14-01-11

Woestijnkijkers in China

China telt 6 miljoen woestijnobservatieposten. Die dienen niet enkel om foto’s van mooie zandduinen te nemen, maar vooral om het woestijngedrag in de gaten te houden. Daarbij is de hoofdbekommernis: vergroot de woestijn of krimpt hij.[1] Op vijf jaar tijd (2005-2009) verzamelden die observatieposten 250 miljoen data, die dynamisch in kaart gebracht werden. Daaruit bleek dat de woestijnen heel licht gekrompen waren gedurende die periode. Wel héél licht: 0,5%. In de vijf jaar daarvoor (2000-2004) was het terugdringen ongeveer 1%, ook weinig, maar toch geen uitbreiding. Dit wekt enkel hoop in de zin van: ‘ze namen niet verder toe’.

China heeft 2,7 miljoen km2 woestijnland en 1,7 miljoen km2 ‘zanderige’ gronden. Die laatste zijn gronden waar zand of kiezel op de bodem aanwezig is tussen de schaarse begroeiing. Samen nemen die de helft van China in en vormen een oppervlakte zo groot als de Europese Unie. Dit beseffen wij niet genoeg wanneer wij naar beelden van de moderne miljoenstad Shanghai kijken. De studie heeft alle data netjes wetenschappelijk gerangschikt naar oorzaak van woestijnaard of verzanding: wind- of watererosie, vorst, verzilting en dies meer. Ook naar type van woestijn of gedeeltelijke verzanding en naar locatie. Te veel details om op te sommen. Enkele grote lijnen zijn het vermelden waard. Sommige daarvan weten we al: die uitgedroogde gebieden bevinden zich ongeveer allen in de noordelijke en westelijke provincies met veel etnische minderheden: Binnen-Mongolië, Gansu, Qinghai, Tibet en Xinjiang. Slechts 5% bevinden zich in andere provincies. Xinjiang  en Qinghai samen zijn goed voor 60%.

Het ‘stoppen en zeer licht terugdringen’ is in elk van die gebieden vastgesteld. Het best lukte dat in Binnen-Mongolië en in die ‘overige 5%-provincies’. Maar in Binnen-Mongolië ligt nog 0,3 miljoen km2 ‘op de loer’ om ‘zanderig’ te worden, indien men ginder niet goed oppast. Dat zou nog eens bijkomend 3% van het Chinees territorium kunnen worden. Bovendien zijn er provincies, waar in het geheel netto-vooruitgang geboekt werd, die delen van hun provincie flink zien achteruitgaan. Dat is zo voor het Tarim bekken in de provincie Xinjiang en voor de graslanden in Noordwest-Sichuan. De hoofdreden is overbegrazing en irrationeel watergebruik.

DSCN4167.JPG

 

Hoe komt het dat de woestijnuitbreiding stopt in China?

Eigenlijk is het recept heel simpel: er wordt geld vrijgemaakt en er worden mensen gemobiliseerd. Die mensen zijn lokale ex-veehouders of nog altijd veehouders. Zij worden georganiseerd in aanplantingsgroepen, krijgen daar planten en geld voor. Het wordt hun nieuwe job of een extra job. Sensibilisatie voor de problematiek komt daar ook bij. Of noem het ‘zachte dwang’. Er wordt ik elk geval een collectieve beweging in gang gezet met de mensen die in die gebieden leven. Ondersteund ook door wetgeving. Zo is er een wet met de “drie verboden”voor die streken: “geen overbegrazing meer, geen overdreven confiscatie van gronden voor bouwwerken, geen verzamelen van hout”.  Er worden zelfs ‘nationale zandbestrijdershelden’ bekroond.

Woestijnvorming blijft het ernstigste ecologisch probleem voor China. Alle inspanningen tot nu zijn nog geen stabiele overwinning. In de halfwoestijngebieden is de vegetatie zwak, de menselijke invloed is er nog nefast en de maatregelen van de nationale leiding vinden niet altijd evengoed ingang naar beneden toe. 

De overheid ziet slechts één uitweg: de volledige bevolking van die streken erbij betrekken en ze belonen om het ecologisch evenwicht te behouden en te verbeteren. Daarbij is van belang om goed af te lijnen wie wat beheert: ‘wie is verantwoordelijk voor dit stuk bos, struikgewas of gras’. Het klinkt raar in onze oren, wij stellen ons China te veel voor als een ‘bureaucratische mastodont’. Wie China een beetje kent, weet dat dit op lokaal vlak heel anders is. Dat kan ook niet anders in zo’n gigantisch land. Een bureaucratie zou het niet aankunnen om de woestijn te bestrijden, want er zouden in dat geval wel lokale ambtenaren zijn, die geen zin hebben om hun zetel te verlaten en boompjes te gaan planten. Neen, de overheid betrekt er contractueel iedereen bij, vergoeding incluis: “hier zijn centen, plant die in de woestijn”.

Daarnaast worden natuurlijk middelen vrijgemaakt voor wetenschappelijk onderzoek, om te weten wat het beste is om er te planten.

 

 



[1] Bulletin of Status Quo of Desertification and Sandification in China, een uitvoerige samenvatting in het Engels te vinden op China.org.cn, januari 2011.

21:01 Gepost door infortibet in ecologie | Permalink | Commentaren (0) | Tags: tibet, woestijnvorming

04-01-11

Grasland voedzaam houden in droge gebieden

China heeft zijn herders nodig, want die zorgen voor een deel van het dagelijks diëet voor meer dan één miljard mensen. Wil China niet afhankelijk worden van vleesinvoer uit het buitenland, dan moet er gras groeien in China. Bovendien moet dat op die plaatsen zijn, waar niet aan akkerbouw kan gedaan worden, want elk perceel voor rijst, graan, groenten, fruit en thee is er broodnodig om ook daar geen tekorten te creëren. Er zijn graaslanden nodig, met herders voor koeien, yaks en schapen. Want elke Chinees kan toch niet met twee varkens aan de leiband in een stadspark rondlopen (geen grap: recent nog écht gezien). De graaslanden bevinden zich dus voornamelijk op de randen van de woestijnen, in Xinjiang, Gansu, Tibet en Binnen-Mongolië. De woestijnen hebben een neiging om groter te worden, daar hadden we het al over in andere artikels (opwarming, grotere droogte en overbegrazing). Om herders met vee te kunnen behouden mag dat niet. Voor China is gras één van de zovele prioritair aan te pakken problemen. De overheid beseft dat en doet er ook iets aan. Daar gaan vele ‘China-watchers’ of ‘dissidenten’ aan voorbij.

Voor de komende vijf jaar (2011-2015) reserveert het nationaal budget 1,5 miljard euro per jaar voor gras. Er zijn centraal geleide herbeplantingsprojecten, maar het grootste deel van dit bedrag gaat via de betrokken mensen in die gebieden, noem dat gerust een ‘centendemocratie’. In de vorm van compensaties of in de vorm van stimuli.

Compensatie voor families, die (tijdelijk?) moesten verhuizen uit streken waar het gras niet meer groeide. Zij krijgen een vergoeding van 10 euro per hectare en per jaar. Dat lijkt niet veel, maar wanneer je weet dat hun graasoppervlakte dikwijls  meer dan 1000  hectare was, dan is dat wel veel. In die gebieden is grazen voorlopig verboden en wordt er aan herbeplanting gewerkt.

Stimuli zijn er dan voor herderfamilies, die buiten die ‘verboden zone’ bedrijvig zijn. Zij krijgen 3 euro per jaar en per hectare op voorwaarde dat ze er een ‘duurzame kudde’ op na houden, geen te grote dus, een kudde in evenwicht met het gras. Voor herderfamilies, die mee willen werken aan herbeplanting of aan betere beplanting, is er een subsidie voorzien van 16 euro per jaar en per hectare. Dit zijn hoge sommen, gezien de oppervlakte per familie, maar het werk is ook geen kleine karwei.

Een deel van het grote centraal budget ‘voor gras’ gaat naar opleiding en technische hulp.

Als algemeen signaal van ondersteuning krijgen ongeveer 2 miljoen herderfamilies elk een jaarpremie van 60 euro de komende vijf jaar.

 

litang env (40).JPG

 

Noot (naar aanleiding van een lezersvraag):

De Chinezen doen er natuurlijk goed aan om niet te veel vlees te eten. Maar ja, ze zijn goed op weg om dat wel te doen. In 1985 lag de vleesconsumptie – gevogelte inbegrepen - in China nog op 20 kg per hoofd van de bevolking. Nu is dat 55 kg geworden. Ter vergelijking: de gemiddelde Europeaan verorbert 90 kg per jaar en de gemiddelde Amerikaan 120 kg (FAO statistieken).

Nog het vermelden waard: de gemiddelde Tibetaanse stedeling koopt voor 35 kg vlees per jaar en per persoon, dat is minder dan het Chinese gemiddelde. Toch komt dat goed overeen met een kleinere stad in de rest van China, minder rijk dan de grote steden en waar een deel van de stedelijke bevolking bovendien nog enkele dieren heeft voor eigen gebruik, niet meegeteld in de statistieken. Het reële vleesmenu is reëel dus hoger. Dat is nog duidelijker zo voor de landelijke bevolking in Tibet: de statistieken geven aan hoeveel vlees een gemiddelde landbouwer koopt per jaar, dat is 15 kg per persoon. Herders kopen uiteraard geen vlees en eten bijna uitsluitend vlees. Te gast bij een maaltijd, zag ik er meer naar binnenwerken dan wat ik op een week aankan. Maar er zijn nogal wat Tibetaanse landbouwers, die weinig of geen dieren hebben, die kopen wel vlees. Het statistisch gemiddelde komt dan uit op 15 kg, maar het reële menu is meer vleesgekleurd. Kortom, statistieken zijn ‘nuttig’ (om in eetbare termen te blijven), maar soms moet men wel weten waarvan het gemiddelde het gemiddelde is. En tot besluit: China heeft er alle belang bij om half-vegetarisch te worden, wie niet?

 

17:09 Gepost door infortibet in ecologie | Permalink | Commentaren (0) | Tags: tibet, woestijnvorming, herders, china

25-12-10

Het hoogplateau in China is geen staatsgeheim

China wisselt internationaal veel gegevens uit over het Qinghai-Tibet hoogplateau. Dit in tegenstelling tot wat Westerse sympathisanten van de onafhankelijkheid van Tibet verspreiden. Wanneer men naar hen luistert, lijkt het erop dat geen mens weet wat daar allemaal ecologisch misloopt. De realiteit is anders. In december 2010 was er een studieseminarie, gemengd Chinees-Duits. Onderwerp: de woestijnvorming op het hoogplateau. Er is de opwarming en er is grotere droogte, dat is ondertussen wereldwijd gekend. Zelfs de NASA kijkt mee toe, in contact met de Chinese overheid. De gemeenschappelijke Duits-Chinese studie komt tot het besluit dat 90% van de voortschrijdende woestijnvorming een halt kan toegeroepen worden door de overbegrazing te verbieden. Te veel vee, dat heb ik al tot vervelens toe aangehaald. De dalai lama ziet in de beperking van de veestapel een beknotting van de traditionele levensstijl van de Tibetanen. Wie is echt bezorgd om de ecologie op het hoogplateau?

Eén vierde van het grondgebied van China is woestijn. Op gebied van beschikbare landbouwgrond per inwoner zijn zij al flink benadeeld: 7% voor 20% van de wereldbevolking. De graslanden van het hoogplateau willen zij absoluut groen houden, met eigen massale centen én met internationale samenwerking. “Eigen yack, eigen land” biedt hiervoor geen oplossing.

