Golmud naar Lhasa

 q260b

 Een deel van het Serxu klooster

 

Mensen tijdens de Culturele Revolutie

Het communesysteem in de landbouw bestond uit drie niveaus: de commune ( ongeveer de grootte van een kanton), de “ploeg” als een verzameling van enkele dorpen en de “brigade”, die eigenlijk samenviel met een bestaand dorp. De mensen werkten per brigade gemeenschappelijk op hun velden en kregen daarvoor een salaris, wat rond de 5 euro per maand bedroeg. Hoewel dit beduidend méér was dan in het oude regime voor 1959, bleef het nauwelijks rondkomen voor de basisbehoeften. Toen in 1982 weer privé-initiatief toegelaten werd, verliep dit niet overal met enthousiasme. Een partijsecretaris van een ontbonden commune begon een privé transportbedrijfje met een microkrediet van de staat. Het comité van de commune zette hem af, met als argument dat hij als partijsecretaris eerst aan de gemeenschap moest denken en niet aan zichzelf. De man zette door, kon werk geven aan broers en aan enkele andere mensen van het dorp. Hij kreeg lof vanuit de overheid van Lhasa, als “modelwerker” en bemiddelde bij het verkrijgen van nog meer microkredieten voor andere dorpelingen, om hen toe te laten de lokale bezigheid te diversifiëren. De kritiek van bij het begin was vrij vlug vergeten.

 

Tseten Namgyal, een thangkaschilder

In een interview vertelt de beroemde thangkaschilder over zijn jonge jaren. Hij werd geboren in 1960 als vierde kind in een familie van negen. Na drie oudere zusters is hij de oudste zoon van een gewoon landbouwersgezin in het district Lhundrup, ongeveer 60 km ten noorden van Lhasa. Hij was een overtijdbevalling, vandaar de naam die zijn ouders hem gaven: Tseten staat voor “veilig” en Namgyal voor “overwinning”. Als kind moest hij zorg dragen voor zijn vier jongere broertjes. Toen hij 10 jaar was (1970), kreeg hij de kans om Tibetaans te leren in een kleine staatsbasisschool. Maar al vlug haakte hij af om het lage inkomen van zijn gezin bij te springen door kuddes van andere boeren te grazen te leiden. De negen kinderen sliepen samen in één kleine kamer en deelden per twee een schapenvacht als deken. Maaltijden waren zelden meer dan tsampa (gerstemeel). Een gebakken aardappel was een festijn. Op zijn vijftiende, in 1975, werd hij chauffeur van een tractor en werkte voor de commune. Zijn maandsalaris bedroeg 2,3 euro, plus 15 kilogram tsampa en een halve kilogram yakboter. Kort daarop werd het communesysteem afgeschaft en verviel ook het vaste salaris. Zijn familie ging er op achteruit en zijn vier broers werden naar het klooster gestuurd om in hun onderhoud te voorzien. Tseten Namgyal leerde het vak van meubelmaker en beschilderde die ook. Hij werd bij mensen uitgenodigd om hun meubels te komen versieren. Stilaan kwam het geld binnen. Op een dag kon hij zijn vader 60 euro ineens geven. Zijn vader bleef de honderden bankbriefjes (equivalent voor doe 60 euro) de hele avond natellen. Van armsten in het district klom het gezin op tot de meest welvarende in enkele jaren tijd. Vanaf de jaren tachtig werd Tseten Namgyal leerling van een grootmeester in thangka-schilderen en is nu zelf de bekendste artiest in dat genre in Tibet, met een zijn eigen school in Lhasa. De leerlingen betalen geen schoolgeld. Naast de schildertechnieken leren zij er ook Chinees en Engels.

 

Traditionele opera

Een nu beroemde Tibetaanse operagroep, de Jomulung groep uit Nechung, vertelt hoe ze zeer moeizaam de periode van de communestructuur doorgeraakten. Alle leden van de operagroep moesten op het land werken, opera was voor de vrije tijd en dus niet betaald. Het was een karwei om de mensen bij elkaar te brengen om niets te verdienen. Repeteren en voorstellingen geven kostte inspanning en er kwam nauwelijks een halve yuan per persoon en per dag in de kas. Twee leden van de groep konden in 1964 nog deelnemen aan een festival van diverse traditionele kunsten in Beijing, voorgezeten door Mao. Maar daarna viel de activiteit stilaan stil. Pas in 2001 werd de 19 leden tellende groep, met jong talent en in vol ornaat, opnieuw op het toneel geplaatst. Met een startsubsidie van 2000 yuan (200 euro), verleend door het Bureau voor Culturele Zaken van Lhasa, en twee private sponsors die samen 10.000 yuan schonken. Van dan af liep het weer goed voor de groep, die nu een vast contract hebben met een lokale Tv-zender.

 

Herstel

In 1980 werd beslist om geen belastingen meer te heffen op de activiteiten van de boeren, veehouders en handwerklieden. Voordien bedroeg die belasting 8 %.

De Chinese regering trok 4 miljoen euro uit voor het herstellen van tempels en kloosters die vernield of beschadigd waren tijdens de Culturele Revolutie.

De Tibetaanse taal werd hersteld in het basisonderwijs. Tijdens de Culturele Revolutie was er alleen onderwijs in het Chinees.

 

Bronnen:

Tibet Handbook (Gyurme Dorje)

Magazine ‘China’s Tibet’, jaargangen 1990-2009

 ‘On the Cultural Revolution in Tibet’ (Goldstein)

‘Shelton pioneer in Tibet’ (Wissing)

David-Neel, au pays des brigands gentilhommes, Plon pocket.

Eigen bezoeken

 

17:51 Gepost door infortibet in culturele revolutie | Permalink | Commentaren (2) | Tags: tibet, kloosters, monniken, vernielingen

13-05-07

Een oud tempeltje

Niet ver van Deqen in het noordwesten van Tibet stoppen we in een dorp. De kleine oude tempel staat er nog steeds en is niet vernietigd tijdens de Culturele Revolutie. Het is een bedrieglijke overdrijving dat “minder dan tien tempels of kloosters overbleven” na de Culturele Revolutie, zoals de onafhankelijkheidstrijders nu zeggen. De tempel behoort tot de Nyingma school. Voor hen was het celibaat niet van toepassing. De man – monnik – die ons ontving was getrouwd en landbouwer zoals de rest van het dorp. In de tempel is er een goed gevulde oude bibliotheek en een reeks beelden met goden gekoppeld aan een godin.

authentiek
IMG_1533

 

tantrisme

02-03-07

oude cultuurschatten

Derge ligt op 3.000m en op de grens tussen Sichuan en Tibet, langs de oever van de bovenloop van de Yangzi. Tibetaanse goudzoekers ziften het modderige water op beide oevers. Maar de stad is vooral bekend om zijn drukkerij. Geen reclamefolders, maar boeddhistische sutra’s, artisanaal vermenigvuldigd. De drukkerij dateert van de Qing-periode (1729) en bevoorraadt alle grote verkooppunten in Tibet en zelfs een aantal in het buitenland. Tibetaanse ballingen vertellen graag dat de Chinezen alles en overal verwoest hebben tijdens de Culturele Revolutie. Voor Dêgê hebben de Rode Gardes toch een ommetje gemaakt of de boeken gespaard, want een soort museum aldaar bevat een paar honderdduizend oude en soms unieke kopieën van Tibetaanse klassiekers en boeddhistische sutra’s. De staat heeft in 1989 een speciaal budget uitgetrokken om de drukkerij te vergroten en de oude te renoveren en te onderhouden. Het basiswerk van de traditionele Tibetaanse geneeskunde, de “Vier Medische Tantra’s”, is ook in het Derge klooster te vinden. Achter het klooster kan je op bezoek bij een oude klassieke dokter, Lore Phuntsog, in een klein Tibetaans huisje. Een kommetje tsampa deeg vermengd met wat water naast een draagbare computer toont het samengaan van nieuw en oud op zijn werktafeltje. Vragen beantwoorden, urineonderzoek, het voelen van de pols en het bekijken van de tong leidden tot zijn diagnose, waarbij de twee laatste methodes gelijkaardig zijn aan de Chinese traditionele geneeskunde, die samen met een prinses haar intrede deed in Tibet in de 7e eeuw. Lore Phuntsog is geen monnik maar omwille van zijn kennis toch gekozen als administratief directeur van het nabije Dzongsar klooster en voorzitter van de lokale boeddhistische universiteit. In het klooster heeft hij zijn eigen kruidenfabriekje ondergebracht. De streek ten zuiden van Derge, langs de Jinshajiang (bovenloop van de Yangzi), is bekend omwille van zijn overvloedig en verscheiden aanbod van geneeskrachtige kruiden.