 

tibet 05 (249).JPG

21:37 Gepost door infortibet in ecologie | Permalink | Commentaren (0) | Tags: tibet, woestijnvorming, yaks

14-01-10

Strijd tegen de klimaatverandering in Tibet en op het hoogplateau

Hogere temperatuur

De gemiddelde temperatuur in Tibet is de laatste vijftig jaar met 0,3°C per decennium gestegen, wat neerkomt op 1,6°C hoger nu dan in 1959.[1] De vier warmste winters van de laatste 35 jaar in Tibet zijn allen na het jaar 2000. De vooruitzichten van de Wereldorganisatie van Meteorologen zijn dat de temperatuur op het hoogplateau nog met 1,6°C bijkomend zal stijgen tegen 2039 en met nog eens 2,4°C tegen het einde van de eeuw, in het beste geval, rekening houdend met een drastische vermindering van de CO2 uitstoot wereldwijd, anders wordt het dubbel zoveel. Verschillende studies wereldwijd hebben ook aangetoond dat zones boven de 4000m sneller opwarmen dan de rest van de wereld. De gletsjers in Tibet krimpen jaarlijks met 10 tot 15m. Bij het brongebeid van de Yangzi, in Qinghai, is op veertig jaar tijd ongeveer 200km2 gletsjeroppervlakte verdwenen. Sommige meren worden daardoor tijdelijk groter, ondanks de lage neerslag in Tibet. Zo is het Serling Tso meer, het tweede grootste van Tibet, 800 vierkante km groter geworden gedurende de laatste tien jaar, waardoor evenveel grasland voor de veestapel verloren ging. Voor Tibet zelf zal de opwarming een gunstige invloed hebben op de landbouw op die barre hoogte, maar de waterhuishouding dreigt wel voor problemen te zorgen. Zowel overstromingen als tijdelijk gebrek aan irrigatie- en drinkwater kunnen gevolgen zijn. Van algemener belang is het afkoelend effect van het Aziatische hoogplateau op het wereldklimaat. Indien het afkoelingseffect vermindert, dan versnelt de opwarming van de aarde en dat is geen rechtstreeks effect meer van de broeikasgassen.

 

Woestijnvorming

In het noorden en het westen van het hoogplateau, in de provincie Qinghai en in West-Tibet komt naast die hogere temperatuur een tendens tot minder neerslag, gemiddeld 20% minder dan 50 jaar geleden. Dat is wel meer nefast voor die op zich al zeer droge gebieden. Rechtstreeks gevolg is onmiddellijke woestijnuitbreiding. Het weinige gras dat er al stond verdwijnt, berghellingen verzanden. Op twintig jaar tijd is dit voor mij zichtbaar. De veeteelt accentueert dat nog. Er zijn nu driemaal zoveel jaks en schapen als vijftig jaar geleden, want er zijn ook driemaal zoveel Tibetanen[2]. De jacht[3] in het verleden - nu verboden – benadeelde eveneens het gras, want de ‘pika’s’ – een soort grasetende hooglandratten – vermenigvuldigden zich tot een epidemie, omdat de kleinere roofdieren geschoten waren voor hun pels of pluimen. Die ‘pika’s’ zag ik ook krioelen.

 woestijn qinghai

Een deel van het hoogplateau is woestijn. Hier in de provincie Qinghai, op 5000m.

Te veel regen in het oosten van het plateau

In oostelijk Tibet en in de provincie Sichuan is de tendens er de voorbije decennia een van meer neerslag. Dit was al een vochtige streek. Daar neemt het overstromingsgevaar en het gevaar op aardeverschuivingen toe.

 derong (27)

Dat is nog maar een kleintje

trekking3 (37)

Het kan er vochtig zijn op de grens tussen Tibet en Sichuan

Hoe reageert de overheid?

Door grootscheepse bebossingprojecten in gang te zetten, door de veestapel te verminderen, door enorme oppervlaktes van graslanden te beschermen, door industrie te beperken.

Dat is nogal evident, kan men zeggen. Maar de schaal, de middelen en de snelheid van uitvoeren zijn minder evidenties. China is nog grotendeels een ontwikkelingsland, met een BNP per inwoner, dat nog lager is dan dat van Turkije. Het hoogplateau is zo groot als vijf maal Frankrijk en neemt een vierde van het Chinese grondgebied in beslag, dat is dus zeer groot. Budgetten van miljarden[4] euro worden door de centrale overheid de laatste jaren vrijgemaakt. De Chinese staat heeft veel centen omdat zij het grootste deel van de economie controleren en er dus veel belastingen uithalen. Die kunnen ze dan besteden aan prioriteiten naar keuze. Indien zij de bescherming van het leefmilieu op het hoogplateau hoog op de budgettenagenda plaatsen, dan mag ons dat wereldwijd verheugen. Welke liberale vrijemarkteconomie zou een dergelijk programma willen en kunnen snel op gang trekken?

China heeft er natuurlijk zelf belang bij, anders zouden ze het niet doen. Hun onafhankelijke voedsel- en waterbevoorrading hangt er van af. Indien zij het hoogland niet redden krijgen ze vrij binnenkort grote problemen in de rest van Noord-China. Maar wie snelt hen ter hulp voor de wereldimpact van dat hoogplateau, de ‘derde pool’ van de aarde? Niemand. Integendeel, er is gekanker over ‘onafhankelijkheid’ van dat gebied, met een religieuze leider als pion, om China te verzwakken in het wereldmachtspel. Welke Westerse mogendheid zal meer miljarden inzetten om het hoogplateau te redden? Wanneer we naar de woestijnvorming in Afrika kijken zal het niet direct uit de Westerse mouw vallen.

 

Tibet plant bomen waar er nooit stonden.

In 2010 wordt langs de weg van Xigaze tot in Sakya (afstand 150 km, in West-Tibet) een strook bomen aangeplant, die gemiddeld 800 m breed zal zijn. Die weg ligt grotendeels net boven de 4000m. Daar groeide vroeger niet veel meer dan hard hooglandgras.

Eén derde van het Tibetaanse grondgebied is sinds 2006 als beschermde zone bestempeld, waar geen menselijke exploitatie meer mag plaatsvinden.

bomen Xigaze


Een zijdelings beschermen van de bomen op het plateau is de bevordering van biogasputten bij de landbouwersfamilies, om hout als brandstof voor de kachel te vervangen door biogas op basis van dierlijke uitwerpselen. De installatie wordt de laatste jaren op grote schaal gratis ter beschikking gesteld van de Tibetaanse landelijke gemeenschappen.     

 

Gelijkaardige bebossingprojecten zijn op grote schaal aan de gang in de provincie Qinghai, die het noorden van het hoogplateau vormt, ook in een deel van de provincie Gansu, in het noordoosten. Honderden vierkante kilometers krijgen boompjes in de grond, dank zij ongeveer 140 miljoen euro subsidie van de centrale Chinese overheid.

In elk geval, ter plaatse heb ik kunnen vaststellen over de jaren heen dat de bevolking, via haar lokale structuren, er ten volle aan mee werkt. Het zijn groepen van gewone dorpelingen, die bomen planten. De grenstroepen van het leger worden ook ingeschakeld, zij graven de putjes. De dorpelingen krijgen een kleine vergoeding per dag.

 

Op de markt in Lhasa kun je een poster kopen met een oude foto van het Potala paleis, ergens begin 20e eeuw. De wijde omgeving van het paleis is er ook op te zien. Wat is niet te zien? Bomen. Het is een fictie dat het nieuwe Chinese regime alles zou weggekapt hebben sinds 1951. Nu zijn er wel bomen in Lhasa. De bebossinggraad van het arrondissement Lhasa is nu 10,5%, dat is vrij hoog voor een stedelijke agglomeratie, vooral ook gezien de geografische en klimatologische omstandigheden. Het stadsbestuur plant voor 2010 nog eens 13 vierkante km bos bij te planten, als beschermgordel tegen zandstormen. In geheel Tibet is in 2009 iets meer dan 100 miljoen euro besteed aan bebossing. Wanneer je Tibet bezoekt, van jaar tot jaar, dan zijn die inspanningen ook zeer zichtbaar. Op het oude stadscentrum na, is Lhasa is een zeer groene stad geworden. In geheel China is de bebossinggraad nu 21%, dat is ook niet mis, gezien het dorre noorden en het uitgestrekte hoogplateau, waarvan grote delen boven de 5000m liggen. Het is bijna evenveel als in het tropische Papua New Guinea met zijn 24%. In de komende vijf jaar wil China daar 2% bijdoen. Gezien de grote oppervlakte van het land en de weinige beschikbare gronden (7% van de bebouwbare oppervlakte ter wereld voor 20% van de wereldbevolking) is dit een exploot op zich. Die inspanningen zijn ook merkbaar rond vele steden in het land.

 

Slecht bosbeheer rechttrekken in de provincie Sichuan

In de jaren 1960 en ’70 werden te veel bomen gekapt in West-Sichuan, op de oostelijke flank van het hoogplateau. De kale gevolgen daarvan zijn nu nog steeds zichtbaar op de hellingen van de diepe valleien van alle bijrivieren van de Yangzi. Vanaf de jaren 1980 kwam er meer en meer verbod op houtkappen in die streken. De toepassing liet soms te wensen over en het lokale economische winstbejag, door de pas meer vrijgelaten ‘markt’ in China, bracht nog niet onmiddellijk een streng bosbeleid mee, zo getuigt J.Studley (zie bronnen). Ook de Chinese overheid moest bijna jaar na jaar de wettelijke en de praktische bescherming van de bossen verstrengen. Definitief gebeurde dit in 1998, met een compleet kapverbod en een degelijk controlesysteem in een gebied van 45.000 km2. Daarnaast kreeg nog eens het dubbele van die oppervlakte herbebossing als bestemming, samen dus goed voor vier maal de oppervlakte van België. Maar het blijft waar dat China nog kampt met inventarisering  en met managementproblemen wat bosbeheer betreft.  

 

graslanden

De centrale Chinese regering heeft in 2009 besloten om voortaan jaarlijks 80 miljoen euro aan subsidies te voorzien voor de bescherming van de graslanden in Tibet en de woestijnvorming tegen te gaan, dat maakte de Tibetaanse gouverneur Qianba Puncog bekend in december van dat jaar.

Ongeveer 20% van Tibet is woestijn, dat is 200.000 km2 of zes maal België. De budgetten van de laatste jaren waren er op gericht om uitbreiding te voorkomen. Voor de komende twintig jaar lanceert de regionale overheid het project om 30% van de woestijn terug te winnen door grasbeplanting, dat is gras planten en onderhouden op een oppervlakte gelijk aan tweemaal België. Zien of ze daarin slagen, wie zou het niet hopen?

Het brongebied van de Gele Rivier, de Blauwe Rivier en de Salween wordt ontvolkt

De Chinese overheid heeft een enorm gebied, iets groter dan Frankrijk, tot hoogst belangrijke ecologische zone gedecreteerd. Het gaat om het brongebied van drie grote stromen: de Gele en de Blauwe Rivier en de Salween. Menselijke activiteit wordt daaruit gebannen. Het is een streek met weinig neerslag en liggend op grote hoogte: gemiddeld 5000m. De talrijker wordende veestapel bracht het gebied wel op kritiek grastekort. Via satellietfoto’s wordt vastgesteld dat er al enig effect is gedurende de laatste drie jaar: het grasland herstelde zich op een klein tiende van die oppervlakte.