21:07 Gepost door infortibet in culturele revolutie | Permalink | Commentaren (0) | Tags: derge, sutra s, sichuan, vernielingen, tibet, yangzi, china

18-01-07

verwoeste kloosters

Alle vernielingen zijn niet enkel aan de Chinese Culturele Revolutie toe te schrijven, wel een belangrijk deel. Een pelgrimshandboek, samengesteld door een aanhanger van de dalai lama, heeft in de bijlage voor “handig gebruik ter plaatse” volgende vragen over tempels en klooster naar het Tibetaans vertaald: “Welk deel van het gebouw is oud? Werd alles vernield of slechts een deel? Wie vernielde in welke periode: de Mongolen, de Dzoungaren, de Gurkhas, de Chinezen of de Manchu’s? Waren er gevechten? Waarom werd het niet volledig vernield? Wie was de opperlama in die tijd?” (Victor Chan, Moon Publications, 1994, USA). Terwijl een vooringenomen westerse bezoeker bij het zien van eender welke ruïne er het vlagje van de Culturele Revolutie opplant. De verspreiders van deze algemeen geldende theorie geven eigenlijk aan hun nauwste volgelingen genuanceerdere vragen mee! De helft van het aantal tempels en kloosters werd in de woelige jaren van de Culturele Revolutie wel afgebroken of minstens beschadigd. Het belangrijke Ganden klooster bij Lhasa werd volledig vernield. Niet tijdens de Culturele Revolutie maar in 1959, toen 63 van de 80 hoge lama’s en ongeveer drie vierde van de 4000 monikken van dat klooster zich aansloten bij de gewapende opstand.

Nu zijn er opnieuw ongeveer 3.000 kloosters actief. Dat is nog driemaal meer dan het aantal kerken in Vlaanderen, dat ongeveer dezelfde bevolking telt als het totaal aantal Tibetanen. Voor 1959 waren er 110.000 monniken in Tibet zelf, wat 20 % van de mannelijke bevolking betekende. Dit is teruggevallen op 46.000. Een eerste belangrijke reden vinden we in 1959 zelf, toen het lijfeigenschap afgeschaft werd samen met de verplichting om per grote familie één monnik te leveren. De mensen hadden uitzicht op betaald werk en op rendabel boeren. Minder jongens uit de lagere klassen werden als mogelijke ontsnappingsroute uit de armoede naar het klooster gestuurd. Tijdens de Culturele Revolutie (1966-1976) werden alle monniken het veld op gestuurd. Sommigen kwamen nadien terug en nieuwe jongeren boden zich aan vanaf het einde van de jaren zeventig. Het aantal monniken ligt nu op 4 % van de mannelijke bevolking. “Een redelijker aantal,” zeggen de overheden, “ruimschoots genoeg om alle religieuze activiteiten te verzorgen”. Cijfers van de regeringskringen van de 14e dalai lama zijn ongeloofwaardig wanneer die 600.000 religieuzen in 1959 als feit vernoemen. Dit zou neerkomen op één man op twee in het klooster, devotie ten top. Zij voeren aan dat er ook veel nonnen waren, maar alle historische documenten minimaliseren dit aantal. In andere teksten zeggen zij trouwens zelf: één man op vijf was monnik en dat benadert de Chinese cijfers.

ganden

ganden klooster nabij Lhasa

 

zonnenirvana

nirvanaenergie in het klooster