 

Een eerste thermische centrale in Tibet

Tot in 2009 was de totale opgewekte elektriciteit in Tibet duurzame elektriciteit op waterkracht. Daar is nu verandering in gekomen. Een grote thermische centrale op basis van stookolie trad in werking einde december 2009. De centrale werd gratis geleverd en geïnstalleerd door de China Huaneng Group[5], een staatsbedrijf, als noodcentrale om het tijdelijk tekort aan elektriciteit, vooral in Lhasa, op te vullen. De capaciteit van de stuwmeren kan de groeiende consumptie van elektriciteit niet meer aan. Door de gestegen welvaart in Tibet kochten de mensen veel elektrische apparaten, waaronder warmtestralers. Daarbij kwam nog dat 2009 een extra droog jaar was voor Tibet. De elektriciteitsproductie kon niet volgen – wel 25% capaciteit te kort, volgens de elektriciteitsmaatschappij - vandaar dat deze winter de cementfabrieken en de mijnen stilgelegd werden voor zes maanden, om de elektriciteitsvoorziening aan de bevolking te blijven garanderen. Toch blijkt deze maatregel niet voldoende, want Lhasa kent nu al sinds oktober geregeld stroomonderbrekingen. De totale geïnstalleerde capaciteit in Tibet was 720 Megawatt in 2009, dat is nog 20 maal minder dan in ons kleine België. De nieuwe thermische centrale doet hier in één klap 100 Megawatt bij, dat is dus 14% niet duurzame elektriciteitsopwekking, daar waar het vroeger nul was. Een tekort aan energie is nog een algemeen probleem voor China, het gaat niet enkel om Tibet. In verschillende grote agglomeraties in het land treden in de winter ook nog stroomonderbrekingen op. Zo moest de grote moderne industriestad Wuhan midden december 2009 een tweeduizendtal bedrijven stilleggen om algemene onderbrekingen te voorkomen.

 

 

 

Bronnen: Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC), opgericht door de World Meteorological Organisation (WMO) en het United Nations Environment Programme (UNEP), persagentschap Xinhua, John Studley in ‘International forestry review’ 1(4) 1999, eigen bezoeken.

 



[1] “Journal of Geographic Sciences”, Volume 16, 2006,3

[2] De stelling van de groepen rond de dalai lama die zegt dat er 1,2 miljoen Tibetanen omkwamen door het Chinese bestuur is gewoon onmogelijk bij een verdrievoudiging van de bevolking tot 6 miljoen mensen nu, dat tonen verschillende demografen aan. Maar het verzinsel blijft circuleren.  

[3] De jagers waren Tibetanen, geen Han Chinezen, zoals de groepen rond de dalai lama nu nog rondvertellen. De huidige jachtopzichters en de eventuele stropers zijn ook nog Tibetanen.

[4] De optelsom is moeilijk te maken, want er komen bijna elke maand nieuwe budgetten bij. Bovendien zijn er ook regionale budgetten en gesubsidieerde projecten vanuit andere provincies en zelfs enkele vanuit het buitenland. Voor 2010 maakt de centrale regering 2,5 miljard euro vrij voor het gehele hoogplateau (Xinhua, 2/3/09). In Tibet zelf werd voor het totaal van de laatste zes jaar 1,7 miljard euro besteed aan het onderhoud en het aanvullen van ongeveer 100.000 km2 (driemaal België) beboste oppervlakte.

[5] 425e op de wereldranglijst der grootste bedrijven.

 

21:20 Gepost door infortibet in ecologie | Permalink | Commentaren (1) | Tags: tibet, woestijnvorming, klimaat, bebossing, natuurgebieden

06-01-08

Herders langs de spoorlijn

 

Indrukken over de invloed van de nieuwe spoorlijn naar Lhasa op landbouw- en herderfamilies in de buurt van Golmud (in de provincie Qinghai) en tussen Golmud en de Tanggulapas (de overgang naar de autonome regio Tibet).

Enquêterapport

Jean-Paul Desimpelaere 

In augustus 2007 had ik de kans om families te interviewen langs de gloednieuwe spoorlijn Qinghai-Tibet. Het gaat om het tracé tussen de stad Golmud in de provincie Qinghai en de grens met de autonome regio Tibet op de Tanggulapas. Golmud was voordien het eindpunt van het spoornet dat de provincie Qinghai, via de hoofdstad Xining, met de rest van China verbond. Naar het zuiden toe, richting Tibet, was er enkel een nationale weg voor auto's en vrachtwagens. In 2006 werd de treinverbinding Golmud-Lhasa een realiteit, waarmee een einde kwam aan het feit dat Tibet de enige administratieve regio was in China die niet op het net aangesloten was. De spoorweg is een technologisch hoogstaande verwezenlijking. De totale lengte van het nieuwe deel Golmud-Lhasa is 1.142 km, waarvan er zich bijna duizend boven de 4.000m bevinden en 70 km zelfs boven de 5.000m. Viaducten totaliseren 156 km, om onstabiele ondergrond te overbruggen. Daar waar de spoorweg over bevroren ondergrond loopt zijn speciale technieken aangewend om de grond koel te houden in de korte zomer, zodat deze niet gaat schuiven. Er zijn nog tientallen meer technische details te geven, maar daar gaat dit rapport niet over. Ik geef er enkele die de context illustreren, want het onderzoek gebeurde in een streek vanaf Golmud tot in de nederzetting Tanggulashan, op de oevers van de Tutuohe, een bronrivier van de Yangzi, en in de aanloop naar de Tanggulapas, dus precies langs de eerste vijfhonderd kilometer spoorweg tussen Golmud en Lhasa. Het gebied is uiterst onherbergzaam, zeer droog en bevindt zich tussen de 4.000 en 5.000m, behalve Golmud zelf dat op 2780m boven de zeespiegel ligt. De streek ten zuiden van de Tanggulapas, in Tibet zelf, was me bekend en is natter en groener, dus gunstiger voor veeteelt en landbouw. Zij is ook dichter bevolkt. Vanaf Golmud tot aan de grens met de autonome regio Tibet woont echter haast niemand. Zelfs minder dan ik gedacht had. Reden hiervan is het "Sanjiangyuan" project. Het brongebied van de "drie grote rivieren", de Gele Rivier, de Yangzi en de Mekong is tot een beschermd natuurgebied uitgeroepen. De gemiddelde hoogte is er om en bij de 5.000m en het gebied is immens groot, bijna zo groot als Frankrijk. Daar leven ondermeer de Tibetaanse antilopen en de wilde ezels. De laatste decennia toonden er een groeiende woestijnvorming, door het opwarmende wereldklimaat, door overbegrazing en door de gestegen bevolkingsdruk. Sinds drie jaar worden de schaarse herders aangemoedigd om het gebied te verlaten. In het totaal voorziet de overheid om tegen 2010 100.000 mensen te helpen verhuizen. Men hoopt aldus de woestijnvorming binnen 10 jaar te kunnen ombuigen. Voor de herplaatste bevolking worden een honderdtal nieuwe dorpen gebouwd, de families krijgen een gratis woonst van 70 à 80 m2 en mogelijks een plastieken serre voor groenteteelt. De streek die we uitkozen voor het onderzoek bevindt zich voor een deel in het "Sanjiangyuan" gebied en een aantal families die we ondervroegen, had te maken met het hervestigingproject. Om nog een indruk te geven van de uitgestrektheid en het dun bewoonde van het gebied: de "stad" Golmud bestuurt een oppervlakte gelijk aan de helft van Groot-Brittannië, met slechts 270.000 inwoners, met méér dan de helft ervan in de stad zelf op ongeveer 50 km2.

Wij interviewden in het totaal 24 families, 11 in de omgeving van Golmud, 4 families afkomstig van de Tutuohe streek (Tanggulashan), maar die geëmigreerd waren naar Golmud, 6 families in Tanggulashan zelf en 3 onderweg. De laatste twee groepjes wonen dus nog in het te ontruimen gebied "Sanjiangyuan".

De keuze ging uit naar families van boeren en herders. Het is geen grootschalige sociologische studie, maar een eerste benadering van de vraagstelling, een reportage met getuigenissen. De beperkte schaal van het onderzoek liet toch toe om enkele relevante vaststellingen in het licht te brengen, zowel in direct verband met de hoofdvraag als volgend uit de context. Voor de organisatie van de bezoeken aan de families kreeg ik de welgekomen steun van het China Tibetology Research Center. Het Centrum stelde twee jonge universitaire onderzoekers ter mijner beschikking: de heren Zhang Yong Pan, socioloog van de Academy of Social Sciences, en Laxianjia, tibetoloog van het China Tibetology Research Center. Door hen verliepen de contacten met de families efficiënt en zij waren uitstekende notitie- en discussiepartners. Nooit interfereerden zij in de keuze van de te ondervragen families, die beslissing was mij ten volle gegeven door hun directe verantwoordelijke, professor dr Lian Xiang Min van het China Tibetology Research Center. Het onderzoek verliep absoluut niet ceremonieel en de families gaven vrijuit hun verhaal, hun opmerkingen en kritieken te horen. Daarnaast werden wij uiteraard ontvangen door de lokale politieke leiders van Golmud. Zonder veel economisch of politiek discours, maar eerder in de stijl van: "stel maar vragen". Bovendien hielpen zij ons logistiek met het vinden van een huurwagen en met logies in Golmud. Verder kwamen zij niet tussenbeide in de concrete realisatie van het project.

fam11

Welke families zijn geïnterviewd?

Als we de hoofdactiviteit van de 24 families bekijken, dan zijn er 8 hoofdzakelijk bedrijvig in de landbouw, 9 herderfamilies, 5 handelaren, 1 arbeidersgezin en 1 traditionele dorpsdokter. Van de 9 herderfamilies zijn er 6 die buiten de veeteelt geen nevenactiviteiten hebben. Bij de landbouwers echter zijn er slechts 2 families die uitsluitend van hun landbouwopbrengst leven. De anderen hebben ook vee, werken af en toe als handlangerinterim in de bouw of hebben een ander inkomen via de kinderen. De handelaren zijn rechtstreeks afhankelijk van de landbouw en/of veeteelt. Zelfs de dorpsdokter, aangezien zijn patiënten meestal boeren en herders zijn.

De grootte van de ondervraagde families, onder één dak wonend, is gemiddeld 5 personen. Het provinciale gemiddelde is 3,8. De steekproef, zelfs al is die zeer beperkt, sluit hier toch aan bij de realiteit, aangezien in landelijke gebieden, vooral waar etnische minderheden wonen, de huishoudens ongeveer 5 personen tellen (1) door de vrijstelling van geboortebeperking.

We bezochten 14 Tibetaanse, 8 Hui en 2 Han families. De herders zijn allen Tibetanen. Bij de landbouwers is er slechts één Tibetaanse familie, de overigen zijn Hui (vijf) en Han (twee). Van de vijf handelaren zijn er twee Hui en drie Tibetanen. De arbeidersfamilie is Tibetaans. De ondernemer en de dokter zijn Hui. De verdeling geeft een goed beeld van hoe de landelijke bevolking samengesteld is. Buiten de Han, die voornamelijk in de stad leven, zijn de twee grootste groepen de Tibetanen en de Hui. Althans voor de streek rond en ten zuiden van Golmud, want westwaarts is de Mongoolse minderheid in de meerderheid. Kleinere groepen zijn de Tu, de Salar, Uyguren en zelfs Kazakken, kortom een patchwork van bevolkingsgroepen, zoals de provincie Qinghai altijd is geweest. Het is ook typerend dat proportioneel weinig Tibetaanse families actief zijn in de landbouw. In die streek zijn ze traditioneel herders. Dat is niet zo voor de meeste andere gebieden waar de Tibetanen leven, waar minstens een combinatie van veeteelt en landbouw aanwezig is. De reden ligt voor de hand, het gebied is bijzonder droog, slechts 20 à 65 mm neerslag per jaar. Zelfs voor grote yakkuddes is dit een probleem, vandaar dat de bezochte herderfamilies meer op het houden van schapen gericht zijn. Gemiddeld hebben de negen herderfamilies elk 700 schapen en 45 yaks voor een oppervlakte van 5.000 ha (50 km2) per familie (het grootste graasland bedraagt 8.000 ha, het kleinste 3.300 ha). Het diversifiëren van de activiteit van de herderfamilies zit er nu versneld aan te komen door de ontvolking van het hoger vermelde "Sangjiangyuan" gebied. De boeren vonden we in dorpen nabij Golmud.

De naam Golmud komt uit het Mongools en betekent "plaats waar rivieren samenkomen". Van die rivieren moet men zich niet veel voorstellen, het zijn meer beken dan rivieren. Ze komen van ver, bvb als gletsjerwater uit de Kunlun bergen,  200 km ten zuiden van de stad. De rivieren eindigen in de zoutmeren van het Qaidam bekken. Enkele ervan geven wat mogelijkheid tot irrigatie bij hun doortocht in Golmud. Vandaar de landbouw, serres inbegrepen, nu meer dan genoeg om de bevolking van graan en groenten te voorzien.

Hoe lang wonen de families al waar ze nu wonen?

Enkel 6 (van de 14) Tibetaanse families wonen nog op de voorvaderlijke grond. De 8 overige waren de laatste twintig jaar van vestigingsplaats verander. Eén Tibetaanse familie kwam acht jaar geleden vanuit het noorden, uit Ledu in de buurt van Xining, naar een dorpje langs de baan, onderweg tussen Golmud en Lhasa, om er en winkeltje te openen. In het dorpje is nu ook een klein treinstation, voorlopig enkel een technische stopplaats voor treinen, er is geen goederen- noch personenvervoer van daaruit. De familie bedreef vroeger landbouw. Met hun winkeltje nu verdienen ze duidelijk meer, tot 20.000 yuan per jaar. Over één ding zijn ze niet tevreden. Namelijk dat er in hun baandorp geen lagere school is. Hun twee dochters, tien en veertien jaar oud, hebben nog nooit school gelopen. Het probleem is dat de vrachtwagenstops tussen Golmud en Tanggulashan er wild konden groeien. Er is geen autoriteit die ze bestuurt. De kleine chaos is navenant: slordige barakken, bijna geen toiletten, rioolmodder, open vuilnisbelt rond de huizen, geen elektriciteit via het net dus lawaaierige en vervuilende dieselgeneratoren, geen kraantjeswater, kwistige verbranding van kolen voor de verwarming en geen school. Die baanstops zijn nochtans onvermijdelijk op dit lange, hoge en trage traject van 500 km. Vrachtwagens vorderen niet sneller dan 20 à 30 km per uur. Er is nood aan kleine restaurants, winkeltjes, kleine herstelplaatsen en slaapgelegenheid voor de minstens honderd vrachtwagenchauffeurs en hun evenveel begeleiders per dag. En dan hebben we de bussen en de personenwagens nog niet meegeteld. Een argument dat dit enigszins tegenspreekt is dat de overheid voorziet dat het vrachtvervoer over de baan met 80 % zal afnemen en per trein zal gebeuren. Het voorlopige gebrek aan planning en bestuur van wat er langs de weg gebeurt, steekt scherp af tegen de gloednieuwe moderne spoorweg, die er op één à twee kilometer parallel mee is. In het dorp Tanggulashan is er wel planning, maar enkel voor de herderfamilies van het oorspronkelijke dorp, want ook hier is naast het oude dorp een lint van kleine diensten langs de baan op dezelfde manier wild gegroeid als onderweg, met dezelfde onverzorgde karakteristieken. Een vierhonderdtal personen zijn er actief in. Er is wel een lagere school. Het deel van het dorp waar de herders wonen, ligt wat afzijdig van de baan en is wel verzorgd. Een kleine betonnen weg leidt er naartoe, erin en er rond. De herderfamilies kregen elk een kleine zonnepaneleninstallatie cadeau van de overheid.

Terugkomend op de Tibetaanse families die recent verhuisden, kunnen we de 4 families vernoemen die twee tot drie jaar geleden uit Tanggulashan wegtrokken om een gratis huis te betrekken in de omgeving van Golmud, dit in het kader van het "Sanjiangyuan" project. Zie ook verder pag. 11.

Daarnaast zijn er nog twee Tibetaanse herderfamilies, die twintig jaar geleden vanuit Tibet naar Tanggulashan uitweken, één uit de streek rond Lhasa en één uit Qamdo in Oost-Tibet. Hun motief was: teveel herders in Tibet door de snelle toename van de Tibetaanse bevolking, geen plaats genoeg meer voor het groeiende aantal kuddes.

Ten slotte is er een Tibetaanse boer die zich 18 jaar geleden in de buurt van Golmud vestigde. Interessant om even apart te bekijken. Hij kwam uit een arme landbouwstreek in de buurt van het Ta'ersi (Kumbum) klooster nabij Xining. In de tijd toen hij verhuisde kreeg hij de kans, omwille van zijn groot gezin met 4 zonen en drie dochters, om een groot stuk land van twee hectare in gebruik te nemen. Voordien was hij al in Golmud komen werken als seizoenarbeider voor andere boeren. Hij leerde de groenteteelt. Zijn landbouwbedrijfje is nu redelijk gediversifieerd met graan, groenten en schapen. Want drie van zijn zonen trekken nog de Nanshan en Kunlun bergen in met 800 schapen. Zijn familie-inkomen ligt rond de 20.000 yuan per jaar. In 2000 had hij zich een groot nieuw huis gebouwd. Een erediploma prijkt boven de deur naar zijn slaapkamer: "geraakte op eigen krachten uit de armoede".

De 10 Hui of Han families wonen gemiddeld sinds 18 jaar op dezelfde plaats, in de omgeving van Golmud. Behalve Tibetanen uit het "Sanjiangyuan" gebied, is er van nieuwe instroom geen sprake. De stad Golmud kende haar grote uitbreiding in de tweede helft van de jaren tachtig, vanaf het moment dat de spoorlijn van Xining naar Golmud in werking was. Alle grote lanen werden tien jaar geleden gemoderniseerd en tal van nieuwe huizenblokjes verrezen. Het geheel goed gepland, met veel ruimte en groen. Tijdens de constructie van de spoorweg dikte de bevolking tijdelijk aan met 30.000 migrantwerkers. Die zijn ondertussen weer vertrokken. Toen was er meer te doen, nu staan er heel wat handelszaken leeg, recente gebouwen van einde jaren negentig. Nieuwe woonappartementen kosten ongeveer 800 yuan (2) per m2.

De economische context van Golmud

Golmud kreeg vorm als klein stadje in 1954, toen de nationale weg naar Lhasa aangelegd werd. Maar er was ook zout te ontginnen. Het grootste meer van zout in China bevindt zich ten noorden van de stad, bijna 6.000 km2 groot, indrukwekkend. Het zout ligt er voor het opscheppen. Uit het zout worden ondermeer jodium en kaliumcarbonaat gewonnen, de grootste Chinese fabriek daarvoor bevindt zich in Golmud. In het nabije Qaidam bekken is er enige aardgas- en petroleumontginning. Een raffinaderij in Golmud zorgt ervoor dat er via een pijplijn brandstof beschikbaar is in Tibet. Verder nog een fabriek voor polyethyleen en polipropyleen en dan hebben we het ongeveer gehad. De rest zijn kleinere ateliers, zoals steenbakkerijen of tapijtfabriekjes. Bij een ingeweken - door het "Sanjiangyuan" project - Tibetaanse familie is de moeder als arbeidster werkzaam in een dergelijk tapijtfabriekje. Zij verdient er 60 yuan per dag, maar werkt zeven dagen op zeven, feit dat we niet aan de Chinese vakbond mogen vertellen. Daardoor verdient ze wel evenveel per maand als een fabrieksarbeider in Beijing. In Tanggulashan, waar ze twee jaar geleden nog woonden, was de familie er niet beter aan toe. De man was arbeider in een primitieve kolenontginning. De zoon hoedde schapen voor anderen. Zij hadden nauwelijks genoeg om te overleven. Daarom gingen zij in op het voorstel om het "Sanjiangyuan" gebied te verlaten en aan de natuur terug te geven. Een gratis huis in de omgeving van Golmud - zelfs de sofa's werden hun geschonken omdat ze niets bezaten - en onderwijs voor de kinderen trok hun aan. Beide ouders hebben werk in de stad, krijgen bovendien een overheidssteun van 500 yuan per maand, maar de zoon verveelt zich en heeft heimwee naar de vrijheid van de graaslanden. Als achttienjarige volgt hij nu lager onderwijs. Zijn oudere zus is non, om aan de kost te komen, en zijn jongere zus zit min of meer normaal op school. Het Chinese socialisme is geen gratis massaal banket waar iedereen zomaar zonder inspanning aan tafel aanschuift en zich naar genoegen tegoed doet. Het is hard werken en mogelijkheden zoeken. Het geheel van grote centrale overheidsbeslissingen in China, samen met de maatregelen van de lokale overheden en de vindingrijkheid van bevolking brengt een aardige evolutie mee. Met successen en hiaten. Armoedebestrijding is een werk van lange adem in China, met jaarlijks vrij goede resultaten sinds een paar decennia. Eén jaar is niets in China en tien jaar is zéér veel. De centraal geleide "socialistische markteconomie" laat visie toe.

Golmud heeft de ambitie om een welvarend "Salt Lake City" van China te worden. Er zijn veel basisgrondstoffen te vinden voor de scheikundige industrie en enkele belangrijke ertsen voor de metaalnijverheid, maar weinig is ontgonnen. Een openlucht ijzerertsmijn is recent in werking getreden. Productie van het belangrijke metaal lithium, ook in het zoutmeer te vinden, is experimenteel opgestart. Proportioneel neemt het aantal arbeiders toe in Golmud. Duizenden personen per jaar volgen een speciale technische opleiding in cursussen georganiseerd door de vakbond en de vrouwenfederatie of in de "stedelijke school voor technologie". Het aantal landbouwers, ongeveer 20.000 mensen in de omgeving van de stad, blijft gelijk. Zowat de helft van de bevolking van het gebied in en rond Golmud, is actief in de kleinhandel en de kleine productie. Een voorbeeld zijn de jaden decoratie- en kunstwerkjes. Jade is namelijk te vinden in de Kunlun bergen, maar het zoeken ervan is nog vrij primitief, door quasi éénpersoonsexpedities. De overheid heeft het plan om het iets meer georganiseerd aan te pakken. Zo ook het commercialiseren van een grote bron in diezelfde Kunlun bergen, in de vorm van mineraalwater. Het Kunlun gebergte is trouwens een toeristische troef, die de lokale overheid eveneens wil uitspelen, maar dan zal er toch enige infrastructuur langs de nationale baan moeten komen. Qua energie hebben de meeste gebouwen zonneconvectoren op het dak voor warm water. Een eerste windmolenpark is aanbesteed, met een capaciteit van 50 megawatt. Maar verder is de huisverwarming en het keukenfornuis op kolen gebaseerd.

Wie had iets te maken met de aanleg van de spoorweg?

Van de 24 families zijn er 11 waarvan minstens één lid meewerkte aan de constructie van de nieuwe spoorweg. Vijf boerenfamilies, drie herderfamilies, twee handelaren en het ene arbeidersgezin. Bij 6 van de 11 was het één van de zonen, bij 2 was het een dochter en slechts bij 3 gezinnen ging het om het familiehoofd zelf. De twee dochters kwamen uit twee herderfamilies. Wij hadden de indruk dat de landbouwerfamilies uit de omgeving van Golmud meer de neiging of de gelegenheid hadden om iemand vrij te maken voor hulp aan de constructie (5 op 8) dan de herderfamilies (3 op 8).

Vier families leverden iemand voor eenvoudige handenarbeid, aarde en stenen laden en spreiden. Zij verdienden elk 40 tot 50 yuan (2) per dag, wat iets minder is dan het gemiddelde salaris van een constructiearbeider in de provincie Qinghai (3), maar toch bijna evenveel als wat de ganse familie geldelijk aan hun veestapel of landbouw verdient (4).

Bij wie in het transport actief was, hing het inkomen af van de eigen middelen: bezit men zelf zijn vrachtwagen of niet, gaat het om een vrachtwagen of een klein karretje? Eén Hui boerenfamilie heeft een zoon die als vrachtwagenchauffeur in loondienst voor een baas werkt. Drie jaar lang moest hij opdrachten uitvoeren voor de constructie van de spoorweg. Zijn dagloon lag rond de 60 yuan, wat zijn oude vader "een goed inkomen" noemt.  De zoon is getrouwd en heeft vier kinderen. Niet allen hebben een talrijk familiegeluk. Wij waren op bezoek bij een zachtaardige jonge veertiger, een Hui boer. Die heeft slechts twee kinderen en woont in een pover huisje met één grote ruimte waar alles gebeurt. Een kleine televisie en een vloer van stoffig half beton. Zijn vrouw was jong gestorven, hij zat enkele jaren in de dieperik, was nu hertrouwd en kwam wat op kracht. Met een kleine tractor had hij zand en stenen vervoerd voor de aanleg van de spoorweg, voor 100 yuan per dag. Dat is al iets meer dan de pure handenarbeid.  Maar anderen verdienden nog méér. Een Tibetaanse herdersfamilie in Tanggulashan bezit een kleine vrachtwagen. Eveneens voor het vervoer van aarde, zand en stenen verdienden zij 250 yuan per dag, goed voor 60.000 yuan gedurende 1 jaar. Dan komen we bij de grotere vrachtwagenbezitters. Een Hui familie bezit er drie. Die dienen voor transport tussen Golmud en Lhasa, elk zes maal per maand op en af, vijftien jaar lang. Maar tijdens de aanleg van de spoorweg werden ze ingezet om materialen aan te voeren. Zijn inkomen klom gedurende die periode van rond de 100.000 naar 200.000 yuan, eveneens gedurende 1 jaar. Met een dergelijke som ben je rijk in Golmud.

Weinig structurele verandering in de activiteit, eerder een tijdelijke meerverdienste

De families die direct meewerkten aan de constructie van de spoorweg hadden gedurende één tot drie jaar een niet te verwaarlozen bijkomend inkomen. Hun gewone landbouwactiviteit of veeteelt ging ondertussen verder. Slechts twee families tot op heden kenden na de aanleg van de spoorweg een structurele verandering in hun activiteit.

Een matig voorbeeld is een Tibetaanse herdersfamilie die met de meer verdiende centen een theehuis opende in Tanggulashan. De dochter had een paar jaar meegewerkt aan de spoorwegberm en met het verzamelde geld openden ze het bescheiden theerestaurant twee jaar geleden. Hoewel, zij hadden ook een nieuw huis gebouwd in de graaslanden, 100 km daarvandaan, te paard. Niet allen waren blijkbaar willens om te verhuizen naar Golmud en daardoor het "drie-rivieren-gebied" ("Sanjiangyuan") aan de natuur terug te geven. Een andere Tibetaanse herdersfamilie had in Tanggulashan een theehuis geopend in 2001, nog voor de constructie van de spoorweg begon. Zij kregen veel klanten over de vloer tijdens de werken. Nu is dat minder. De dame wil wel naar Golmud verhuizen als zij de kans gunstig ziet om daar een succesvol theehuis te beginnen. Haar man gaat ondertussen door met het hoeden van de kudde - 700 schapen en 70 yaks op 3.500 ha familiegrond - samen met twee betaalde helpers. Het is een jong koppel met één kind, dat in Golmud school loopt. Hun inkomen, kudde en theehuis samen, bedraagt ongeveer 20.000 yuan per jaar, wat niet mis is voor de streek. Van het theehuis moet men zich niet groots voorstellen, het gaat om één barakruimte voor een twintigtal personen.

Dan is er nog een Han familie, die een structurele verandering in hun activiteit meemaakten en niet een kleine. In het vooruitzicht van de aanleg van de spoorweg leende de zoon geld bij de bank en kocht een vrachtwagen, een bulldozer en een graafmachine. Drie jaar kon hij ze inzetten tijdens de constructie. Zij brachten hem 200.000 yuan per jaar op. Een kleine nieuwe rijke. Met de opbrengst heeft hij nu zijn machinepark uitgebreid tot elf. De moeder is fier. Dertig jaar geleden verhuisden zij van de armere streek Huangyuan in de omgeving van het Qinghai meer naar Golmud. Zij waren bij de eersten om zich daar als boer te vestigen, kregen daardoor een relatief groot stuk grond - 1 hectare voor tarwe en koolzaad - toegewezen en bouwden aldus een ietsje beter leven op. De vader werkte bij het agentschap voor landbouwmachines en dat zette de zoon op het goede spoor. Hij begon met één vrachtwagen, nog voor de aanleg van de spoorweg. Maar de aankondiging van de constructie deed hem de sprong wagen. Zijn bedrijfje draait en de moeder reist: Shanghai, Suzhou, Hainan, Singapore, Thailand. Het decor van hun salon getuigt ervan: een driekleurig porseleinen paard van Luoyang, zijdeborduurwerk van Suzhou, mooie grote jaden stenen en foto's van de provincie Yunnan. Hun hectare grond verhuren ze nu aan anderen. Zes personen delen in de lokale weelde: zij en haar man, de zoon met zijn vrouw en hun twee kinderen.

De gastheer van de Hui familie met hun drie vrachtwagens echter klaagt en zegt dat hij een vrachtwagen zal moeten verkopen omdat er nu meer goederen via het spoor naar Lhasa vervoerd worden en dat hij daardoor minder te doen heeft dan vroeger. Maar hij was al rijk tevoren en bovendien verdiende hij flink wat meer tijdens de constructie. Zijn plan is om nu een goudhandeltje op te zetten. Ter illustratie van zijn comfortabele levenssituatie is er het feit dat hij een groot nieuw huis liet bouwen in 2001, modern uitgerust en rijkelijk versierd. Een zware uitgavenpost zijn ook de studies van zijn drie zonen, waarvan er reeds twee aan de universiteit studeren. Dat zij goed mogen lukken in het leven ligt hem het nauwst aan het hart. Hoewel hij al zeer dikwijls in Lhasa kwam met de vrachtwagen, wil hij wel eens als toerist de comfortabele trein nemen en wat rondreizen in Tibet. Tweeëntwintig jaar geleden week hij uit naar Golmud, komende van een zeer arme streek in Gansu. Hij begon er als boer op een klein lapje grond van 2 mu (5), dat hij nu enkel nog gebruikt als groententuin.

Als laatste nog te vermelden is een Tibetaanse boerenfamilie waarvan de zoon al bij de spoorwegen werkte nog voor de verlenging van de lijn naar Lhasa. Hij doet sinds 1983 dienst als verkeersleider in het station van Golmud.

Slotsom is dat ongeveer de helft van de ondervraagde families iemand vrijmaakten voor een tijdelijk werk bij de aanleg van de spoorweg, dat dit hun een tijdelijke mooie meerverdienste opleverde, maar slechts bij twee families een wezenlijke verandering in hun activiteit nadien, waarvan er eigenlijk maar één echt in het oog springt, namelijk de familie die in graafmachines en vrachtwagens investeerde. Niemand stopte zijn gewone activiteiten tijdens de constructie, de "helpende handen" waren tijdelijke vrije handen: één of twee leden van de familie. De gewone werkactiviteit gaat dan ook verder nu na de constructie. Behalve voor de familie die van boer naar ondernemer voor wegenwerken groeide en wellicht voor de Hui familie die het minder ziet zitten met zijn drie vrachtwagens.

Welke invloed heeft de nieuwe spoorlijn op het leven van de ondervraagde families?

De vraagstelling liet toe om te kiezen tussen "geen", "weinig", "veel" of "zeer veel". Uit het bovenstaande kan al blijken dat we niet verwonderd moeten zijn over het resultaat. 15 op de 24 families zeggen "geen invloed", 4 antwoorden "weinig", 4 kiezen voor "veel" en één familie voor "zeer veel". Die laatste is uiteraard de familie die tot ondernemer voor wegenwerken uitgroeide. Bij het antwoord "veel invloed" vinden we de man met zijn drie vrachtwagens en de Tibetaan waarvan de zoon als verkeersleider bij de spoorwegen werkt. Verder nog twee families waarover tevoren nog niet veel gezegd is en het belichten waard zijn.

Er is de privé-dokter van Hui nationaliteit uit de omgeving van Golmud. Hij heeft een minidispensarium met slechts enkele ziekenbedden. Zijn specialiteit is gebroken beenderen genezen, op traditionele wijze. De vaardigheid verwierf hij op achttienjarige leeftijd van zijn vader, die het op zijn beurt van zijn vader had. In 1985 verhuisde hij van Linxia, in de nabijheid van het Labuleng klooster in de provincie Gansu, naar Golmud. Hij kreeg er 3 mu (4) landbouwgrond ter beschikking voor zijn eigen graan en groenten. Maar het verzorgen van patiënten met gebroken beenderen is al lang zijn hoofdactiviteit, waarmee hij ongeveer 40.000 yuan per jaar verdient. Tijdens de werken aan de nieuwe spoorweg had hij beduidend meer patiënten. Golmud telde tijdens die periode 30.000 inwoners méér dan nu, hoofdzakelijk tijdelijke werkkrachten voor de aanleg van de spoorlijn. Gedurende een bepaalde periode van de werken werd hij ook mee uitgenodigd langs de spoorlijn om ter plaatse te helpen bij ongevallen. Zijn faam vergrootte, meer patiënten komen nu naar hem toe, zelfs Hui families uit Lhasa, met de trein. Hij bezit een mooie camionette, die kan dienst doen als ziekenwagen. Zijn dochter heeft een goed draaiend klein restaurantje in de omgeving van het station van Golmud, wel met minder klanten dan tijdens de constructiewerken. Zijn zoon is hetzelfde lot beschoren als zijn vader: de dokterslijn voortzetten. De bevinding van de Hui dokter is: "veel invloed" van de spoorlijn.

Een vierde familie die hetzelfde verklaart is een handelaarfamilie, ook van Hui nationaliteit. De man is 55 jaar oud, woont met zijn gezin in een zeer verzorgd nieuw huis, waarbij zelfs de binnenkoer rijkelijk geplaveid is. Het bouwen ervan kostte hem 170.000 yuan, niet te vergelijken natuurlijk met de prijzen in Beijing en andere grootsteden waar de prijzen tot tientallen keren hoger zijn. Hij heeft twee zonen, waarvan er één met vrouw en kind bij hem inwoont. Tien jaar geleden zakte hij af vanuit Minhe, een arme streek ten zuiden van Xining, naar hier in Golmud. Gezien hij zo laat naar Golmud emigreerde was er geen grond meer beschikbaar voor landbouw, alles was verdeeld. Maar hij heeft een andere activiteit. Hij koopt voor 50.000 yuan 300 lammeren ineens, die hij tijdens enkele maanden op een weide, die hij huurt, vetmest en dan weer verkoopt om geslacht te worden. Dat doet hij tweemaal per jaar. Zijn twee zonen werken met hem samen. Hij heeft een eigen vrachtwagen om een deel van de schapen in Lhasa te verkopen. Waarom vindt hij dat de trein "veel invloed" had op zijn activiteit? Wel, de vraag naar schapenvlees vanuit Lhasa is gestegen, er zijn veel meer toeristen in Tibet, door de trein. En schapen verkopen in Golmud ziet hij ook zitten: "Er zijn in Golmud ongeveer evenveel schapen als inwoners en één schaap per persoon per jaar is niet voldoende."

Tot daar de getuigenissen van "veel invloed".

Komen we bij de vier maal "weinig invloed". De twee Tibetaanse herderfamilies met hun theehuis in Tanggulashan zitten in deze categorie. Een andere Tibetaanse herderfamilie, redelijk rijk, heeft gewoon als argument dat er meer dingen te koop zijn nu de spoorlijn operationeel is. Bij de vierde zijn er enkele neveninformaties het vermelden waard. Het gaat om een Tibetaans herdersgezin onderweg tussen Golmud en Tanggulashan, in een dorpje dat grotendeels verlaten is door de verhuizingpolitiek omwille van de bescherming van het "drie-rivieren-gebied". Vroeger woonden er tien families, nu nog drie. Hij bleef er met zijn vrouw en kind en een kudde van 500 schapen en 70 yaks. De spoorweg nam een deel van zijn graasland in beslag. Daarvoor kreeg hij een vergoeding van 20.000 yuan of 4.000 yuan per km. Voor hem is dit de reden om te zeggen dat de spoorlijn een beetje invloed had op zijn bestaan. Wellicht ook de reden waarom hij daar nog blijft wonen. Zijn huis is schamel en oud, hoewel binnenin een grootscherm televisie op een ereplaats onder een Mao-poster aanwezig is. Van de lokale overheid kreeg hij gratis een paar zonnepanelen en een voltageregelaar om zich in elektriciteit te voorzien. Zijn jaarinkomen van 10.000 yuan is aan de lage kant maar stabiel, zegt hij, zowel voor, tijdens als na de aanleg van de spoorweg. Hij vermeldt dat de graaslanden droger worden, dat de woestijnvorming een bedreiging vormt en dat de pika's - iets tussen de marmot en de rat - te talrijk worden en het weinige gras wegknagen. Door de droogte vindt hij ook geen "caterpillar fungi" meer, de goudmijn van vele Tibetaanse families. Toch wil hij blijven waar hij is, ondanks de stimulansen om te verhuizen. Zijn verwarmingskachel werkt met kolen en yakdrollen.

"Geen invloed".

Zoals gezegd zijn zij in de meerderheid, in het totaal 15 op 24 met 6 op 8 voor de landbouwers, 5 op 9 voor de herderfamilies, 3 op 5 voor de handelaren, plus de arbeidersfamilie. Zelfs al werkte iemand van de familie tijdelijk mee tijdens de aanleg van de spoorweg, wat het geval is voor 5 van de 15 "neen" stemmen. De vijf, die aan de spoorwegconstructie meewerkten en toch zeggen dat die van geen invloed is op hun leven, hebben gewone handenarbeid verricht of een klein vervoermiddel gebruikt voor de aanvoer van aarde en stenen. Voor hen was het blijkbaar een klein extra werk, dat ze eveneens geregeld in de stad opzoeken. De arme Hui boer bvb, die jong zijn eerste vrouw verloor, was gewoon om met zijn kleine tractor bij te klussen in de stad, voor 30 yuan per dag. Ook voor de zoon van een andere familie en chauffeur in loondienst van een vrachtwagen maakte het niets uit of hij voor de spoorweg moest vervoeren of voor iets anders, zijn loon bleef hetzelfde. De drie overigen betreft handenarbeid.

En subjectief besluit van mijnentwege kan hier zijn dat bij de aanleg van de spoorweg te weinig arbeidskrachten de kans kregen om een opleiding te volgen, al was het een korte, voor iets wat ze tevoren nog niet konden doen. De overheid wil herders uit het "drie-rivieren-gebied" delokaliseren om het ecologische evenwicht daar te herstellen, wat prijzenswaardig is. Maar tegelijk wordt het onderhoud van de spoorweg uitgevoerd door werkers, die per bus vanuit Golmud aangevoerd worden en ergens langs de spoorlijn voor enkele maanden logeren. De logica hiervan zal me voorlopig ontgaan zijn, maar ik vroeg me gewoon af waarom niet méér herderfamilies ter plaatse omgeschoold worden voor een werk dat er voorhanden is en dat het ecologische evenwicht minder bedreigt dan het blijven voortdoen met hun grote kuddes. Als voorbeeld kunnen we een Tibetaanse familie uit Tanggulashan aanhalen. Een koppel, geboren in de streek, twee zonen, één dochter en drie kleinkinderen. Zij hoeden 800 schapen en 20 yaks op een oppervlakte van 8.000 ha. Hun familie-inkomen ligt rond de 20.000 yuan per jaar, wat redelijk goed is. De dochter verrichtte gedurende 1 jaar eenvoudige handenarbeid bij de aanleg van de spoorweg. De huisvader is 50 jaar oud en wil later wel naar Golmud gaan wonen met zijn kleinkinderen om hun studies te begeleiden. Maar hij wil dat zijn zonen en zijn dochter in Tanggulashan blijven om er de veeteelt verder te zetten en voor een inkomen te zorgen, ondanks de verhuizingpolitiek. Het enige motief dat aanspreekt om de streek te verlaten is de opvoeding voor de kinderen. Maar omschakeling naar een ander werk en inkomen is voorlopig afwezig. Voor hen had de nieuwe spoorlijn dus "geen invloed".

Bij een andere Tibetaanse familie uit Tanggulashan was het al zover: de grootouders en de kleinkinderen woonden in de omgeving van Golmud, terwijl de kudde gewoon doorging in de Tanggula streek met de zonen en de dochters. Het is een rijke familie, die bovendien uitsluitend van de veeteelt leeft. De familie telt twaalf personen, waarvan enkel twee grootouders en enkele kleinkinderen naar Golmud uitweken, waar ze van de overheid een gratis woonst in eigendom kregen. Een huis dat trouwens door de familie comfortabel ingericht is, met tapijten, DVD-installatie, grote veranda en dies meer. De rest van de familie beheert in Tanggulashan een grote kudde van 1.000 schapen en 100 yaks. Eén van de kleindochters is ondertussen afgestudeerd aan de Qinghai universiteit, maar vindt sinds één jaar geen werk. Het probleem van de werkgelegenheid vinden we bij andere Tibetaanse families die naar Golmud uitweken net zoals bij Hui of Han families die al langer in de omgeving van Golmud verbleven.

Apart van de vraag over "geen" tot "zeer veel" invloed, vroegen wij aan de families of zij enige hinder ondervonden tijdens de werken of een negatieve invloed zien nadien. Niemand klaagt over ondervonden hinder. Nu de spoorlijn operationeel is vermelden vooral de inwoners van Tanggulashan dat er iets minder bussen rijden tussen Golmud en Lhasa, waardoor er dus minder stoppen in hun dorp. Algemeen komt de tijdelijk verlaagde activiteit ter sprake, zowel in de stad Golmud als onderweg naar Lhasa. Golmud was bruisend tijdens de constructiewerken en is dat nu duidelijk minder. Het is wachten op de bloei van China's "Salt Lake City". Bij navraag over gestegen prijzen voor consumptiegoederen tijdens de constructieperiode, blijkt niemand problemen ondervonden te hebben, integendeel, sommige boeren of herders konden hun producten gemakkelijker en soms voor een betere prijs verkopen.

Gemiddeld inkomen

Als we de drie families die zéér veel verdienen en de drie die zéér weinig verdienen buiten beschouwing laten, dan ligt het gemiddelde van de overige families rond de 25.000 yuan per jaar. De kleine steekproef is natuurlijk niet representatief genoeg voor algemene conclusies. Voor het district Golmud lag het gemiddelde inkomen in 2005 op 17.000 yuan per jaar en per familie voor de landelijke bevolking (6). De hoge inkomens onder onze ondervraagde families kennen we ondertussen: een ondernemer voor wegenwerken, een familie met drie vrachtwagens en een schapenhandelaar. Hun inkomens liggen boven de 100.000 yuan per jaar. Interessant is ook het bekijken van de drie lage inkomens van slechts 3.000 à 4.000 yuan per jaar.

Eén ervan is een oud Hui koppel - 70 jaar - waarvan de twee zonen uit huis zijn. Zij hebben 3 mu landbouwgrond en maken daar een klein beetje geld mee. Een van de zonen is uitgeweken naar Xiamen, in het zuiden van China, waar hij een restaurantje heeft met Qinghai noedels als specialiteit.

Een tweede is een half sociaal drama. Een grootmoeder leeft - sinds haar geboorte -in Tanggulashan, nu met haar enige dochter, die een onwettige zoon heeft, momenteel 13 jaar oud. Zij bezitten slechts 100 schapen en 20 yaks, die ze dan nog verhuren aan iemand anders om ze te hoeden. Een pover huis met een vloer van gestampte aarde, hoe kan het anders met hun karig inkomen van 4.000 yuan per jaar.

Een derde familie, ook in Tanggulashan, bestaat uit zes personen, twee ouders, twee kinderen en twee kleinkinderen. Hun enig bezit zijn 400 schapen op 3.000 ha barre grond. Geen nieuw huis, een arm interieur, een klein-scherm-televisie uit de jaren vijftig en één moto. Hier ook zonnepanelen geschonken door de overheid. Hun vooruitzicht voor volgend jaar is verhuizen naar Golmud voor de opvoeding van de kleinkinderen, die al 8 en 12 jaar oud zijn.

Terugkomend op de verhuizingpolitiek uit het "Sanjiangyuan" gebied

DSCN2626

De bestrijding van de woestijnvorming in het brongebied van de "drie grote stromen" is een noodzaak. Het stoppen van begrazen en het verhuizen en herscholen van herders zeker ook. Ongeveer 700 families gingen op het verhuizingbeleid in. We hebben met vier families gepraat, die recent uitweken. Er zijn met overheidsgeld twee kompleet nieuwe dorpen gebouwd in de omgeving van Golmud, één voor 128 families en een tweede voor 240. Een gratis huis wordt ter beschikking gesteld voor hen die bereid waren om de stap te wagen en zij krijgen bovenop nog een leeftoelage van 500 yuan per familie en per maand gedurende tien jaar. De mensen zijn erkentelijk. Wat hun aantrok was de mogelijkheid voor beter onderwijs voor de kinderen en dat is er. Eén probleem voor hen is niet opgelost: werk vinden, voor henzelf of voor de afgestudeerde kinderen. Zoals een ex-herder ons vertelde: "Voor wij verhuisden hebben kranten en informatiebrieven ons werk voorgespiegeld in Golmud, maar wij hebben geen stabiele baan, wij zijn niet gewend aan het stadsleven, er zijn taalproblemen om in een bedrijfje te werken, wij hebben geen enkele technische vaardigheid, rest ons handlanger in de bouw, maar daar zijn er kleine ondernemers die ons te laat of niet betalen." De man had vroeger 80 yaks en 700 schapen in de Tutuohe streek. Bij goed weer, dat wil zeggen: wanneer het gras welig was, verdiende hij tot 30.000 yuan per jaar. Zijn familie-inkomen ligt nu lager, hij teert op de verkoop van zijn kudde. Zijn twee zonen en zijn twee dochters volgen hoger onderwijs in Golmud, wat hem tevreden stelt. Dat is zijn grootste zorg, een goede toekomst voor hen. Hij is tevens de verkozen "burgemeester" van het nieuwe Tibetaans dorp in de omgeving van Golmud. Daarvoor krijgt hij een jaarlijkse vergoeding van 2.000 yuan. Amper 200 euro, de vergelijking met burgemeesters in Europa gaat niet op, zelfs al brengen we de levensniveaukost op gelijke hoogte.

Vier herderfamilies in Tanggulashan geven expliciet te kennen dat zij er niet weg willen. Een vijfde familie - die met hun Tibetaans theerestaurantje in Tanggulashan - wil wel naar Golmud emigreren wanneer zij de kans zien om daar een rendabel theehuisje te openen, niet vroeger. Van de zes geïnterviewde families, die nog in Tanggulashan wonen, heeft er eigenlijk slechts één het plan om naar Golmud uit te wijken. Er wonen nog 1.600 mensen als herders in de streek en 400 in de diensten langs de grote baan.

Dongcun, het oudste landbouwersdorp in de omgeving van Golmud

In Dongcun wonen 1037 families op 600 hectare, Han, Hui, Tibetaans, Mongools en Tu door elkaar, eigenlijk zoals geheel Golmud een mengelmoes is van diverse nationaliteiten. Zeventig procent van de productie van het dorp is graan, dertig procent zijn groenten in serres. Slechts een tiental families zijn tegelijk herders. In de zomer hebben ze irrigatiewater uit de bergen, in de winter gebruiken ze putwater. Velen klussen bij in de bouw in de stad. Een vijftigtal families werkten mee aan de bouw van de spoorweg. Door de spoorlijn naar Lhasa kunnen zij méér producten in Tibet verkopen en aan lagere prijs door de lagere transportkost. Dat is ongeveer alles wat de nieuwe spoorlijn voor hen betekent. Typisch is ook dat dikwijls één van de kinderen een baan buiten de landbouw gevonden heeft. Eén van de bezochte families bvb, reeds 23 jaar in Dongcun, heeft een zoon die als arbeider in de potasfabriek (kaliumcarbonaat) werkt. Het familie-inkomen vaart er wel bij, ongeveer alle families bezitten een kleine bestelwagen en bijna alle huizen in Dongcun zijn gedurende de laatste tien jaar nieuw gebouwd of vernieuwd en comfortabel ingericht. In een ander dorp, een "niet-hukou" dorp, is dit niet algemeen het geval, er is minder geplande urbanisatie, wel elektriciteit en watervoorziening. "Hukou" is "een werkvergunningvoor onbepaalde tijd, gekoppeld aan een vaste verblijfplaats", vroeger "behoren tot een werkeenheid". Er wonen voornamelijk Hui families. Zonder of met een beetje landbouwgrond, migrantwerkers en kleine handelaren, die zich hier vrijelijk tien tot twintig jaar geleden vestigden en er nog wonen, ondanks de onzekerheid of ze er mogen blijven. Ook het aansluiten bij een ziekenkas is nog niet geregeld. Van de vijf families, die we hier ontmoet hebben, gaf er één als belangrijkste hoop voor de toekomst te kennen: het "hukou" statuut bekomen.

Toekomst

Alle ondervraagde families hebben geen grote verandering in zicht in de nabije toekomst. Dezelfde activiteit, dezelfde woonplaats. Eén punt kwam echter sterk naar voor: het belang dat zij hechten aan de opvoeding en de mogelijke werkgelegenheid nadien voor de kinderen of de kleinkinderen. Negen families hebben het expliciet vermeld. Drie families hebben een afgestudeerde die geen werk vindt.

Golmud is vrijwel klaar voor een bijzondere economische ontwikkeling: er zijn grondstoffen, er is plaats en infrastructuur en werkkracht is voldoende voorhanden. Scholing is nog een probleem, maar zoiets kan vrij vlug evolueren. De nodige startbudgetten voor de ontplooiing van de economische activiteit zijn zéér hoog en komen nog voor ongeveer 60% van de centrale Chinese overheid, zoals voor de waterbeheersing, de grote elektriciteitsuitrustingen, sommige wegenwerken, afvalverwerking, een gaspijplijn naar Lanzhou, maar ook voor het opstarten van grote bedrijven. Het aanleggen van de spoorlijn en het onderhoud van de nationale baan naar Lhasa is een direct nationaal budget.

Op de vraag of de families ooit de trein naar Lhasa zullen nemen, komen weinig enthousiaste antwoorden. Drie families hebben iemand die de trein al genomen had. Maar niet vanuit Golmud, want daar zijn voorlopig nog geen tickets beschikbaar. Zeven families klagen daarover. Twaalf families leggen de afstand af met de bus (zeven) of met eigen vervoer (vijf, waarvan twee Hui handelaren). De frequentie hangt af van het doel. Wanneer er handel bij komt kijken, dan is het meerdere malen per jaar. Om Boeddha te eren is het één keer per jaar of minder. Bij een Tibetaanse boer - die met zijn diploma "geraakte op eigen kracht uit de armoede" - is het al drie jaar geleden dat hij nog in Lhasa kwam. "Teveel werk," is zijn verklaring. Maar hij wil wel tijdens zijn oude dagen met zijn vrouw eens de trein nemen. Zeven van de tien Hui en Han families voelen geen behoefte om naar Lhasa te reizen, twee zeggen ook openlijk dat zij er het geld niet voor hebben.  

Besluit

Het moet herhaald worden dat de kleine steekproef geen grote besluiten toelaat, enkel een reeks indrukken. Toch geven die indrukken al een eerste beeld van wat er bij boeren en herders rond Golmud en langs de spoorlijn gebeurt, wat het onderwerp van het korte onderzoek was. De trein heeft voorlopig weinig invloed op hun leefwijze. Minder dan de helft van hen werkte tijdelijk mee aan de constructiewerken. Dat leverde hen een aardig extra inkomen op gedurende enkele jaren. Maar zij leerden geen nieuwe vaardigheden, zij verrichtten eenvoudige handenarbeid of klein transport. Families, bij wie een structurele verandering in hun activiteit optrad, zijn een kleine minderheid. De verwachting, in wat de spoorweg en de ontwikkeling van Golmud zal meebrengen, is wel algemeen positief, maar niet concreet.

Als directe bekommeringen, die hun leven beheersen, kunnen we de momentele schaarste van werkgelegenheid in Golmud en het ontruimen van het "drie rivieren gebied" vernoemen. Dat laatste is een ecologisch project en heeft niets met de trein te maken, maar het doorkruiste wel ons onderzoek. De herplaatste personen zijn nog niet herschoold. Zij genieten van rijkelijke staatssteun, een huis van 50.000 yuan als cadeau en 500 yuan per maand om te leven, gedurende 10 jaar, onafhankelijk van het feit of ze werk vinden of niet. Tot nog toe vinden ze geen vast werk, het is wachten op de verdere ontwikkeling van China's "Salt Lake City", waarvan de basis aanwezig is. Een ander zijdelings probleem dat wij te zien kregen is het feit dat de nationale baan, qua beheer en infrastructuur, achterloopt op de trein en voor nogal chaotische leefomstandigheden zorgt voor hen die er nog wonen.

Om zich te verplaatsen zien de geïnterviewde families voor hen weinig nut in de trein, zij zijn de minder kostende bus gewoon, gaan mee met een vrachtwagen of een familiecamionette en bovendien is Golmud nog geen opstapplaats voor personen, enkel een laad- en lospunt voor goederenvervoer. Dat laatste wordt door de landbouwers als positief ondervonden omdat hun producten sneller, minder beschadigd en goedkoper in Lhasa geraken.

De aanleg van de spoorweg was een grote sprong, de evolutie gaat nu weer matiger.

(1) zoals bvb in de autonome regio Tibet.

(2) 10 yuan is ongeveer 1 euro.

(3) het dagloon voor een constructiearbeider in de provincie Qinghai is gemiddeld 65 yuan (2005). Ter vergelijking: in Beijing is dat het dubbele (nationale statistieken). Beijing is uiteraard ook duurder om te leven en te wonen.

(4) jaarlijks gemiddeld geldelijk inkomen uit veeteelt en landbouw in Qinghai is ongeveer 17.000 yuan per familie. (statistieken 2005).

(5) 1 mu is ongeveer 1/15e hectare.

(6) statistical yearbook Qinghai 2006

05-01-08

Tibetaanse herders verplicht om in steden te gaan wonen?

 

Het Amerikaanse Human Rights Watch publiceerde in mei 2007 een rapport over de ontheemding van de Tibetaanse herders. "Tal van Tibetaanse veehouders worden verplicht om hun kudde te slachten en zich te vestigen in nieuwe woonkolonies in de nabijheid van steden en aldus hun traditionele manier van leven vaarwel te zeggen... met grotere armoede als gevolg."[1] HRW eist van China toegang voor een internationale onafhankelijke commissie van experts en het onmiddellijk stopzetten van de "volksverhuizing". De aanklacht werd overgenomen in het rapport van de commissie voor de mensenrechten van het Amerikaanse Congres, in oktober 2007[2].

En in de Commissie voor de Mensenrechten van het Europese Parlement gebeurt hetzelfde op 27 november, waar sprekers van HRW en International Campaign for Tibet (ICT)[3] de informatieverstrekkers zijn. 

HRW stelt: "die arme Tibetaanse herders hebben geen recht op HUN grond." Grond is niet privé in China. HRW vindt dit een schending van de mensenrechten, want voor hen is privé-grondbezit een heilig universeel recht. Herders, die verhuizen en een ander beroep beginnen, worden inderdaad niet vergoed op basis van een eventuele marktprijs van de grond, maar enkel voor de gebruikswaarde, voor het inkomen dat ze eruit haalden. Dat grond een andere prijs heeft in China dan in Arizona, waarmee bemoeit HRW zich? Mogelijks zit het feit dat westerse kapitalen geen grond kunnen kopen in China hun ook dwars?

Waarom moeten Tibetaanse herders verhuizen?

"Ze worden gedwongen in stedelijke agglomeraties te gaan leven om ze daar beter te kunnen controleren," zegt HRW. Wat is de realiteit?

Er is teveel vee en er zijn teveel mensen. In het oude Tibet stierven de mensen jong. De moeder van de huidige dalai lama wierp 16 kinderen, van wie er slechts 7 overleefden. De familie van de 14e dalai lama waren gewone boeren, niet van de armste en leefden bovendien in een vruchtbare landbouwzone. Er waren hardere overlevingsstreken dan de hunne. Nu is er overal betere gezondheidszorg, de voeding is gevarieerder en epidemie's zijn sinds de jaren vijftig gebannen. Vandaar dat de mensen gemiddeld langer leven, bijna dubbel zolang. En mede omdat er geen geboortebeperking bestaat voor de Tibetanen is de bevolking verdriedubbeld, met elk méér yaks en schapen dan vroeger. "Harmonieus en traditioneel" betekende vroeger: "jong creperen". Ondertussen is de veestapel ook verdrievoudigd. China telt 400 miljoen grazers tegenover 105 miljoen voor de USA, voor een gelijke graasoppervlakte[4]. Dat betekent dat in de USA het gras blijft en dat in China het gras verdwijnt. Waarom zijn er méér grazers in China? Omdat er meer volk is in China. Dat is één zaak: teveel volk, teveel vee.

Een tweede ding is de opwarming van het wereldklimaat. Het noordelijk deel van het Qinghai-Tibet plateau kende al weinig neerslag, ongeveer 100 mm per jaar, gelijk aan wat bij ons in een niet al te natte maand valt. De laatste vijftig jaar is dat met 20 mm gedaald[5]. De gemiddelde temperatuur op het hoogplateau is met 1°C gestegen. Voor 2020 wordt een bijkomende stijging van 1°C verwacht. Het hoogplateau droogt op, minder neerslag en warmer. De Gele Rivier, de ooit zo geduchte "Gesel van China", verloor in dertig jaar één vierde van zijn debiet. De hoogvlakte, waar enkel gras gedijde, wordt schraler met het jaar. Gletsjers verkorten en verdunnen. Het gaat over een oppervlakte van ongeveer anderhalve keer Frankrijk, enorm, en op 4 à 5.000m boven de zeespiegel. Gedurende de laatste tien jaar bezocht ik grote delen van dit gebied en kon de woestijnvorming met eigen ogen vaststellen. Talrijke gesprekken met boeren en herders gaven hun bezorgdheid weer over de achteruitgang van de graasoppervlaktes en de grotere moeilijkheid om drinkwater te vinden. Ik ontmoette zelfs herders die in groenere streken elkaar teveel op de voeten liepen en uitgeweken waren naar dorre gebieden, met alle moeilijkheden van dien. "Ontneem die mensen hun traditionele levenswijze niet," schrijft HRW "laat ze hun cultuur behouden, geef ze desnoods een nieuw huis, maar vlakbij hun grond en hun kudde." Dat er geen gras en geen water meer is, kan HRW blijkbaar geen spriet noch druppel schelen. Dat is een immorele kreet, zonder respect voor de mensenrechten.

De lokale Tibetaanse overheid en die van de provincies Qinghai en Gansu willen het probleem pro-actief aanpakken en niet wachten op de afkoeling van de aarde of op het uitdrogen van de yaks. En er is slechts één onmiddellijke maatregel mogelijk: de veestapel drastisch verminderen, mensen een ander beroep bieden. Een nieuwe economische activiteit ontwikkelen kan zomaar niet met 1 à 2 inwoners per km2 (het gemiddelde voor dat enorme gebied) in verspreide slagorde. Vandaar dat nieuwe dorpen, nieuwe agglomeraties verrijzen, waar ex-herders enigszins gegroepeerd worden en nieuwe technische vaardigheiden kunnen aanleren. Zij krijgen gratis een huis ter beschikking en gedurende tien jaar een leefsubsidie, ongeacht of ze onmiddellijk betaald werk vinden of niet. Ik heb met ex-herders gesproken in die nieuwe dorpen. Het waren niet de gelukkigste mensen ter wereld. Zij waren tevreden met de betere onderwijsmogelijkheden voor hun kinderen, maar vonden het leefloon nogal karig en het werkaanbod beneden alle peil. China is ook geen supersinterklaas, het blijft nog een land met beperkte mogelijkheden. Het hervestigingproject gebeurt op vrijwillige basis, sinds vijf jaar. Ongeveer 60.000 mensen[6] gingen in de meest getroffen provincie Qinghai al in op het aanbod. De overheid hoopt tegen 2010 er nog eens zoveel van het nut te overtuigen, door hen een goede kans te bieden op sociale vooruitgang.

Plannen en enorme overheidsbudgetten zijn nu klaar om... gras aan te planten, hard gras, boven de 4.000m, met de hand, op anderhalve keer Frankrijk. Een systeem van vrije markt kan zoiets niet aan.



[1] Zie website HRW.

[2] US Congressional executive commission on China, annual report 2007, website.

[3] ICT, Amerikaanse organisatie geleid door Richard Gere, Lodi Gyari als afgevaardigde van de 14e dalai lama en John Ackerly, een Amerikaans agent die in Roemenië zijn eerste sporen verdiende met het organiseren van de liquidatie van Ceaucescu.   

[4] Lester Brown, "Plan B: rescuing a planet under stress and a civilisation in trouble", chapter one, paragraph "ecological meltdown in China", W.W. Norton, NY, 2003.

[5] Rapport over ecologie in China, State Council Information Office, 4/6/07.

[6] Niet te vergeten: verspreid over een met woestijnvorming bedreigde oppervlakte van anderhalve keer Frankrijk!

21:21 Gepost door infortibet in ecologie | Permalink | Commentaren (0) | Tags: woestijnvorming, herders, tibet, yaks, klimaat, qinghai, bevolking, wonen

16-04-07

Tibet warmt op en droogt uit

In Europa kennen we min of meer de grote stromen die uit de Alpen vloeien: de Rijn, de Rhône en de Donau. En we weten hoe gevoelig die zijn voor wat het klimaat en de mens in het Alpengebied aanrichten. Het Qinghai-Tibet plateau is tientallen malen groter en tot bijna dubbel zo hoog. De gletsjers, de meren zijn er talrijk, de stromen gigantisch. 82% van alle gletsjerwater in China komt van het plateau. Wat op en aan de rand van dit plateau klimatologisch gebeurt, bepaalt direct het leven van wel twee miljard mensen. En er gebeuren rare dingen. Er zijn gevolgen van de menselijke planetaire activiteit maar ook lokale stooractiviteiten. Door de globale opwarming van de aarde verkorten de gletsjers, is er minder neerslag en meer woestijnvorming. Het overvloedige vee versnelt de verzanding en verzilting met volgehouden mondjesmaat. Illegaal jagen doet de populatie van kleine graseters, zoals ratten en marmotten, toenemen, wat ook weer meer zand veroorzaakt. Ten slotte is er nog steeds illegaal delven naar goud, ondanks strenge veroordelingen in het recente verleden, waardoor minder gras en meer erosie.  

gras

gras wordt schaarser op het plateau

 

Het Qinghai-gedeelte van het plateau wordt ook wel genoemd “San Jiang Yuan”, “de tuin van de drie stromen”. De Gele Rivier, de Yangzi en de Mekong ontspringen er. Qinghai is anderhalve keer Frankrijk, bevindt zich voor het grootste gedeelte boven de 4.000 meter en telt slechts 6 miljoen mensen, keurig verdeeld onder Tibetanen, Han en Hui (moslims), elk één derde. Qinghai is gekend als een “arme” provincie. Van de 16 districten zijn er 7 die “prioritair” genoemd worden in het nationale Chinese armoedebestrijdingplan. In het zuidwesten van de provincie is er de uitgestrekte Hol Xil regio, boven de 5.000m en met “duizend meren”, vergelijkbaar met Finland, beiden met 8% van hun oppervlakte ingenomen door meren. Wat we ons niet realiseren is dat de oppervlakte van de bergketens in Qinghai groter is dan die van de Himalaya in Tibet, beter bekend bij ons. Wat we ons nog minder realiseren is dat Qinghai 5.000 jaar geleden nog redelijk groen was, toen lag het nog 300m minder hoog boven de zeespiegel. Opgravingen haalden versierde pottenscherven boven die gelijkenissen tonen met sedentaire oude culturen langs de Gele Rivier. De tijden zijn veranderd. Het plateau werd kouder, de steppevolkeren kwamen in de plaats en in de 8e eeuw werd het ge-“tibetaniseerd” door de zuidelijkere Tubo-clan. Maar de laatste dertig jaar zijn het de milieuomstandigheden die veel veranderen of dreigen te veranderen.

De Geladandong gletsjer, één van de voedingsbronnen van de Yangzi, is 700m korter geworden in 13 jaar tijd. Algemeen in Qinghai is de sneeuwlijn zich beginnen terug te trekken gedurende de jaren ’80. Het wordt warmer en droger. Meren verkleinen, verdwijnen of worden zoutig. Minder neerslag maakt alle meren meer zoutig. De karpersoort, die de omgeving kende en redelijk wat zout gewoon was, heeft het moeilijk en sterft traag uit. Het Ngoring meer in de omgeving van Madoi, een bronmeer voor de Gele rivier, zakt elk jaar met 2 à 3 cm. Het gemeentehuis van Madoi werd al drie keer verplaatst omdat de waterbron, die het gebruikte, opdroogde. Er waren ook teveel kuddes die het gras schaarser maaiden. En katastrofe erbovenop, Madoi was ooit een centrum van goudzoekers, die putten in het landschap maakten waar dan het regenwater en het slib naar toevloeiden en waarin de fortuinzoekers aan het ziften sloegen. Zij kampeerden er en om zich in voedsel te bevoorraden durfden ze antilopen roosteren, waarvan ze de huid illegaal verkochten om er “shahtoosh” sjaals van te maken, gegeerd in Hongkong en in Engeland in de jaren ‘90. Dit werd streng verboden, maar controleer maar eens een zeer dunbevolkt gebied, anderhalve keer Frankrijk en op grote hoogte. We zullen het Sarkozy’s politie vragen. Pas nu in de 21e eeuw verhoogt de antilopenbevolking opnieuw. Het jagen op vossen en wolven heeft een explosie van kleine knaagdieren veroorzaakt, die rivaliseren met de yaks om planten en gras te verorberen. De pelzen van vossen en wolven zijn sinds eeuwen een gegeerde feesttooi voor de Tibetanen. Maar vroeger waren het enkel de lekennotabelen en hun dames, die ze mochten dragen. Nu het voorrecht voor de adel weggevallen is, kan en wil iedereen die wel. Om het probleem op te lossen worden er synthetische vellen geproduceerd.

 

Bij de bronnen van de Mekong waren 20 jaar geleden nog goede weilanden, nu is het gebied grotendeels dor geworden. In de omgeving van het Qinghai meer in het noorden vormden zich duinen, waar vroeger graasland of landbouwgrond was. In het district Qumarleb, op de hoge bovenloop van de Yangzi, is 300 km2 grasland veranderd in woestijn. In het totaal op het plateau is ongeveer het dubbele van de oppervlakte van Frankrijk bedreigd met woestijnvorming. Is de politie van Sarkozy hiertegen wel opgewassen? Het wordt dringend, zoniet te laat. Zandstormen komen in de plaats van sneeuwstormen. De Chinese overheid stelt geld ter beschikking voor mensen die het gebied willen verlaten. Hier wordt dit soms afgedaan als gedwongen volksverhuizing. Een half miljoen mensen koos er al voor. Er is de noodzaak - er kunnen geen kuddes meer grazen – om hongerrampen te voorkomen. Een ander recent experiment is kunstmatig veroorzaken van sneeuwbuien. Op 18 april 2007 verwekten meteorologen in Noord-Tibet neerslag, die leidde tot 1cm sneeuw op de grond (persagentschap Xinhua). Hoe, werd er niet bijgezegd. Kunnen we straks gletsjers “made in China” bestellen? Wetenschappers voorzien dat in 2050 alle gletsjers op het hoogplateau zullen gesmolten zijn en dat drinkwater een groot probleem wordt voor de omliggende honderden miljoenen mensen. Het gebeurt nu al dat de gevreesde Gele Rivier soms stopt met vloeien.

18:39 Gepost door infortibet in ecologie | Permalink | Commentaren (0) | Tags: tibet, woestijnvorming, klimaat, qinghai, yangzi, gele rivier, mekong, china